archiefvorig nr.lopend nr.

Vermaak en Genot > Doe toch een spelletje mee delen printen terug
Mijn schaaklevenslijn (deel 2) Roel van Duijn

2115VG Schaakleven2Ik zat in de gevangenis, het Huis van Bewaring aan het Leidseplein. Ik was aangeklaagd voor opruiing tot moord, omdat een anonymus in Provo 7 geschreven had dat de slopers van de Valkenburgerstraat ‘van de daken moeten moesten worden geschoten’, terwijl ik de verantwoordelijk redacteur was van het blad was, Provo. De gevangenis was het bakstenen gebouw waarin nu De Balie gevestigd is, vanwege de balie voor de rechter-commissaris die daar de verdachten berechtte. Mij had hij gezegd dat ik er 6 jaar voor kon krijgen. Het was 1966.

In de cel schaakte ik. Een schaakspel had ik niet, maar ik analyseerde in mijn hoofd de laatste partijen die ik gespeeld had. Eigenlijk was ik nogal verslaafd aan schaken en in zekere zin kwam het me wel goed uit dat ik me nu noodgedwongen moest beperken tot schaken. Schrijven mocht niet, dus mijn schaaklust spatte de cel in. Koningsgambiet, Van Duijngambiet, de Franse opening, alles nam ik onder de loep. Welke foute zetten had ik gedaan? Welke zetten waren beter geweest? Was misschien 3. Loper c4 in het Koningsgambiet sterker dan 3 Paard f3?, vroeg ik me ijsberend door de cel af.

De schok

Op een dag mocht ik lezen en ik koos de autobiografie van de bebaarde anarchist en prins Kropotkin. Ik onderbrak er mijn schaakanalyses voor, want anarchist was ik ook. Een passage veranderde mijn leven.
Pjotr Kropitkin was op dezelfde leeftijd die ik op dat moment had al secretaris van de vereniging van Russische aardrijkskundigen. Hij reisde door het Siberisch hooggebergte en ontdekte dat de structuur van het gebergte niet oost-west loopt, zoals tot dan gedacht werd, maar van het zuidwesten naar het noordoosten. Toch deed hij een nog veel belangrijker ontdekking. Namelijk dat de inheemse volkeren die in de dalen leefden vreselijk onderdrukt en uitgebuit werden door het Tsaristische, koloniale systeem. Dit kon hij niet aanzien, hij móést daar iets tegen doen. ‘Met welk recht kan ik mij wijden aan zoiets heerlijks als de wetenschap als deze mensen zo barbaars behandeld worden door onze regering?’ Met een schok realiseerde hij zich dat hij zijn leven moest veranderen en hij besloot radicaal de wetenschap te verlaten om zich te wijden aan de revolutie, de bevrijding van de onderdrukten.

Terwijl ik door het getraliede venster naar de vogels gluurde ging er een schok door mij heen. Met welk recht wijdde ik me aan zoiets fantastisch als het schaakspel wanneer ondertussen de wereld een prooi was voor militaristen die op oorlog uit waren? Ik besloot dat ik Kropotkins besluit moest volgen en moest stoppen met schaken om mijn handen vrij te hebben voor de verandering van de maatschappij: de revolutie. Zodra ik op vrije voeten was zegde ik mijn lidmaatschap op van het VAS in Amsterdam, de grote club die toen nog prinselijk in de mooiste straat van van Amsterdam speelde, de Henri Polaklaan, en stortte me in onze campagne voor de gemeenteraadsverkiezingen.

Nu was ik full time provo, weldra van top tot teen kabouter en daarna ever green politicus. Veertig jaar lang raakte ik bijna geen pion meer aan. Een revolutie in m'n leven.

