archiefvorig nr.lopend nr.

Nummer 16
Jaargang 17
18 juni 2020
Nummer 18 verschijnt op
3 september 2020
Bezigheden > Ergernissen delen printen terug
Toch geen zitplee met beenkappen?! Julius Pasgeld

1716BZ ZitpleeEen paar weken voor mijn zestiende verjaardag vroeg mijn vader me, of ik een bromfiets wilde hebben voor mijn verjaardag. Natuurlijk zei ik ja. Wie wil dat op die leeftijd niet. Toen het eenmaal zover was, zei hij dat mijn verjaarscadeau in het fietsenhok achterin de tuin stond. Ik rende er vol verwachting heen, deed de deur van het hok open en zag … een Monarch. Een tweedehands Monarch. Een volkomen onbekende Zweedse brommer. Mijn vader had hem voor een zacht prijsje over kunnen nemen van mijn oom Jan.
Een Monarch! Zo’n zitplee met van die lullige beenkappen en een windscherm. En met de benzinetank onder het zadel. Zodat er, waar bij een normale brommer een tank zit, een soort ouden-van-dagen-vrije-ruimte was tussen de beenkappen en het zadel. Met beneden een rare rubberen kap, waaronder het motortje zat.

Ik kon wel janken! Maar toen mijn vader vroeg of ik er blij mee was, zei ik: ‘Ja, reuze blij’. Want ik vond het zielig voor hem, dat hij zo z’n best had gedaan en niet eens geweten had hoeveel verdriet hij me daarmee aandeed. Jazeker. Verdriet. Want ik voelde de bui al hangen. Ik zou mijn brommer op school, om niet op te vallen, zo stilletjes mogelijk in de fietsenstalling zetten. Maar ze zouden me gewoon, ongegeneerd uitlachen. Op gezamenlijke bromfietstochten naar het strand of ’s avonds naar een feestje zou er geen meisje bij me achterop willen zitten. Kortom: ik zou er niet meer bij horen. Natuurlijk waren er jongens in de klas die een Mobylette of een Berini hadden. Er was er zelfs één met een Solex. Maar een Monarch! Dat sloeg toch zeker alles op het gebied van knulligheid? Hoe moest ik verder leven?

Gelukkig viel het mee. Mijn vrienden bleven me accepteren. Maar dat van die meisjes bleek waar. Alleen meisjes die om wat voor reden dan ook nog nooit vriendjes hadden gehad, zagen nu hun kans schoon en namen graag achterop dat enorme, beige Monarch-tweepersoonszadel plaats. Ruim anderhalf jaar heb ik met mijn Monarch moeten leven, totdat ik wat van mijn krantenwijk had gespaard om een andere bromfiets te kopen. En dat moest natuurlijk wel een Puch worden!

Hier past op z’n minst de opmerking dat ik het over het algemeen buitengewoon goed met mijn vader had getroffen. Achteraf gezien had ik me geen betere vader kunnen wensen. Maar op het gebied van brommers, het moet helaas gezegd, lag hij principieel dwars. Voor een nieuwe bromfiets was ik helaas afhankelijk van een fikse bijdrage van mijn vader. Die op die manier dus ook een fikse inspraak kreeg over het merk. ‘Een Puch?’, zei hij. ‘Welnee. Puchs zijn voor nozems. En jij bent toch zeker geen nozem?’. Hoe graag had ik wèl een nozem willen zijn. Maar uitgerekend dát kon ik mijn vader natuurlijk niet vertellen. Na weken onderhandelen werd het tenslotte een Batavus Biljonet. Ook niet echt een brommer waarbij de meisjes zitten te springen om achterop te mogen. Maar in ieder geval wel een hele vooruitgang.

De Batavus Biljonet heb ik precies zes maanden gehad. Ik kan me er bijna niks meer van herinneren. Alleen dat je de chromen uitlaat regelmatig moest ontkolen. Dan haalde je hem los, goot er wat benzine in en stak dat aan.
Toen werd ik achttien en zag kans mijn Batavus om te ruilen voor een tweedehands JAWA 125 cc. Het was in de tijd dat je ook zonder motorrijbewijs met een motor op een bepaalde, vooraf met de politie afgesproken, vaste route mocht rijden. Van je huis naar je werk en vice versa bijvoorbeeld. Dat was dan om te oefenen voor je motorrijbewijs. Na het behalen daarvan reed ik ruim twee jaar op die JAWA. Tot grote tevredenheid. En zonder helm. Want dat hoefde toen nog niet.
 
