archiefvorig nr.lopend nr.

Nummer 9
Jaargang 18
25 februari 2021
Nummer 10 verschijnt op
11 maart 2021
Beschouwingen > In de polder delen printen terug
Tegelijk rijker èn armer? Paul Bordewijk

1807BS Tegelijk1Bij boekhandel Kooyker in de Leidse Breestraat lagen ze naast elkaar: Met ons gaat het nog altijd goed (van Peter Hein van Mulligen) en Fantoomgroei (van Sander Heijne en Hendrik Noten). Het laatstgenoemde boek heeft als ondertitel: Waarom we steeds harder werken voor steeds minder. Twee boeken met een tegengestelde boodschap. Wie heeft er gelijk?

Uitgangspunt van Heijne en Noten is een onderzoek van RaboResearch uit 2008, waaruit zou blijken dat de Nederlandse economie de decennia daarvoor met tientallen procenten is gegroeid, maar dat de reële gezinsinkomens in diezelfde periode nauwelijks zijn gestegen. Vandaar de term fantoomgroei.
Voor Van Mulligen is dat een van de acht sombere mythes over Nederland die hij in zijn boek wil ontrafelen. Hij wijst erop (p. 46) dat de Rabo keek naar het inkomen per huishouden in plaats van naar het inkomen per hoofd van de bevolking. Omdat huishoudens veel kleiner zijn geworden zijn we er per hoofd van de bevolking in veertig jaar meer dan 40% op vooruit gegaan.

Dat we steeds harder werken voor steeds minder is dus gewoon niet waar. Het feit alleen al dat Heijne en Noten er niet bij zeggen wat er gebeurd is met het inkomen per hoofd van de bevolking, maakt Fantoomgroei tot een waardeloos boek. Dat geldt ook voor hun aanval op het Akkoord van Wassenaar, zo ongeveer het enige dat Wim Kok goed gedaan heeft in zijn politieke leven.
Voor die tijd was zijn boodschap dat Den Uyl niet links genoeg was en voerde hij een vakbeweging aan die onverantwoorde looneisen stelde in een tijd van oplopende werkloosheid. Later, eenmaal minister van Financiën geworden, werd hij het boegbeeld van het neoliberalisme in de Nederlandse politiek. Wie dat niet gelooft leze het ook vorig jaar uitgekomen Dat hadden we nooit moeten doen van Duco Hellema en Margriet van Lith.   
Heijne en Noten zijn ook slordig in de details. Ze noemen terecht de liberaal Dirk Stikker als één van de founding fathers van het Nederlandse poldermodel, maar verwarren de door deze in 1946 opgerichte Partij voor de Vrijheid met de VVD, waar Stikkers partij in 1948 in op ging. Wat maakt het uit, zult u wellicht tegenwerpen, maar ik voel mijzelf met dat soort slordigheden als lezer niet serieus genomen.

Is het boek van Van Mulligem dan zoveel beter? Zeker wel, maar er is één probleem dat hij ontloopt, juist als het over de welvaartsontwikkeling gaat. Dat is dat in die veertig jaar waarin we er 40% op vooruit zijn gegaan, de contractlonen (zoals afgesproken in de CAO’s) er niet op vooruit zijn gegaan. Dat was voor 1980 anders. Wie toen hetzelfde beroep bleef uitoefenen en op het maximum van zijn salarisschaal zat, ging er haast elk jaar toch op vooruit, omdat in de CAO’s loonstijgingen werden afgesproken die hoger waren dan de prijsstijging.
Dat de welvaart ook na 1980 toch gestegen is komt omdat, door het gestegen opleidingsniveau, de verdeling1807BS Tegelijk2 over verschillende inkomensniveaus is veranderd. Simpel gezegd: er zijn meer accountants gekomen en minder fabrieksarbeiders. Daardoor is het gemiddelde loon in die tijd aanzienlijk gestegen.
Wat betekent dat? We zijn een rijker land geworden, maar arbeiders en accountants verdienen nog evenveel. Maar voor hun gevoel zijn ze niet even rijk gebleven. Het zoontje van de accountant kon met zijn verjaardag op luxe hapjes trakteren en dat vond iedereen leuk, want hij was de uitzondering. Nu is het de regel en geneert het zoontje van de handarbeider zich dat zijn ouders daar geen geld voor hebben. Hij is nu de uitzondering.
Door de toegenomen welvaart zijn de opvattingen over wat er normaal is in onze maatschappij veranderd. Juist omdat we rijker zijn geworden voelen we ons armer. Ik denk dat dit een bron van ongenoegen is die te weinig wordt onderkend.