Schaken is moordaanslag beramen

Ik ontmoette wel schakers op straat, die me trachtten te verleiden tot een potje. Maar ik hield stand. Tegen sparring partner Hans Ree zei ik dat schaken een immoreel spel was en dat het erom draait de tegenstander te vermoorden door zijn koning mat te zetten. ’Schaakmat! Dat is dat je hem aanvalt met een pistool terwijl hij geen kant meer op kan en dan dood je hem.’ En ik voegde eraan toe dat de geest van het spel het beramen van een moordaanslag is, zodat het geen wonder is dat zo weinig vrouwen schaken, omdat die van nature meer gericht zijn om léven op aarde te brengen.

Kan ik gelijk in hebben gehad. Ondanks alle inspanningen om vrouwen aan te zetten om te gaan schaken kijken ze liever naar schakende mannen dan het zelf te doen. Zestig jaar geleden waren er bij DD twee vrouwen lid, nu is er bij het Zutphens Schaakgenootschap één lid over wie wij ons mogen verheugen. Er schijnt voor vrouwen iets magisch van ons uit te gaan als wij denken en zetten. In een boek van mijn vriendin Laurie Langenbach las ik eens dat zij niet schaken kon maar schaaktoernooien bezocht om Jan Timman te zien spelen en al bij het betreden van het gebouw raakte zij opgewonden van de geur van schakende mannen. Ik herinner me nu ook dat mijn moeder, die geen stuk aanraken kon zonder te giechelen, steeds met grote belangstelling keek als mijn vader en ik zaten te schaken, om na afloop genietend te vragen ‘Wie heeft er gewonnen?’ Zien, begrijpen kon ze het niet, ook niet als zij de laatste zetten van een partij zag. Schaken is een moordspel en mijn moeder was geen moordenares, mijn vader en ik daarentegen genoten ervan als we elkaar te pakken namen.

Het is iets dat we schijnen te moeten aanvaarden: het enige dat van schaken niet leuk is, is dat zo weinig vrouwen schaken. Echt pijnlijk. Toen ik van mezelf niet meer schaken mocht troostte ik me met de gedachte dat ik nu van de vrouwloze avonden verlost was.
 
Strijd tegen mijn schaakverslaving.

Oef, niet-schaken viel niet mee. Als een droogstaande alcoholist dorstte ik naar het spel. Maar er is één verschil wat het voor afkickende schakers nog wat moeilijker maakt om er van te genezen. Je hoeft er niet stiekem een fles voor te kopen in een drankenwinkel, maar je hersens kunnen elk willekeurig moment aan het schaken slaan. En als je er niet de rem op zet, kunnen ze opnieuw hele partijen gaan analyseren, openingen uitproberen of zelfs schaakcomposities bedenken.

Dat deed ik wel stiekem, ik geeft het toe, in bed of op de fiets. Maar partijen spelen, met een tegenstander, daarvan hield ik mij ver. Tien jaar nadat ik was opgehouden leerde ik een vrouw kennen met wie het zo boterde dat we trouwplannen kregen. Op een dag kwam ik thuis en omdat ik zwijgzaam en in mezelf gekeerd was vroeg zij of er iets was. ‘Nee, nee’ zei ik haastig. Maar omdat ik haar bleef ontwijken en strak voor me uitkeek drong zij aan, bang dat ik vreemd gegaan was. En dat was ook zo, ik was naar het schaakcafé op de Bloemgracht gegaan en was me daar te buiten gegaan aan een serie vluggertjes met Rik Lith, ook een verslaafde, maar niet een die zoals ik droog stond. ‘Ik moet je iets bekennen’ zei ik beschaamd. Zij schrok, bang dat het huwelijk afgezegd zou gaan worden vanwege een rivale. Toen ik opgebiecht had dat ik geschaakt had schoot zij in een slappe lach. ‘Gescháákt? vroeg zij onnozel , ‘nou en?’

Zij was opgelucht, maar voor mij was het een morele nederlaag en het schaamrood week niet van mijn kaken. Ik was echt boos op mezelf dat ik me had laten gaan, ik had mijn energie niet aan dat stomme schaken mogen geven, maar ik had een nieuw artikel moeten schrijven over milieuvriendelijke energieopwekking. Wat was ik toch een papjongen.