Als motorrijder reed je, toen ook al, altijd een beetje te hard. Op een kwade dag liet mijn Jawa me halverwege Den Haag en Utrecht in de steek. Ik liftte terug naar huis en zei tegen een vriendje, dat hij m’n Jawa gratis mocht hebben als hij hem weer aan de praat kreeg. Ik had ineens genoeg van motorrijden.

Na een jaar of vijftien begon het bloed toch weer te kruipen waar het niet gaan kon. Het liefst had ik een Harley aangeschaft. Als compensatie voor mijn indertijd gemiste Puch. Maar het werd een Moto Guzzi Californian 750. Een soort zusje van de Harley. Daar maak je ook wel indruk mee. Maar misschien toch net niet zoveel als met een Harley. Hoewel. Ik reed eens 70 km/u over het vierbaans gedeelte van de Meppelweg in Den Haag, waar je maar 50 mag. En ja hoor. Een motoragent ging voor me rijden, maande me tot stoppen en vroeg me of ik m’n Guzzi even op z’n standaard wilde zette. Om me vervolgens, zo vermoedde ik, te onderhouden over mijn misdragingen op de weg.

Maar nee. Hij vroeg me het hemd van lijf over de eigenschappen van mijn Guzzi. Ik lichtte hem zo goed en zo kwaad als mogelijk in over het ouderwetse, nog met de hand bijstellen van de ontsteking, de maximumsnelheid van 140 km/h en het superzuinige brandstofgebruik. Hij luisterde aandachtig en vroeg na afloop van mijn exposé, of hij er even een eindje op mocht rijden. Dat vond ik natuurlijk prima. Maar ik had niet het lef om te vragen of ik dan ook even op zíjn politie-motor mocht. Na een minuut of zeven was hij terug. Hij had genoten, vertelde hij toen hij mijn Guzzi op z’n standaard zette. Pas toen durfde ik tot de kern te komen.
‘Agent’, zei ik. ‘Reed ik daarnet nou eigenlijk te hard of niet?’.
‘Ach meneer’, zei hij. ‘Wij motorrijders rijden altijd een beetje te hard’.

Van een Monarch naar een Moto Guzzi 750. Wat een avonturen.
Nu ben ik 77. En rij op zo’n bromscootertje. Nog steeds iets te hard.

--------
Het plaatje is van Linda Hulshof
Meer informatie op: www.lindahulshof.nl

© 2020 Julius Pasgeld meer Julius Pasgeld - meer "Ergernissen"
Bezigheden > Ergernissen
Toch geen zitplee met beenkappen?! Julius Pasgeld
1716BZ ZitpleeEen paar weken voor mijn zestiende verjaardag vroeg mijn vader me, of ik een bromfiets wilde hebben voor mijn verjaardag. Natuurlijk zei ik ja. Wie wil dat op die leeftijd niet. Toen het eenmaal zover was, zei hij dat mijn verjaarscadeau in het fietsenhok achterin de tuin stond. Ik rende er vol verwachting heen, deed de deur van het hok open en zag … een Monarch. Een tweedehands Monarch. Een volkomen onbekende Zweedse brommer. Mijn vader had hem voor een zacht prijsje over kunnen nemen van mijn oom Jan.
Een Monarch! Zo’n zitplee met van die lullige beenkappen en een windscherm. En met de benzinetank onder het zadel. Zodat er, waar bij een normale brommer een tank zit, een soort ouden-van-dagen-vrije-ruimte was tussen de beenkappen en het zadel. Met beneden een rare rubberen kap, waaronder het motortje zat.

Ik kon wel janken! Maar toen mijn vader vroeg of ik er blij mee was, zei ik: ‘Ja, reuze blij’. Want ik vond het zielig voor hem, dat hij zo z’n best had gedaan en niet eens geweten had hoeveel verdriet hij me daarmee aandeed. Jazeker. Verdriet. Want ik voelde de bui al hangen. Ik zou mijn brommer op school, om niet op te vallen, zo stilletjes mogelijk in de fietsenstalling zetten. Maar ze zouden me gewoon, ongegeneerd uitlachen. Op gezamenlijke bromfietstochten naar het strand of ’s avonds naar een feestje zou er geen meisje bij me achterop willen zitten. Kortom: ik zou er niet meer bij horen. Natuurlijk waren er jongens in de klas die een Mobylette of een Berini hadden. Er was er zelfs één met een Solex. Maar een Monarch! Dat sloeg toch zeker alles op het gebied van knulligheid? Hoe moest ik verder leven?

