archiefvorig nr.lopend nr.

Beschouwingen > Een rustig mens delen printen terug
Ludieke uren met Jan Joost Lindner Frits Hoorweg

0120 Ludieke uren met Jan Joost Lindner
Het volgende boek van Jan Joost Lindner zal over spelletjes gaan. Hij schreef er eerder stukjes over in de Volkskrant, die gebundeld werden onder de titel ‘Spelletjesgek’.
“Dit wordt veel completer en ook wel wat serieuzer, met uitstapjes naar de cultuurgeschiedenis. De werktitel is niet voor niets Ludieke Uren, de kenner zal begrijpen dat dit een verwijzing is naar Huizinga’s beroemde boek ‘Homo Ludens’. Het verschijnt volgend jaar oktober, maar eigenlijk is het al klaar. Ik ben de afspraken met de uitgever aan het afronden.”

Dat Jan Joost verzot is op spelletjes wordt meteen bij het betreden van zijn woning duidelijk. In de hal hangen posters van schaaktoernooien. Links in een hoek ligt een Go-bord en iets dat een Chinees schaakspel blijkt te zijn. Op een plank ligt de laatste editie van Schaaknieuws en in de vensterbank ligt een Engelstalig blad over Go. Aan de muur hangt een fotocollage van bridgewedstrijden. “Neen, monomaan ben ik nooit geweest. Een nieuw spel, mits het enige diepgang heeft, kan me enorm boeien en wat ik vooral leuk vind is dat je snel vorderingen kunt maken in de beginfase, als je er nog niet zo lang mee bezig bent. Mijn nieuwste passie is het Chinese schaak, daartoe is de vereniging “De dronken olifant’ opgericht, die inmiddels 5 leden telt en hier bij mij thuis bijeenkomt. De olifant is een stuk in het Chinese schaak en de naam is ook een verwijzing naar de uitspraak dat ‘de wereld zonder Buddha is als een dronken olifant die rondtolt in het firmament’.”

Een passie hoeft niet perse een verslaving te worden. In 1960, toen hij meedeed aan het Haags jeugdkampioenschap schaken, kwam hij tot het inzicht dat wereldkampioen worden er waarschijnlijk niet in zat en zelfs niet wenselijk was voor een ‘al ietwat verliteratuurd jongmens’. Hij besloot journalist te worden.
“Op een zomerdag in 1961 reisde ik, 18 jaar oud, naar Amsterdam, want ik had besloten dat daar mijn toekomst lag. Ik ging onaangekondigd bij drie kranten langs. Bij twee ervan kwam ik niet verder dan de portier, maar bij de Volkskrant zeiden ze dat ik ’s middags maar terug moest komen. Dan was de heer Lücker er (de grote baas) en die ging over dat soort dingen. Nou, die zag er wel wat in. ‘Ga maar eens praten bij de Haagse redactie,’ zei hij ‘misschien kunnen ze je daar wel gebruiken.’ Om er nog aan toe te voegen: ‘dan kun je voorlopig bij je ouders blijven wonen’.” Jan Joost bleef bij de krant tot 2002, toen hij vervroegd uittrad. De Volkskrant moest verjongen en deed hem een aanbieding die financieel aantrekkelijk was en die het hem mogelijk maakte boeken te gaan schrijven.

“Aanvankelijk was ik duvelstoejager op de Haagse redactie. Ik deed het lokale nieuws en ik moest vaak bij de ministeries langs. Dat laatste was overigens zeer leerzaam, toen ik later parlementair redacteur werd bleek de aldus verworven kennis goed van pas te komen. Verder was er af en toe een politieke rel in een of ander Zuid-Hollands dorp; geweldig, daar mochten ze mij wel heen sturen.” In 1970 werd hij politiek columnist en in 1975 ook commentator, en dat is hij tot 1994 gebleven. De hoogtijdagen van Den Uyl, Van Agt en Lubbers waren dat. Voor velen werden ze inzichtelijk gemaakt door de stukken van Jan Joost. Iedere zaterdag werd een beschouwing van zijn hand afgedrukt aan de onderzijde van een binnenpagina, over de hele breedte van de krant. Zijn enthousiasme voor vernieuwing verwoordde hij aanstekelijk, net als zijn minachting voor opportunisten die met goede ideeën aan de haal gingen om er hun persoonlijk voordeel mee te doen. Zijn commentaren waren vaak bijtend en scherp, maar wel altijd in bewoordingen waar je om moest lachen. Hoewel sommige politici dat niet van harte deden. “De mogelijkheid werd een keer geopperd dat ik lid zou worden van een regeringscommissie. Toen ik er een tijd niets meer over had gehoord bleek bij navraag dat de beoogde voorzitter (Barend Biesheuvel) een veto over mij had uitgesproken.” Hij lijkt eerder trots dan beledigd.

