archiefvorig nr.lopend nr.

Nummer 5
Jaargang 18
17 december 2020
Nummer 7 verschijnt op
28 januari 2021
Beschouwingen > Het leven zelf delen printen terug
Vóórnaam Arie de Jong

1805BS NaamOoit had je geen voornaam, want je had ook geen achternaam. Je had alleen een naam. (En misschien een bijnaam.) Het was genoeg om iemand Barbara of Jan te noemen. Als er meer Jannen waren, werd er wel iets op bedacht om ze uit elkaar te houden. Vader Jan werd Jan de Oude en de zoon werd Jan de Jonge, of Jonge Jan, of Jan Janszoon. Als je belangrijk genoeg was, ging je nummeren. In Frankrijk was er nog al eens een vorst die Louis heette. De eerste heette gewoon Louis, maar de tweede werd Louis II en zo verder, tot het bij Louis XVI even ophield. Diens kop ging er af en zijn zoon Louis was al overleden voordat ze weer toe waren aan een nieuwe Louis. Uit respect werd dat toen Louis XVIII.

Onderscheid maken bij vorsten kon je ook op een andere manier doen. Zo had je Karel de Grote. Daar kan er natuurlijk maar één van zijn. Een andere Karel werd daarom Karel de Kale. Tsja, geen idee of ze hem al zo noemden toen hij nog leefde, of dat het eerst achter zijn rug gebeurde. Een beetje overdreven heb ik altijd Philip de Schone gevonden en weer heel mooi Willem de Zwijger. Bij de tentoonstelling over de grondlegger van de Republiek in Delft was dat in de Engelse versie William the Silent (zo staat het ook in het woordenboek), maar dat klinkt niet goed in mijn beleving. Volgens mij dekt die vertaling de lading net niet goed, al klinkt William the Taciturn (zo mag je het ook vertalen) ook nergens naar.

Wanneer zijn mensen begonnen elkaar namen te geven? Het antwoord op die intrigerende vraag is, vrees ik, in nevelen gehuld. We kunnen er natuurlijk wel over fantaseren. In de Bijbel staat het vol namen, dus toen die geschriften werden genoteerd was het volkomen normaal iemand een naam te geven. Ze waren in die tijd wel zo slim om niet iedereen Jan te noemen, bijna alle namen zijn uniek. David, Sarah, Rebecca, Jezebel, Noach, Sem, Lucas, Petrus, Jozef, Mirjam, Salomon, Esther, Jeremiah, Saul, de ene nog mooier dan de andere.
De eenvormigheid in onze cultuur hebben we weer te danken aan het benutten van een deel van die Bijbelse namen en uiteraard de ingewortelde gewoonte om kinderen te vernoemen, naar de ouders of juist naar de grootouders, of heden ten dage naar bekende figuren. Of juist niet, want wie durfde na 1945 zijn zoon nog Adolf te noemen?

De vraag beantwoorden hoe het namen geven is ontstaan, is onmogelijk. Omdat het onvermijdelijk prehistorisch is, het al gebeurde voordat er schrift was. We kunnen er alleen over fantaseren. Eerst was het genoeg, denk ik, net als dieren doen, om een noodkreet te laten horen als je soortgenoten wilde waarschuwen. Ooit moet iemand de behoefte hebben gehad een bepaalde soortgenoot aan te roepen. Maar hoe? Ze konden nog niet zeggen ‘jij daar!’ dus misschien moest je iemands bijzonderheid benoemen: ‘jij met dat rode haar’ of zoiets? Of begon het ermee dat een moeder een koosnaam bedacht voor haar baby? Of dat een leider van een troepje mensen, iemand die misschien begon te doen of hij verbinding had met de goden of de zon, zichzelf een naam gaf en zo wilde worden aangesproken?

Ik heet Arie. Mijn vader heette ook Arie, en toch ben ik niet naar hem vernoemd. Zeiden ze altijd tegen me. Ik moet vernoemd zijn naar de peetvader van mijn moeder, die ook Arie heette en die ik nooit heb gekend. Die had weer een zoon, de oudste van het stel kinderen, die ook Arie heette. Voor mij oom Arie, getrouwd met tante Bet. Die woonden in Zoetermeer, aanvankelijk in een nu al lang afgebroken huis aan de Vlamingstraat, waar de Dorpsbrug ligt, dus aan het water. Fascinerend vond ik het toilet: een plank met een gat boven de sloot (eerst een trappetje af). Oom Arie en tante Bet waren rond de 60, toen ik jong was: stokoud dus, in mijn beleving. Ze hadden een kleinkind van mijn leeftijd en dat heette Florida, en daar speelde ik graag mee. Dàt was nog eens een voornaam! Florida, van zo’n naam werd je automatisch blij.