Schaken mijn zwakheid

Toch speelde ik wel eens een enkele keer, als ik het voorwendsel had dat het mijn politieke werk diende. Bijvoorbeeld toen burgemeester Samkalden bij me op bezoek kwam, in 1970, die van Ed van Thijn de opdracht had gekregen om eens een ander gezicht te laten zien en niet altijd zo bars moest zijn tegen opstandige jongeren. Dat werd wel een diplomatiek succes, het partijtje werd remise en kwam op de voorpagina van het Parool terecht. 

Eens had ik tot aan het ochtendkrieken op de ambtswoning van de burgemeester aan de Herengracht zitten vergaderen toen ik buiten een jongen op gymschoenen ontmoette die me nieuwsgierig vertelde dat hij Max Pam heette. Hij had die nacht uit een brandend huis moeten springen terwijl hij bij zijn vriendin zijn schaakrubriek voor de krant had zitten schrijven. Hij was zo nieuwsgierig naar het Van Duijngambiet en zo grappig dat ik bezweek, Vooruit één potje dan, maar het liep natuurlijk uit de hand.

Of ik speelde in het team van de gemeenteraad, dat het tegen een team van keurige journalisten moest opnemen. Zo kwam ik eens tegenover Lodewijk Prins te zitten, die tot hoon van Jan-Hein Donner tot grootmeester was benoemd terwijl Prins volgens hem geen loper van een paard kon onderscheiden. Ik won van hem en dat gaf me het gevoel dat ik toch echt wel talent had en dan schaakdroomde ik ‘s nachts. Zelfs later als boer in Groningen lag ik wel eens op mijn rug, de handen gevouwen onder mijn hoofd, in het hooi stiekem te analyseren. Ik was toen al met haar getrouwd en zij nam het me niet kwalijk, hoewel ik haar dringend gevraagd had me die kunstjes uit mijn hoofd te praten.

Wat die vluggertjes met Rik Lith op de Bloemgracht aangaat: met hem speelde ik godbetert zelfs om geld! 'Re', 'contra', 're-contra!', 'super!!'. Ken je dat? Bij elke nieuwe kansrijke stelling die op het bord verscheen met een rooie kop inzet verdubbelen onder het uitroepen van deze krachttermen. De tegenstander kan de verdubbeling van de inzet aanvaarden door verder te spelen of meteen opgeven, zodat de oude inzet in rekening gebracht wordt. Dit spel is als een drug zo verslavend.

De val

Maar natuurlijk werd ik niet meer lid van een schaakclub en ik hield braaf vol me aan de revolutie te wijden, nu aan de groene. Pas in 1994 zag ik mijn kans weer schoon om zogenaamd in dienst van de revolutie een simultaan te geven, als stunt voor de gemeenteraadsverkiezingen, op de Noordermarkt tegen een stuk of veertig tegenstanders. Ik vrat mijn tegenstanders op en genoot. Ik merkte niet dat ik echt wel slechter was gaan spelen, want in de rij van mijn tegenstanders zaten geen clubspelers. Even kwam het in me op om weer wedstrijden te gaan spelen, maar dat drukte ik snel de kop in. Ik zou me dat ernstig kwalijk nemen.

Toen kwam 2003, het jaar van mijn lange liefdesverdriet. Ik stond nog steeds droog, afgezien van wat vluggertjes in de schaakkelder op de Bloemgracht. Ik herinnerde me dat ik in mijn jeugd graag schaakte als ik liefdesverdriet had en dat het dan helemaal weg was, omdat ik in een andere wereld verkeerde. Misschien zou het goed voor me zijn weer eens te schaken, overwoog ik met slimme zelfmisleiding. Ik speelde een paar partijtjes, maar nam mezelf dat toch kwalijk en kreeg extra wroeging. Ik had wel wat beters te doen toch? Maar in mijn ldvd zocht ik het gezelschap van oude schaakvrienden, gevaarlijke vrienden dus; en met Frans Smit, die toen secretaris was van de Schaakbond Groot Amsterdam.