Over zijn ervaringen in Den Haag gaat zijn vorige boek: ‘Het tweede Kabinet-Den Uyl’. Het werd in 2003 bij Bert Bakker uitgegeven. Wie zich zijn stukken nog herinnert zal zich niet verbazen dat het thema ‘de teloorgang van de linkse idealen in Nederland’ is. Het is een beschrijving van de parlementaire geschiedenis vanuit zijn persoonlijke gezichtspunt, waarin op een prettige manier aan de orde komt dat zijn visie op sommige dingen inmiddels een andere is dan vroeger. Ook zeer persoonlijke dingen komen aan de orde, al gebeurt dat op een nogal zuinige manier. Een citaat: “1979 was voor mij een turbulent jaar: mijn huwelijk strandde definitief, ik werd emotioneel vrijer en schaakte fantasierijker en agressiever wat tot mijn vijfde (en laatste) clubkampioenschap leidde. Na enkele verhuizingen en nogal wat bonte liefdesperikelen vond ik aan het einde van dat jaar mijn mooiste en duurzaamste relatie, met Marieke Aarden. Mijn werk werd bij mijn weten door dit alles en door een verhoogde whiskyconsumptie niet geschaad.” Daar zou misschien ook wel een boek over te schrijven zijn, maar Jan Joost vindt dit blijkbaar genoeg.

Inmiddels is hij aan een nieuw project begonnen: een boek over de Bommelverhalen. “Dat wordt een bespreking van alle verhalen, en dat zijn er 118, tegen de achtergrond van de tijd waarin ze geschreven zijn. Hard werken? Neen hoor, als het mooi weer is ga ik naar het strand, vroeg in de morgen als het lekker rustig is. Op normale dagen werk ik zo’n drie tot 4 uur. Verder lees ik heel veel, zo’n drie boeken in de week, meestal historisch werk. Ik ga vijf tot zes keer per jaar op vakantie, vaak naar Griekenland of Italië en daar bereid ik mij serieus op voor. In de loop der tijd ben ik het steeds leuker gaan vinden om het verhaal achter een monument of een kunstwerk te kennen. En dan heb ik natuurlijk mijn spelletjes nog. Tegenwoordig vind ik het nog het leukst om erover te lezen en partijen van anderen na te spelen. Maar soms krijg ik toch weer de geest en wil ik zelf ook weer even aan de gang.”


© 2004 Frits Hoorweg meer Frits Hoorweg - meer "Een rustig mens" -
Beschouwingen > Een rustig mens
Ludieke uren met Jan Joost Lindner Frits Hoorweg
0120 Ludieke uren met Jan Joost Lindner
Het volgende boek van Jan Joost Lindner zal over spelletjes gaan. Hij schreef er eerder stukjes over in de Volkskrant, die gebundeld werden onder de titel ‘Spelletjesgek’.
“Dit wordt veel completer en ook wel wat serieuzer, met uitstapjes naar de cultuurgeschiedenis. De werktitel is niet voor niets Ludieke Uren, de kenner zal begrijpen dat dit een verwijzing is naar Huizinga’s beroemde boek ‘Homo Ludens’. Het verschijnt volgend jaar oktober, maar eigenlijk is het al klaar. Ik ben de afspraken met de uitgever aan het afronden.”

Dat Jan Joost verzot is op spelletjes wordt meteen bij het betreden van zijn woning duidelijk. In de hal hangen posters van schaaktoernooien. Links in een hoek ligt een Go-bord en iets dat een Chinees schaakspel blijkt te zijn. Op een plank ligt de laatste editie van Schaaknieuws en in de vensterbank ligt een Engelstalig blad over Go. Aan de muur hangt een fotocollage van bridgewedstrijden. “Neen, monomaan ben ik nooit geweest. Een nieuw spel, mits het enige diepgang heeft, kan me enorm boeien en wat ik vooral leuk vind is dat je snel vorderingen kunt maken in de beginfase, als je er nog niet zo lang mee bezig bent. Mijn nieuwste passie is het Chinese schaak, daartoe is de vereniging “De dronken olifant’ opgericht, die inmiddels 5 leden telt en hier bij mij thuis bijeenkomt. De olifant is een stuk in het Chinese schaak en de naam is ook een verwijzing naar de uitspraak dat ‘de wereld zonder Buddha is als een dronken olifant die rondtolt in het firmament’.”