Het zou mooi zijn als de naam die je krijgt van je ouders op je 18de mag worden vervangen door een naam die je zelf kiest. Het lijkt soms wel dat bijna iedereen een hekel heeft aan de eigen naam. Je krijgt die elke dag telkens weer te horen, dat gaat je de keel uithangen natuurlijk. Ik ben bang dat niet veel mensen dan kiezen voor ‘Arie’, en ik zou die misschien ook laten vallen. Toen ik 18 was had ik graag Viktor geheten. Ik heb zelfs nog een gelukkig nooit uitgegeven boek geschreven over ‘Viktor’. Het manuscript mag na mijn dood worden uitgegeven of weggegooid, het is mij om het even. Nu zou ik geen Viktor meer willen heten. Maar ja, ‘Arie’ is nog steeds saai.

Ik ken wel iemand die op haar 18de haar naam veranderde. Mijn schoonzus Linda heette voordien Leny, net als alle oudste dochters van de tantes en ooms van vaderskant, vernoemd naar de moeder van al die tantes en ooms. Linda kwam die naam de keel uit en toen ze rond de 18 was veranderde ze ‘Leny’ in ‘Linda’. Slim dat het een ‘L’ bleef en ik vind ook: een vooruitgang. Toch heeft ze familieleden die, terwijl ze al meer dan 40 jaar geleden haar naam veranderde en nooit meer ‘Leny’ genoemd wilde worden, haar toch hardnekkig Leny blijven noemen.

Dan nog de bijnamen, die zijn er nog steeds. Willem Holleeder, de meest beruchte crimineel van Nederland, heet ook wel ‘de neus’. Prachtige bijnaam trouwens. Vroeger was het heel gebruikelijk iemand een bijnaam te geven, ook om mensen uit elkaar te houden met dezelfde naam en uit hetzelfde gezin. Mijn schoonvader was er sterk in. Zo noemde hij een bepaald iemand altijd ‘de snor’. Over een bepaalde familie sprak mijn schoonfamilie als ze het over ‘de beertjes’ hadden. Mijn schoonvader werd achter zijn rug om overigens ook wel ‘de schreeuwer’ genoemd. Je kunt raden waarom dat was.

Een bijnaam wordt je gegeven. Mijn indruk is dat bijnamen op hun retour zijn. Veel mensen geven zichzelf liever een schuilnaam. Lekker makkelijk als je commentaar geeft op de sociale media. Je kunt immers veel makkelijker schelden als je echte naam er niet onder staat.

----------
Het plaatje is van Katharina Kouwenhoven


© 2020 Arie de Jong meer Arie de Jong - meer "Het leven zelf" -
Beschouwingen > Het leven zelf
Vóórnaam Arie de Jong
1805BS NaamOoit had je geen voornaam, want je had ook geen achternaam. Je had alleen een naam. (En misschien een bijnaam.) Het was genoeg om iemand Barbara of Jan te noemen. Als er meer Jannen waren, werd er wel iets op bedacht om ze uit elkaar te houden. Vader Jan werd Jan de Oude en de zoon werd Jan de Jonge, of Jonge Jan, of Jan Janszoon. Als je belangrijk genoeg was, ging je nummeren. In Frankrijk was er nog al eens een vorst die Louis heette. De eerste heette gewoon Louis, maar de tweede werd Louis II en zo verder, tot het bij Louis XVI even ophield. Diens kop ging er af en zijn zoon Louis was al overleden voordat ze weer toe waren aan een nieuwe Louis. Uit respect werd dat toen Louis XVIII.

Onderscheid maken bij vorsten kon je ook op een andere manier doen. Zo had je Karel de Grote. Daar kan er natuurlijk maar één van zijn. Een andere Karel werd daarom Karel de Kale. Tsja, geen idee of ze hem al zo noemden toen hij nog leefde, of dat het eerst achter zijn rug gebeurde. Een beetje overdreven heb ik altijd Philip de Schone gevonden en weer heel mooi Willem de Zwijger. Bij de tentoonstelling over de grondlegger van de Republiek in Delft was dat in de Engelse versie William the Silent (zo staat het ook in het woordenboek), maar dat klinkt niet goed in mijn beleving. Volgens mij dekt die vertaling de lading net niet goed, al klinkt William the Taciturn (zo mag je het ook vertalen) ook nergens naar.

Wanneer zijn mensen begonnen elkaar namen te geven? Het antwoord op die intrigerende vraag is, vrees ik, in nevelen gehuld. We kunnen er natuurlijk wel over fantaseren. In de Bijbel staat het vol namen, dus toen die geschriften werden genoteerd was het volkomen normaal iemand een naam te geven. Ze waren in die tijd wel zo slim om niet iedereen Jan te noemen, bijna alle namen zijn uniek. David, Sarah, Rebecca, Jezebel, Noach, Sem, Lucas, Petrus, Jozef, Mirjam, Salomon, Esther, Jeremiah, Saul, de ene nog mooier dan de andere.
De eenvormigheid in onze cultuur hebben we weer te danken aan het benutten van een deel van die Bijbelse namen en uiteraard de ingewortelde gewoonte om kinderen te vernoemen, naar de ouders of juist naar de grootouders, of heden ten dage naar bekende figuren. Of juist niet, want wie durfde na 1945 zijn zoon nog Adolf te noemen?

