archiefvorig nr.lopend nr.

Nummer 5
Jaargang 18
17 december 2020
Nummer 7 verschijnt op
28 januari 2021
Vermaak en Genot > Naar de film delen printen terug
Het dier in de film Hans Knegtmans

1805VG HachiDit stukje gaat over het dier in de speelfilm en de documentaire. Niet over animatie, omdat daar andere wetten gelden. En als je te veel ongelijke zaken in één coherent betoog wilt gieten, gaat dat ten koste van de duidelijkheid. Dat moeten we niet hebben.
Daarom beperk ik me tot twee subgenres. Het ene beschrijft het dier als een buitenmodel soort mens, bijvoorbeeld behept met een staart, of een gierig karakter. Als een dier acteert in een film wordt hij meestal in de rol van ‘een raar mens’ gecast. De hond als acteur is grappig omdat hij tegen de zin van het baasje de kamer onder pist. Of omdat de buurman doodsbang voor alle honden is, maar extra voor die ene.

Geen enkel dier kan zo goed acteren als de hond. Is het niet als sukkel, dan wel als intimiderende nitwit. Een enkele hond brengt het tot karakteracteur, als zijn filmbaasje maar meewerkt (en natuurlijk doet hij dat, hij moet ervan eten!). Hoe dat precies zit weet ik niet, maar van de pakweg dertigplus mensen die ik voldoende ken om zoiets te weten, hebben er nul een hond. Geen één! Nada! En vroeger toen ze nog kwiek en sociabel waren, hadden ze er ook al geen! Ik voel me in het dagelijks leven geen ‘kattenmens’, maar deze zelfomschrijving komt wél bij me op wanneer ik een hondeneigenaar met huisdier in de buurt heb.

Een hond in de film is echter andere koek. Ik kan wel zeggen dat ik, zeker op mijn oude dag, gevoelens van sympathie kan koesteren jegens een filmhond. Een filmblaf maakt me niet aan schrikken, een liveblaf des te meer. Daardoor hoeft het ook geen verwondering te wekken dat ik me grosso modo meer amuseer bij een film met blaf dan bij eentje zonder.

Dat ook anderen een positieve kijk hebben op dieren in het algemeen en de hond in het bijzonder, verbaast me dan ook niet. Mijn hondenfilm voor dit stukje was ‘Hachi: A Dog’s Tale’,een komedie uit 2009 van regisseur Lasse Hallstrom, hondenverfilmer bij uitstek. Het idee is flinterdun, maar in het thuisland was de film (een remake van het Japanse origineel) een doorslaand succes. Het ‘verhaal’ gaat aldus. De gesoigneerde intellectueel Parker Wilson (Richard Gere in een sympathieke rol) loopt op het station tegen een houten krat aan, die de val van een stapel rommel niet heeft overleefd. Hij neemt de inzittende Akita-rashond mee naar huis, tot ongenoegen van zijn precieze echtgenote. Een zoekactie in het voorstadje levert geen rechtmatige eigenaar op en zo mag de nieuweling tijdelijk bij het echtpaar logeren. Gere loopt nog steeds meer warm voor zijn nieuwe logé dan zijn vrouw, die nog erg moet wennen aan de nieuweling.

De echte hoofdrol is natuurlijk weggelegd voor Hachi, die de meest snoezige hond is die u ooit heeft gezien. Het moge duidelijk zijn dat ie de rol van adoptiekind speelt, en wel eentje die alle adoptiekinderen ter wereld in zijn zak steekt. Naar een kind van vlees en bloed is het mooi zoeken, als je Hachi eenmaal hebt gezien.

Een wezen als Hachi zie je nooit in het wild. De filmers die natuurgetrouw dieren verfilmen, zijn op de vingers van één hand te tellen. De denker bij uitstek van deze minderheid is de Russische documentairemaker Victor Kossakovsky. In zijn film Gunda zou zo’n ‘dier’ uit de toon vallen als een hoop stront in een roomtaart. In een interview zegt de regisseur letterlijk: ‘Ik laat de varkens en kippen zien zoals ze zijn’. Kossakovsky laat de camera lopen en de dieren – biggetjes, hanen en kalveren – mogen acteren naar eigen inzicht. In zijn film is geen plaats voor acterende dieren. Slechts één dier acteert volkomen natuurlijk als een dier en wel een dier dat opperste verwarring uitstraalt. Gunda heeft namelijk zojuist moeten toezien hoe al haar kinderen – een stuk of acht, dacht ik – en masse in een grote vrachtwagen werden geladen, op weg naar de vleesfabriek. Ik kan me geen enkel ander filmfragment voor de geest halen waarin verbijstering zo intens werd verbeeld als hier.

Het antwoord op de vraag wat het uitmaakt of, en zo ja hoe, de film de kijkervaring beïnvloedt, is dan ook: het ligt er maar aan wat de filmmaker wil. Is dat een portret van echte dieren, of een speelfilm waarin de dieren gedwongen zijn de rol te spelen die wij van een dier ‘normaal’ vinden. Het zal wel duidelijk zijn welke benadering mij het liefst is. Waarbij ik moet erkennen dat ook een ‘tegennatuurlijke’ film als Hachi vanwege het extreem hoge feelgoodgehalte een duidelijke functie heeft. Zoals regelmatig eten en op tijd naar bed gaan.