Gelukkig viel het mee. Mijn vrienden bleven me accepteren. Maar dat van die meisjes bleek waar. Alleen meisjes die om wat voor reden dan ook nog nooit vriendjes hadden gehad, zagen nu hun kans schoon en namen graag achterop dat enorme, beige Monarch-tweepersoonszadel plaats. Ruim anderhalf jaar heb ik met mijn Monarch moeten leven, totdat ik wat van mijn krantenwijk had gespaard om een andere bromfiets te kopen. En dat moest natuurlijk wel een Puch worden!

Hier past op z’n minst de opmerking dat ik het over het algemeen buitengewoon goed met mijn vader had getroffen. Achteraf gezien had ik me geen betere vader kunnen wensen. Maar op het gebied van brommers, het moet helaas gezegd, lag hij principieel dwars. Voor een nieuwe bromfiets was ik helaas afhankelijk van een fikse bijdrage van mijn vader. Die op die manier dus ook een fikse inspraak kreeg over het merk. ‘Een Puch?’, zei hij. ‘Welnee. Puchs zijn voor nozems. En jij bent toch zeker geen nozem?’. Hoe graag had ik wèl een nozem willen zijn. Maar uitgerekend dát kon ik mijn vader natuurlijk niet vertellen. Na weken onderhandelen werd het tenslotte een Batavus Biljonet. Ook niet echt een brommer waarbij de meisjes zitten te springen om achterop te mogen. Maar in ieder geval wel een hele vooruitgang.

De Batavus Biljonet heb ik precies zes maanden gehad. Ik kan me er bijna niks meer van herinneren. Alleen dat je de chromen uitlaat regelmatig moest ontkolen. Dan haalde je hem los, goot er wat benzine in en stak dat aan.
Toen werd ik achttien en zag kans mijn Batavus om te ruilen voor een tweedehands JAWA 125 cc. Het was in de tijd dat je ook zonder motorrijbewijs met een motor op een bepaalde, vooraf met de politie afgesproken, vaste route mocht rijden. Van je huis naar je werk en vice versa bijvoorbeeld. Dat was dan om te oefenen voor je motorrijbewijs. Na het behalen daarvan reed ik ruim twee jaar op die JAWA. Tot grote tevredenheid. En zonder helm. Want dat hoefde toen nog niet.
 
Als motorrijder reed je, toen ook al, altijd een beetje te hard. Op een kwade dag liet mijn Jawa me halverwege Den Haag en Utrecht in de steek. Ik liftte terug naar huis en zei tegen een vriendje, dat hij m’n Jawa gratis mocht hebben als hij hem weer aan de praat kreeg. Ik had ineens genoeg van motorrijden.

Na een jaar of vijftien begon het bloed toch weer te kruipen waar het niet gaan kon. Het liefst had ik een Harley aangeschaft. Als compensatie voor mijn indertijd gemiste Puch. Maar het werd een Moto Guzzi Californian 750. Een soort zusje van de Harley. Daar maak je ook wel indruk mee. Maar misschien toch net niet zoveel als met een Harley. Hoewel. Ik reed eens 70 km/u over het vierbaans gedeelte van de Meppelweg in Den Haag, waar je maar 50 mag. En ja hoor. Een motoragent ging voor me rijden, maande me tot stoppen en vroeg me of ik m’n Guzzi even op z’n standaard wilde zette. Om me vervolgens, zo vermoedde ik, te onderhouden over mijn misdragingen op de weg.

Maar nee. Hij vroeg me het hemd van lijf over de eigenschappen van mijn Guzzi. Ik lichtte hem zo goed en zo kwaad als mogelijk in over het ouderwetse, nog met de hand bijstellen van de ontsteking, de maximumsnelheid van 140 km/h en het superzuinige brandstofgebruik. Hij luisterde aandachtig en vroeg na afloop van mijn exposé, of hij er even een eindje op mocht rijden. Dat vond ik natuurlijk prima. Maar ik had niet het lef om te vragen of ik dan ook even op zíjn politie-motor mocht. Na een minuut of zeven was hij terug. Hij had genoten, vertelde hij toen hij mijn Guzzi op z’n standaard zette. Pas toen durfde ik tot de kern te komen.
‘Agent’, zei ik. ‘Reed ik daarnet nou eigenlijk te hard of niet?’.
‘Ach meneer’, zei hij. ‘Wij motorrijders rijden altijd een beetje te hard’.

Van een Monarch naar een Moto Guzzi 750. Wat een avonturen.
Nu ben ik 77. En rij op zo’n bromscootertje. Nog steeds iets te hard.

--------
Het plaatje is van Linda Hulshof
Meer informatie op: www.lindahulshof.nl
© 2020 Julius Pasgeld
powered by CJ2