De vraag beantwoorden hoe het namen geven is ontstaan, is onmogelijk. Omdat het onvermijdelijk prehistorisch is, het al gebeurde voordat er schrift was. We kunnen er alleen over fantaseren. Eerst was het genoeg, denk ik, net als dieren doen, om een noodkreet te laten horen als je soortgenoten wilde waarschuwen. Ooit moet iemand de behoefte hebben gehad een bepaalde soortgenoot aan te roepen. Maar hoe? Ze konden nog niet zeggen ‘jij daar!’ dus misschien moest je iemands bijzonderheid benoemen: ‘jij met dat rode haar’ of zoiets? Of begon het ermee dat een moeder een koosnaam bedacht voor haar baby? Of dat een leider van een troepje mensen, iemand die misschien begon te doen of hij verbinding had met de goden of de zon, zichzelf een naam gaf en zo wilde worden aangesproken?

Ik heet Arie. Mijn vader heette ook Arie, en toch ben ik niet naar hem vernoemd. Zeiden ze altijd tegen me. Ik moet vernoemd zijn naar de peetvader van mijn moeder, die ook Arie heette en die ik nooit heb gekend. Die had weer een zoon, de oudste van het stel kinderen, die ook Arie heette. Voor mij oom Arie, getrouwd met tante Bet. Die woonden in Zoetermeer, aanvankelijk in een nu al lang afgebroken huis aan de Vlamingstraat, waar de Dorpsbrug ligt, dus aan het water. Fascinerend vond ik het toilet: een plank met een gat boven de sloot (eerst een trappetje af). Oom Arie en tante Bet waren rond de 60, toen ik jong was: stokoud dus, in mijn beleving. Ze hadden een kleinkind van mijn leeftijd en dat heette Florida, en daar speelde ik graag mee. Dàt was nog eens een voornaam! Florida, van zo’n naam werd je automatisch blij.

Het zou mooi zijn als de naam die je krijgt van je ouders op je 18de mag worden vervangen door een naam die je zelf kiest. Het lijkt soms wel dat bijna iedereen een hekel heeft aan de eigen naam. Je krijgt die elke dag telkens weer te horen, dat gaat je de keel uithangen natuurlijk. Ik ben bang dat niet veel mensen dan kiezen voor ‘Arie’, en ik zou die misschien ook laten vallen. Toen ik 18 was had ik graag Viktor geheten. Ik heb zelfs nog een gelukkig nooit uitgegeven boek geschreven over ‘Viktor’. Het manuscript mag na mijn dood worden uitgegeven of weggegooid, het is mij om het even. Nu zou ik geen Viktor meer willen heten. Maar ja, ‘Arie’ is nog steeds saai.

Ik ken wel iemand die op haar 18de haar naam veranderde. Mijn schoonzus Linda heette voordien Leny, net als alle oudste dochters van de tantes en ooms van vaderskant, vernoemd naar de moeder van al die tantes en ooms. Linda kwam die naam de keel uit en toen ze rond de 18 was veranderde ze ‘Leny’ in ‘Linda’. Slim dat het een ‘L’ bleef en ik vind ook: een vooruitgang. Toch heeft ze familieleden die, terwijl ze al meer dan 40 jaar geleden haar naam veranderde en nooit meer ‘Leny’ genoemd wilde worden, haar toch hardnekkig Leny blijven noemen.

Dan nog de bijnamen, die zijn er nog steeds. Willem Holleeder, de meest beruchte crimineel van Nederland, heet ook wel ‘de neus’. Prachtige bijnaam trouwens. Vroeger was het heel gebruikelijk iemand een bijnaam te geven, ook om mensen uit elkaar te houden met dezelfde naam en uit hetzelfde gezin. Mijn schoonvader was er sterk in. Zo noemde hij een bepaald iemand altijd ‘de snor’. Over een bepaalde familie sprak mijn schoonfamilie als ze het over ‘de beertjes’ hadden. Mijn schoonvader werd achter zijn rug om overigens ook wel ‘de schreeuwer’ genoemd. Je kunt raden waarom dat was.

Een bijnaam wordt je gegeven. Mijn indruk is dat bijnamen op hun retour zijn. Veel mensen geven zichzelf liever een schuilnaam. Lekker makkelijk als je commentaar geeft op de sociale media. Je kunt immers veel makkelijker schelden als je echte naam er niet onder staat.

----------
Het plaatje is van Katharina Kouwenhoven
© 2020 Arie de Jong
powered by CJ2