Zo zou ik met dezelfde baan als vijftig jaar geleden nu niet meer het huis kunnen kopen waar ik nu nog steeds in woon. Iedereen wordt verondersteld een smartphone te hebben, in de discussie over de corona-app komt zelfs de vraag niet op hoe het moet met mensen zonder smartphone. Rutte gaat er ook vanuit dat iedereen zijn verjaardag in een café kan vieren. Maar daar zien ze je aankomen met spullen van de voedselbank.
Deze ontwikkeling stelt ons voor lastige dilemma’s. De armoedegrens schuift op met het gemiddelde inkomen (strikt genomen de mediaan) en daarom heb je meer geld nodig om niet arm te zijn. Niet iedereen heeft dat en dat zien we terug in het aantal daklozen en het aantal klanten van de voedselbank. Als je iets daarom niet moet doen is het wel het verlagen van de bijstandsuitkeringen, wat dit kabinet nog steeds doet zonder dat er veel kritiek op is.

Het achterblijven van het minimumloon bij het gemiddelde loon leidt tot veel pleidooien om het minimumloon te verhogen, maar dat is alleen een oplossing wanneer het niet ook leidt tot een even grote verhoging van het gemiddelde loon. De verhoging van het minimumloon mag dus niet één op één doorwerken in de rest van het loongebouw. Het zou gekoppeld moeten worden aan hogere lasten op de bovengemiddelde inkomens.
De vraag wordt dan ook of de AOW niet gekoppeld moet worden aan het gemiddelde loon in plaats van aan de contractlonen. Met die laatste koppeling hebben we de AOW betaalbaar gehouden. In de discussies over het houdbaarheidssaldo van de overheidsfinanciën heeft het CPB in 2010 voorspeld dat de politiek ooit zou kiezen voor de koppeling aan het gemiddelde loon en de kosten daarvan alvast ingeboekt. Dat maakte de AOW onbetaalbaar en daarom besloot de Kunduz coalitie van VVD. CDA, D66, GroenLinks en ChristenUnie in 2012 de AOW-leeftijd geleidelijk te verhogen, overigens zonder de koppeling van de AOW aan het gemiddelde loon door te voeren.

Er staat hierbij veel op het spel, maar het zijn dilemma’s waar helaas noch Van Mulligen noch Heijne en Noten aan toekomen.


© 2021 Paul Bordewijk meer Paul Bordewijk - meer "In de polder" -
Beschouwingen > In de polder
Tegelijk rijker èn armer? Paul Bordewijk
1807BS Tegelijk1Bij boekhandel Kooyker in de Leidse Breestraat lagen ze naast elkaar: Met ons gaat het nog altijd goed (van Peter Hein van Mulligen) en Fantoomgroei (van Sander Heijne en Hendrik Noten). Het laatstgenoemde boek heeft als ondertitel: Waarom we steeds harder werken voor steeds minder. Twee boeken met een tegengestelde boodschap. Wie heeft er gelijk?

Uitgangspunt van Heijne en Noten is een onderzoek van RaboResearch uit 2008, waaruit zou blijken dat de Nederlandse economie de decennia daarvoor met tientallen procenten is gegroeid, maar dat de reële gezinsinkomens in diezelfde periode nauwelijks zijn gestegen. Vandaar de term fantoomgroei.
Voor Van Mulligen is dat een van de acht sombere mythes over Nederland die hij in zijn boek wil ontrafelen. Hij wijst erop (p. 46) dat de Rabo keek naar het inkomen per huishouden in plaats van naar het inkomen per hoofd van de bevolking. Omdat huishoudens veel kleiner zijn geworden zijn we er per hoofd van de bevolking in veertig jaar meer dan 40% op vooruit gegaan.

Dat we steeds harder werken voor steeds minder is dus gewoon niet waar. Het feit alleen al dat Heijne en Noten er niet bij zeggen wat er gebeurd is met het inkomen per hoofd van de bevolking, maakt Fantoomgroei tot een waardeloos boek. Dat geldt ook voor hun aanval op het Akkoord van Wassenaar, zo ongeveer het enige dat Wim Kok goed gedaan heeft in zijn politieke leven.
Voor die tijd was zijn boodschap dat Den Uyl niet links genoeg was en voerde hij een vakbeweging aan die onverantwoorde looneisen stelde in een tijd van oplopende werkloosheid. Later, eenmaal minister van Financiën geworden, werd hij het boegbeeld van het neoliberalisme in de Nederlandse politiek. Wie dat niet gelooft leze het ook vorig jaar uitgekomen Dat hadden we nooit moeten doen van Duco Hellema en Margriet van Lith.   
Heijne en Noten zijn ook slordig in de details. Ze noemen terecht de liberaal Dirk Stikker als één van de founding fathers van het Nederlandse poldermodel, maar verwarren de door deze in 1946 opgerichte Partij voor de Vrijheid met de VVD, waar Stikkers partij in 1948 in op ging. Wat maakt het uit, zult u wellicht tegenwerpen, maar ik voel mijzelf met dat soort slordigheden als lezer niet serieus genomen.