© 2020 Hans Knegtmans meer Hans Knegtmans - meer "Naar de film" -
Vermaak en Genot > Naar de film
Het dier in de film Hans Knegtmans
1805VG HachiDit stukje gaat over het dier in de speelfilm en de documentaire. Niet over animatie, omdat daar andere wetten gelden. En als je te veel ongelijke zaken in één coherent betoog wilt gieten, gaat dat ten koste van de duidelijkheid. Dat moeten we niet hebben.
Daarom beperk ik me tot twee subgenres. Het ene beschrijft het dier als een buitenmodel soort mens, bijvoorbeeld behept met een staart, of een gierig karakter. Als een dier acteert in een film wordt hij meestal in de rol van ‘een raar mens’ gecast. De hond als acteur is grappig omdat hij tegen de zin van het baasje de kamer onder pist. Of omdat de buurman doodsbang voor alle honden is, maar extra voor die ene.

Geen enkel dier kan zo goed acteren als de hond. Is het niet als sukkel, dan wel als intimiderende nitwit. Een enkele hond brengt het tot karakteracteur, als zijn filmbaasje maar meewerkt (en natuurlijk doet hij dat, hij moet ervan eten!). Hoe dat precies zit weet ik niet, maar van de pakweg dertigplus mensen die ik voldoende ken om zoiets te weten, hebben er nul een hond. Geen één! Nada! En vroeger toen ze nog kwiek en sociabel waren, hadden ze er ook al geen! Ik voel me in het dagelijks leven geen ‘kattenmens’, maar deze zelfomschrijving komt wél bij me op wanneer ik een hondeneigenaar met huisdier in de buurt heb.

Een hond in de film is echter andere koek. Ik kan wel zeggen dat ik, zeker op mijn oude dag, gevoelens van sympathie kan koesteren jegens een filmhond. Een filmblaf maakt me niet aan schrikken, een liveblaf des te meer. Daardoor hoeft het ook geen verwondering te wekken dat ik me grosso modo meer amuseer bij een film met blaf dan bij eentje zonder.

Dat ook anderen een positieve kijk hebben op dieren in het algemeen en de hond in het bijzonder, verbaast me dan ook niet. Mijn hondenfilm voor dit stukje was ‘Hachi: A Dog’s Tale’,een komedie uit 2009 van regisseur Lasse Hallstrom, hondenverfilmer bij uitstek. Het idee is flinterdun, maar in het thuisland was de film (een remake van het Japanse origineel) een doorslaand succes. Het ‘verhaal’ gaat aldus. De gesoigneerde intellectueel Parker Wilson (Richard Gere in een sympathieke rol) loopt op het station tegen een houten krat aan, die de val van een stapel rommel niet heeft overleefd. Hij neemt de inzittende Akita-rashond mee naar huis, tot ongenoegen van zijn precieze echtgenote. Een zoekactie in het voorstadje levert geen rechtmatige eigenaar op en zo mag de nieuweling tijdelijk bij het echtpaar logeren. Gere loopt nog steeds meer warm voor zijn nieuwe logé dan zijn vrouw, die nog erg moet wennen aan de nieuweling.

De echte hoofdrol is natuurlijk weggelegd voor Hachi, die de meest snoezige hond is die u ooit heeft gezien. Het moge duidelijk zijn dat ie de rol van adoptiekind speelt, en wel eentje die alle adoptiekinderen ter wereld in zijn zak steekt. Naar een kind van vlees en bloed is het mooi zoeken, als je Hachi eenmaal hebt gezien.

Een wezen als Hachi zie je nooit in het wild. De filmers die natuurgetrouw dieren verfilmen, zijn op de vingers van één hand te tellen. De denker bij uitstek van deze minderheid is de Russische documentairemaker Victor Kossakovsky. In zijn film Gunda zou zo’n ‘dier’ uit de toon vallen als een hoop stront in een roomtaart. In een interview zegt de regisseur letterlijk: ‘Ik laat de varkens en kippen zien zoals ze zijn’. Kossakovsky laat de camera lopen en de dieren – biggetjes, hanen en kalveren – mogen acteren naar eigen inzicht. In zijn film is geen plaats voor acterende dieren. Slechts één dier acteert volkomen natuurlijk als een dier en wel een dier dat opperste verwarring uitstraalt. Gunda heeft namelijk zojuist moeten toezien hoe al haar kinderen – een stuk of acht, dacht ik – en masse in een grote vrachtwagen werden geladen, op weg naar de vleesfabriek. Ik kan me geen enkel ander filmfragment voor de geest halen waarin verbijstering zo intens werd verbeeld als hier.

Het antwoord op de vraag wat het uitmaakt of, en zo ja hoe, de film de kijkervaring beïnvloedt, is dan ook: het ligt er maar aan wat de filmmaker wil. Is dat een portret van echte dieren, of een speelfilm waarin de dieren gedwongen zijn de rol te spelen die wij van een dier ‘normaal’ vinden. Het zal wel duidelijk zijn welke benadering mij het liefst is. Waarbij ik moet erkennen dat ook een ‘tegennatuurlijke’ film als Hachi vanwege het extreem hoge feelgoodgehalte een duidelijke functie heeft. Zoals regelmatig eten en op tijd naar bed gaan.
© 2020 Hans Knegtmans
powered by CJ2