Hij legde me uit dat de arme schaakclubs in Amsterdam steeds verder uit het centrum van de stad werden verdreven omdat ze de stijgende huren niet meer konden opbrengen en ik rook mijn kans. Ik diende bij de deelraad Oud Zuid, waar ik toen lid van was, een plan in om in het voormalige filmhuis in het Vondelpark een schaakhuis te vestigen. Goed voor ludiek Amsterdam. Zo kwam ik ook met een bestuurslid van de grootste schaakclub, Caïssa (genoemd naar de godin van het schaken) in contact. ‘Maar Roel , waarom word je geen lid van Caïssa?’ vroeg hij, ‘Dat zouden we allemaal heel gezellig vinden’. Ik bibberde. Bang te bezwijken.
Ik was zestig en ik kon het aan mezelf verkopen als ‘iets nieuws’. Maar krachtig antwoordde ik: ‘Nee jongen, word jij maar lid van GroenLinks, dat zouden we allemaal reuze solidair van je vinden’. Toen gebeurde het.
 ‘Goed’ antwoordde hij. ’Ik word lid van GroenLinks en in ruil word jij lid van Caïssa’.

Die nacht verscheen mijn vader me in een droom en hij nodigde me uit een potje te schaken en dat vatte ik op als een teken dat ik kon instemmen met het listige ruilvoorstel. Zo liet ik mij er in luizen, door vrienden en vader. Bij Caïssa, bij mij op de hoek, in de Oranjekerk in de Van Ostadestraat. Daar zat ik en ik ging weer helemaal op in mijn zwakheid, het schaakspel. Toch weer aan het schaakbord, een nieuwe fase in mijn leven brak aan.
Kon ik terugvinden waarvoor schaken goed is?

Wordt vervolgd!

----------

De foto is van mijn vader: een eeuw geleden.


© 2024 Roel van Duijn meer Roel van Duijn - meer "Doe toch een spelletje mee"
Vermaak en Genot > Doe toch een spelletje mee
Mijn schaaklevenslijn (deel 2) Roel van Duijn
2115VG Schaakleven2Ik zat in de gevangenis, het Huis van Bewaring aan het Leidseplein. Ik was aangeklaagd voor opruiing tot moord, omdat een anonymus in Provo 7 geschreven had dat de slopers van de Valkenburgerstraat ‘van de daken moeten moesten worden geschoten’, terwijl ik de verantwoordelijk redacteur was van het blad was, Provo. De gevangenis was het bakstenen gebouw waarin nu De Balie gevestigd is, vanwege de balie voor de rechter-commissaris die daar de verdachten berechtte. Mij had hij gezegd dat ik er 6 jaar voor kon krijgen. Het was 1966.

In de cel schaakte ik. Een schaakspel had ik niet, maar ik analyseerde in mijn hoofd de laatste partijen die ik gespeeld had. Eigenlijk was ik nogal verslaafd aan schaken en in zekere zin kwam het me wel goed uit dat ik me nu noodgedwongen moest beperken tot schaken. Schrijven mocht niet, dus mijn schaaklust spatte de cel in. Koningsgambiet, Van Duijngambiet, de Franse opening, alles nam ik onder de loep. Welke foute zetten had ik gedaan? Welke zetten waren beter geweest? Was misschien 3. Loper c4 in het Koningsgambiet sterker dan 3 Paard f3?, vroeg ik me ijsberend door de cel af.