Een passie hoeft niet perse een verslaving te worden. In 1960, toen hij meedeed aan het Haags jeugdkampioenschap schaken, kwam hij tot het inzicht dat wereldkampioen worden er waarschijnlijk niet in zat en zelfs niet wenselijk was voor een ‘al ietwat verliteratuurd jongmens’. Hij besloot journalist te worden.
“Op een zomerdag in 1961 reisde ik, 18 jaar oud, naar Amsterdam, want ik had besloten dat daar mijn toekomst lag. Ik ging onaangekondigd bij drie kranten langs. Bij twee ervan kwam ik niet verder dan de portier, maar bij de Volkskrant zeiden ze dat ik ’s middags maar terug moest komen. Dan was de heer Lücker er (de grote baas) en die ging over dat soort dingen. Nou, die zag er wel wat in. ‘Ga maar eens praten bij de Haagse redactie,’ zei hij ‘misschien kunnen ze je daar wel gebruiken.’ Om er nog aan toe te voegen: ‘dan kun je voorlopig bij je ouders blijven wonen’.” Jan Joost bleef bij de krant tot 2002, toen hij vervroegd uittrad. De Volkskrant moest verjongen en deed hem een aanbieding die financieel aantrekkelijk was en die het hem mogelijk maakte boeken te gaan schrijven.

“Aanvankelijk was ik duvelstoejager op de Haagse redactie. Ik deed het lokale nieuws en ik moest vaak bij de ministeries langs. Dat laatste was overigens zeer leerzaam, toen ik later parlementair redacteur werd bleek de aldus verworven kennis goed van pas te komen. Verder was er af en toe een politieke rel in een of ander Zuid-Hollands dorp; geweldig, daar mochten ze mij wel heen sturen.” In 1970 werd hij politiek columnist en in 1975 ook commentator, en dat is hij tot 1994 gebleven. De hoogtijdagen van Den Uyl, Van Agt en Lubbers waren dat. Voor velen werden ze inzichtelijk gemaakt door de stukken van Jan Joost. Iedere zaterdag werd een beschouwing van zijn hand afgedrukt aan de onderzijde van een binnenpagina, over de hele breedte van de krant. Zijn enthousiasme voor vernieuwing verwoordde hij aanstekelijk, net als zijn minachting voor opportunisten die met goede ideeën aan de haal gingen om er hun persoonlijk voordeel mee te doen. Zijn commentaren waren vaak bijtend en scherp, maar wel altijd in bewoordingen waar je om moest lachen. Hoewel sommige politici dat niet van harte deden. “De mogelijkheid werd een keer geopperd dat ik lid zou worden van een regeringscommissie. Toen ik er een tijd niets meer over had gehoord bleek bij navraag dat de beoogde voorzitter (Barend Biesheuvel) een veto over mij had uitgesproken.” Hij lijkt eerder trots dan beledigd.

Over zijn ervaringen in Den Haag gaat zijn vorige boek: ‘Het tweede Kabinet-Den Uyl’. Het werd in 2003 bij Bert Bakker uitgegeven. Wie zich zijn stukken nog herinnert zal zich niet verbazen dat het thema ‘de teloorgang van de linkse idealen in Nederland’ is. Het is een beschrijving van de parlementaire geschiedenis vanuit zijn persoonlijke gezichtspunt, waarin op een prettige manier aan de orde komt dat zijn visie op sommige dingen inmiddels een andere is dan vroeger. Ook zeer persoonlijke dingen komen aan de orde, al gebeurt dat op een nogal zuinige manier. Een citaat: “1979 was voor mij een turbulent jaar: mijn huwelijk strandde definitief, ik werd emotioneel vrijer en schaakte fantasierijker en agressiever wat tot mijn vijfde (en laatste) clubkampioenschap leidde. Na enkele verhuizingen en nogal wat bonte liefdesperikelen vond ik aan het einde van dat jaar mijn mooiste en duurzaamste relatie, met Marieke Aarden. Mijn werk werd bij mijn weten door dit alles en door een verhoogde whiskyconsumptie niet geschaad.” Daar zou misschien ook wel een boek over te schrijven zijn, maar Jan Joost vindt dit blijkbaar genoeg.

Inmiddels is hij aan een nieuw project begonnen: een boek over de Bommelverhalen. “Dat wordt een bespreking van alle verhalen, en dat zijn er 118, tegen de achtergrond van de tijd waarin ze geschreven zijn. Hard werken? Neen hoor, als het mooi weer is ga ik naar het strand, vroeg in de morgen als het lekker rustig is. Op normale dagen werk ik zo’n drie tot 4 uur. Verder lees ik heel veel, zo’n drie boeken in de week, meestal historisch werk. Ik ga vijf tot zes keer per jaar op vakantie, vaak naar Griekenland of Italië en daar bereid ik mij serieus op voor. In de loop der tijd ben ik het steeds leuker gaan vinden om het verhaal achter een monument of een kunstwerk te kennen. En dan heb ik natuurlijk mijn spelletjes nog. Tegenwoordig vind ik het nog het leukst om erover te lezen en partijen van anderen na te spelen. Maar soms krijg ik toch weer de geest en wil ik zelf ook weer even aan de gang.”
© 2004 Frits Hoorweg
powered by CJ2