Is het boek van Van Mulligem dan zoveel beter? Zeker wel, maar er is één probleem dat hij ontloopt, juist als het over de welvaartsontwikkeling gaat. Dat is dat in die veertig jaar waarin we er 40% op vooruit zijn gegaan, de contractlonen (zoals afgesproken in de CAO’s) er niet op vooruit zijn gegaan. Dat was voor 1980 anders. Wie toen hetzelfde beroep bleef uitoefenen en op het maximum van zijn salarisschaal zat, ging er haast elk jaar toch op vooruit, omdat in de CAO’s loonstijgingen werden afgesproken die hoger waren dan de prijsstijging.
Dat de welvaart ook na 1980 toch gestegen is komt omdat, door het gestegen opleidingsniveau, de verdeling1807BS Tegelijk2 over verschillende inkomensniveaus is veranderd. Simpel gezegd: er zijn meer accountants gekomen en minder fabrieksarbeiders. Daardoor is het gemiddelde loon in die tijd aanzienlijk gestegen.
Wat betekent dat? We zijn een rijker land geworden, maar arbeiders en accountants verdienen nog evenveel. Maar voor hun gevoel zijn ze niet even rijk gebleven. Het zoontje van de accountant kon met zijn verjaardag op luxe hapjes trakteren en dat vond iedereen leuk, want hij was de uitzondering. Nu is het de regel en geneert het zoontje van de handarbeider zich dat zijn ouders daar geen geld voor hebben. Hij is nu de uitzondering.
Door de toegenomen welvaart zijn de opvattingen over wat er normaal is in onze maatschappij veranderd. Juist omdat we rijker zijn geworden voelen we ons armer. Ik denk dat dit een bron van ongenoegen is die te weinig wordt onderkend.

Zo zou ik met dezelfde baan als vijftig jaar geleden nu niet meer het huis kunnen kopen waar ik nu nog steeds in woon. Iedereen wordt verondersteld een smartphone te hebben, in de discussie over de corona-app komt zelfs de vraag niet op hoe het moet met mensen zonder smartphone. Rutte gaat er ook vanuit dat iedereen zijn verjaardag in een café kan vieren. Maar daar zien ze je aankomen met spullen van de voedselbank.
Deze ontwikkeling stelt ons voor lastige dilemma’s. De armoedegrens schuift op met het gemiddelde inkomen (strikt genomen de mediaan) en daarom heb je meer geld nodig om niet arm te zijn. Niet iedereen heeft dat en dat zien we terug in het aantal daklozen en het aantal klanten van de voedselbank. Als je iets daarom niet moet doen is het wel het verlagen van de bijstandsuitkeringen, wat dit kabinet nog steeds doet zonder dat er veel kritiek op is.

Het achterblijven van het minimumloon bij het gemiddelde loon leidt tot veel pleidooien om het minimumloon te verhogen, maar dat is alleen een oplossing wanneer het niet ook leidt tot een even grote verhoging van het gemiddelde loon. De verhoging van het minimumloon mag dus niet één op één doorwerken in de rest van het loongebouw. Het zou gekoppeld moeten worden aan hogere lasten op de bovengemiddelde inkomens.
De vraag wordt dan ook of de AOW niet gekoppeld moet worden aan het gemiddelde loon in plaats van aan de contractlonen. Met die laatste koppeling hebben we de AOW betaalbaar gehouden. In de discussies over het houdbaarheidssaldo van de overheidsfinanciën heeft het CPB in 2010 voorspeld dat de politiek ooit zou kiezen voor de koppeling aan het gemiddelde loon en de kosten daarvan alvast ingeboekt. Dat maakte de AOW onbetaalbaar en daarom besloot de Kunduz coalitie van VVD. CDA, D66, GroenLinks en ChristenUnie in 2012 de AOW-leeftijd geleidelijk te verhogen, overigens zonder de koppeling van de AOW aan het gemiddelde loon door te voeren.

Er staat hierbij veel op het spel, maar het zijn dilemma’s waar helaas noch Van Mulligen noch Heijne en Noten aan toekomen.
© 2021 Paul Bordewijk
powered by CJ2