De schok

Op een dag mocht ik lezen en ik koos de autobiografie van de bebaarde anarchist en prins Kropotkin. Ik onderbrak er mijn schaakanalyses voor, want anarchist was ik ook. Een passage veranderde mijn leven.
Pjotr Kropitkin was op dezelfde leeftijd die ik op dat moment had al secretaris van de vereniging van Russische aardrijkskundigen. Hij reisde door het Siberisch hooggebergte en ontdekte dat de structuur van het gebergte niet oost-west loopt, zoals tot dan gedacht werd, maar van het zuidwesten naar het noordoosten. Toch deed hij een nog veel belangrijker ontdekking. Namelijk dat de inheemse volkeren die in de dalen leefden vreselijk onderdrukt en uitgebuit werden door het Tsaristische, koloniale systeem. Dit kon hij niet aanzien, hij móést daar iets tegen doen. ‘Met welk recht kan ik mij wijden aan zoiets heerlijks als de wetenschap als deze mensen zo barbaars behandeld worden door onze regering?’ Met een schok realiseerde hij zich dat hij zijn leven moest veranderen en hij besloot radicaal de wetenschap te verlaten om zich te wijden aan de revolutie, de bevrijding van de onderdrukten.

Terwijl ik door het getraliede venster naar de vogels gluurde ging er een schok door mij heen. Met welk recht wijdde ik me aan zoiets fantastisch als het schaakspel wanneer ondertussen de wereld een prooi was voor militaristen die op oorlog uit waren? Ik besloot dat ik Kropotkins besluit moest volgen en moest stoppen met schaken om mijn handen vrij te hebben voor de verandering van de maatschappij: de revolutie. Zodra ik op vrije voeten was zegde ik mijn lidmaatschap op van het VAS in Amsterdam, de grote club die toen nog prinselijk in de mooiste straat van van Amsterdam speelde, de Henri Polaklaan, en stortte me in onze campagne voor de gemeenteraadsverkiezingen.

Nu was ik full time provo, weldra van top tot teen kabouter en daarna ever green politicus. Veertig jaar lang raakte ik bijna geen pion meer aan. Een revolutie in m'n leven.

Schaken is moordaanslag beramen

Ik ontmoette wel schakers op straat, die me trachtten te verleiden tot een potje. Maar ik hield stand. Tegen sparring partner Hans Ree zei ik dat schaken een immoreel spel was en dat het erom draait de tegenstander te vermoorden door zijn koning mat te zetten. ’Schaakmat! Dat is dat je hem aanvalt met een pistool terwijl hij geen kant meer op kan en dan dood je hem.’ En ik voegde eraan toe dat de geest van het spel het beramen van een moordaanslag is, zodat het geen wonder is dat zo weinig vrouwen schaken, omdat die van nature meer gericht zijn om léven op aarde te brengen.

Kan ik gelijk in hebben gehad. Ondanks alle inspanningen om vrouwen aan te zetten om te gaan schaken kijken ze liever naar schakende mannen dan het zelf te doen. Zestig jaar geleden waren er bij DD twee vrouwen lid, nu is er bij het Zutphens Schaakgenootschap één lid over wie wij ons mogen verheugen. Er schijnt voor vrouwen iets magisch van ons uit te gaan als wij denken en zetten. In een boek van mijn vriendin Laurie Langenbach las ik eens dat zij niet schaken kon maar schaaktoernooien bezocht om Jan Timman te zien spelen en al bij het betreden van het gebouw raakte zij opgewonden van de geur van schakende mannen. Ik herinner me nu ook dat mijn moeder, die geen stuk aanraken kon zonder te giechelen, steeds met grote belangstelling keek als mijn vader en ik zaten te schaken, om na afloop genietend te vragen ‘Wie heeft er gewonnen?’ Zien, begrijpen kon ze het niet, ook niet als zij de laatste zetten van een partij zag. Schaken is een moordspel en mijn moeder was geen moordenares, mijn vader en ik daarentegen genoten ervan als we elkaar te pakken namen.

Het is iets dat we schijnen te moeten aanvaarden: het enige dat van schaken niet leuk is, is dat zo weinig vrouwen schaken. Echt pijnlijk. Toen ik van mezelf niet meer schaken mocht troostte ik me met de gedachte dat ik nu van de vrouwloze avonden verlost was.
 
Strijd tegen mijn schaakverslaving.

Oef, niet-schaken viel niet mee. Als een droogstaande alcoholist dorstte ik naar het spel. Maar er is één verschil wat het voor afkickende schakers nog wat moeilijker maakt om er van te genezen. Je hoeft er niet stiekem een fles voor te kopen in een drankenwinkel, maar je hersens kunnen elk willekeurig moment aan het schaken slaan. En als je er niet de rem op zet, kunnen ze opnieuw hele partijen gaan analyseren, openingen uitproberen of zelfs schaakcomposities bedenken.

Dat deed ik wel stiekem, ik geeft het toe, in bed of op de fiets. Maar partijen spelen, met een tegenstander, daarvan hield ik mij ver. Tien jaar nadat ik was opgehouden leerde ik een vrouw kennen met wie het zo boterde dat we trouwplannen kregen. Op een dag kwam ik thuis en omdat ik zwijgzaam en in mezelf gekeerd was vroeg zij of er iets was. ‘Nee, nee’ zei ik haastig. Maar omdat ik haar bleef ontwijken en strak voor me uitkeek drong zij aan, bang dat ik vreemd gegaan was. En dat was ook zo, ik was naar het schaakcafé op de Bloemgracht gegaan en was me daar te buiten gegaan aan een serie vluggertjes met Rik Lith, ook een verslaafde, maar niet een die zoals ik droog stond. ‘Ik moet je iets bekennen’ zei ik beschaamd. Zij schrok, bang dat het huwelijk afgezegd zou gaan worden vanwege een rivale. Toen ik opgebiecht had dat ik geschaakt had schoot zij in een slappe lach. ‘Gescháákt? vroeg zij onnozel , ‘nou en?’

Zij was opgelucht, maar voor mij was het een morele nederlaag en het schaamrood week niet van mijn kaken. Ik was echt boos op mezelf dat ik me had laten gaan, ik had mijn energie niet aan dat stomme schaken mogen geven, maar ik had een nieuw artikel moeten schrijven over milieuvriendelijke energieopwekking. Wat was ik toch een papjongen.

Schaken mijn zwakheid

Toch speelde ik wel eens een enkele keer, als ik het voorwendsel had dat het mijn politieke werk diende. Bijvoorbeeld toen burgemeester Samkalden bij me op bezoek kwam, in 1970, die van Ed van Thijn de opdracht had gekregen om eens een ander gezicht te laten zien en niet altijd zo bars moest zijn tegen opstandige jongeren. Dat werd wel een diplomatiek succes, het partijtje werd remise en kwam op de voorpagina van het Parool terecht. 

Eens had ik tot aan het ochtendkrieken op de ambtswoning van de burgemeester aan de Herengracht zitten vergaderen toen ik buiten een jongen op gymschoenen ontmoette die me nieuwsgierig vertelde dat hij Max Pam heette. Hij had die nacht uit een brandend huis moeten springen terwijl hij bij zijn vriendin zijn schaakrubriek voor de krant had zitten schrijven. Hij was zo nieuwsgierig naar het Van Duijngambiet en zo grappig dat ik bezweek, Vooruit één potje dan, maar het liep natuurlijk uit de hand.

Of ik speelde in het team van de gemeenteraad, dat het tegen een team van keurige journalisten moest opnemen. Zo kwam ik eens tegenover Lodewijk Prins te zitten, die tot hoon van Jan-Hein Donner tot grootmeester was benoemd terwijl Prins volgens hem geen loper van een paard kon onderscheiden. Ik won van hem en dat gaf me het gevoel dat ik toch echt wel talent had en dan schaakdroomde ik ‘s nachts. Zelfs later als boer in Groningen lag ik wel eens op mijn rug, de handen gevouwen onder mijn hoofd, in het hooi stiekem te analyseren. Ik was toen al met haar getrouwd en zij nam het me niet kwalijk, hoewel ik haar dringend gevraagd had me die kunstjes uit mijn hoofd te praten.

Wat die vluggertjes met Rik Lith op de Bloemgracht aangaat: met hem speelde ik godbetert zelfs om geld! 'Re', 'contra', 're-contra!', 'super!!'. Ken je dat? Bij elke nieuwe kansrijke stelling die op het bord verscheen met een rooie kop inzet verdubbelen onder het uitroepen van deze krachttermen. De tegenstander kan de verdubbeling van de inzet aanvaarden door verder te spelen of meteen opgeven, zodat de oude inzet in rekening gebracht wordt. Dit spel is als een drug zo verslavend.

De val

Maar natuurlijk werd ik niet meer lid van een schaakclub en ik hield braaf vol me aan de revolutie te wijden, nu aan de groene. Pas in 1994 zag ik mijn kans weer schoon om zogenaamd in dienst van de revolutie een simultaan te geven, als stunt voor de gemeenteraadsverkiezingen, op de Noordermarkt tegen een stuk of veertig tegenstanders. Ik vrat mijn tegenstanders op en genoot. Ik merkte niet dat ik echt wel slechter was gaan spelen, want in de rij van mijn tegenstanders zaten geen clubspelers. Even kwam het in me op om weer wedstrijden te gaan spelen, maar dat drukte ik snel de kop in. Ik zou me dat ernstig kwalijk nemen.

Toen kwam 2003, het jaar van mijn lange liefdesverdriet. Ik stond nog steeds droog, afgezien van wat vluggertjes in de schaakkelder op de Bloemgracht. Ik herinnerde me dat ik in mijn jeugd graag schaakte als ik liefdesverdriet had en dat het dan helemaal weg was, omdat ik in een andere wereld verkeerde. Misschien zou het goed voor me zijn weer eens te schaken, overwoog ik met slimme zelfmisleiding. Ik speelde een paar partijtjes, maar nam mezelf dat toch kwalijk en kreeg extra wroeging. Ik had wel wat beters te doen toch? Maar in mijn ldvd zocht ik het gezelschap van oude schaakvrienden, gevaarlijke vrienden dus; en met Frans Smit, die toen secretaris was van de Schaakbond Groot Amsterdam.

Hij legde me uit dat de arme schaakclubs in Amsterdam steeds verder uit het centrum van de stad werden verdreven omdat ze de stijgende huren niet meer konden opbrengen en ik rook mijn kans. Ik diende bij de deelraad Oud Zuid, waar ik toen lid van was, een plan in om in het voormalige filmhuis in het Vondelpark een schaakhuis te vestigen. Goed voor ludiek Amsterdam. Zo kwam ik ook met een bestuurslid van de grootste schaakclub, Caïssa (genoemd naar de godin van het schaken) in contact. ‘Maar Roel , waarom word je geen lid van Caïssa?’ vroeg hij, ‘Dat zouden we allemaal heel gezellig vinden’. Ik bibberde. Bang te bezwijken.
Ik was zestig en ik kon het aan mezelf verkopen als ‘iets nieuws’. Maar krachtig antwoordde ik: ‘Nee jongen, word jij maar lid van GroenLinks, dat zouden we allemaal reuze solidair van je vinden’. Toen gebeurde het.
 ‘Goed’ antwoordde hij. ’Ik word lid van GroenLinks en in ruil word jij lid van Caïssa’.

Die nacht verscheen mijn vader me in een droom en hij nodigde me uit een potje te schaken en dat vatte ik op als een teken dat ik kon instemmen met het listige ruilvoorstel. Zo liet ik mij er in luizen, door vrienden en vader. Bij Caïssa, bij mij op de hoek, in de Oranjekerk in de Van Ostadestraat. Daar zat ik en ik ging weer helemaal op in mijn zwakheid, het schaakspel. Toch weer aan het schaakbord, een nieuwe fase in mijn leven brak aan.
Kon ik terugvinden waarvoor schaken goed is?

Wordt vervolgd!

----------

De foto is van mijn vader: een eeuw geleden.
© 2024 Roel van Duijn
powered by CJ2