archiefvorig nr.lopend nr.

Nummer 5
Jaargang 17
12 december 2019
Nummer 6 verschijnt op
16 januari 2020
Beschouwingen > In de polder delen printen terug
Ophouden over dat referendum! * Paul Bordewijk

1703BS ReferendumHet functioneren van het openbaar bestuur is een bron van voortdurende discussie. Elke keer weer worden er plannen gelanceerd voor een of ander districtenstelsel, of voor lijstverbinding, een terugzendrecht voor de Eerste Kamer, grotere provincies, kleinere provincies, stadsgewesten en deelgemeenten.

Sommige veranderingen beklijven. Sinds het weinig succesvolle optreden van het Kabinet Cals (1965-1966) geldt er een ongeschreven regel dat er geen nieuw kabinet kan komen zonder nieuwe verkiezingen. Al sinds 2002 controleren wethouders niet langer zichzelf, ze zijn niet langer tevens raadslid. Sinds 2012 heeft de Tweede Kamer zelf de controle over de kabinetsformatie en vervult de koning daarbij alleen nog een procedurele rol: hij mag de nieuwe bewindspersonen de eed afnemen.

Maar er zijn ook veel onderwerpen waarbij voorgestelde veranderingen het niet halen, zoals het districtenstelsel dat Thom de Graaff wilde invoeren en de opschaling van de provincies. Of die weer worden teruggedraaid, zoals het systeem van lijstverbindingen en de instelling van samenwerkingsgebieden, van stadsregio’s en van deelgemeenten. De wijziging van het kiesstelsel voor de Eerste Kamer uit 1983, die de samenstelling van de Kamer actueler moest maken, staat nu ook weer ter discussie.

Het onderwerp bij uitstek waar de meningen steeds heen en weer gaan is het referendum. Nederland kende zijn eerste referendum in 1797, en toen al bleek waarom het geen goed besluitvormingsinstrument is. Onderwerp was het ontwerp voor de nieuwe staatsregeling, waarbij de gedachte was dat de Bataafse Republiek zijn legitimatie zou moeten ontlenen aan een door middel van een referendum vastgestelde grondwet.

Helaas, de nieuwe staatsregeling, waar de Nationale Vergadering maanden over vergaderd had, werd afgewezen met 108.761 tegen 27.955 stemmen. Dat kwam omdat het voorstel een compromis was tussen twee partijen, de federalisten en de unitaristen, waarmee de aanhangers van beide partijen niet gelukkig waren. De unitarist Valckenaer beschreef het dilemma:

‘Als minister en openbaar ambtsdrager hoop ik dat zij (de staatsregeling, pb) wordt aangenomen, in het besef van de politieke noodzaak dat wij eindelijk georganiseerd raken. Als burger, die moet leven onder deze constitutie, wijs ik haar af en verwerp ik haar; … ‘

We zien hier twee problemen met het referendum. Wie politieke verantwoordelijkheid draagt, is eerder geneigd mee te werken aan noodzakelijke compromissen dan de gewone burger en bij een negatief resultaat is het onduidelijk wat er moet gebeuren. Dat zag je ook bij het referendum over de Brexit: de tegenstanders van continuering van het lidmaatschap van de EU waren het onderling niet eens over de toekomstige relatie met de EU.
Na het referendum van 1797 volgde een staatsgreep van de unitaristen met Franse steun, die ons land de meest democratische grondwet opleverde die wij ooit gehad hebben (maar wel tot stand gekomen op een ondemocratische manier).

In de huidige discussie gaat het vooral om het correctieve referendum, al dan niet raadgevend. Volgens de voorstanders is dat een noodrem voor wanneer een wet wordt aangenomen die niet door de meerderheid van de bevolking wordt gesteund. Impliciet zijn ze het daarmee eens met Geert Wilders, die het Nederlandse parlement een nepparlement noemde, omdat het vaak anders stemt dan een meerderheid van de bevolking gewild had. In cultureel opzicht is de Tweede Kamer vaak linkser, in sociaaleconomisch opzicht rechtser.

Voor Kamerleden zou dat laatste reden moeten zijn zich vaker af te vragen hoe groot eigenlijk het draagvlak is voor wat zij willen, maar het mag ze niet afhouden van noodzakelijke economische maatregelen en het zich richten naar wezenlijk rechtstatelijke normen. Bij de volgende verkiezingen zullen ze  zich dan wel moeten verantwoorden, zoals Lubbers dat met succes deed in 1986.

Laten we daarom ophouden elke keer weer het referendum uit de mottenballen te halen. We leven in een steeds ingewikkelder maatschappij, waarin het steeds moeilijker wordt politiek overeenstemming te bereiken. De politiek komt al steeds meer klem te zitten door rechterlijke uitspraken en Europese richtlijnen. Dat is op zichzelf al niet gezond. Maar de eis stellen dat een oplossing het ook nog haalt bij een referendum maakt de stagnatie alleen maar groter.

--------
De schrijver liet zich inspireren door de cartoon van Han Busstra.


© 2019 Paul Bordewijk meer Paul Bordewijk - meer "In de polder" -
Beschouwingen > In de polder
Ophouden over dat referendum! * Paul Bordewijk
1703BS ReferendumHet functioneren van het openbaar bestuur is een bron van voortdurende discussie. Elke keer weer worden er plannen gelanceerd voor een of ander districtenstelsel, of voor lijstverbinding, een terugzendrecht voor de Eerste Kamer, grotere provincies, kleinere provincies, stadsgewesten en deelgemeenten.

Sommige veranderingen beklijven. Sinds het weinig succesvolle optreden van het Kabinet Cals (1965-1966) geldt er een ongeschreven regel dat er geen nieuw kabinet kan komen zonder nieuwe verkiezingen. Al sinds 2002 controleren wethouders niet langer zichzelf, ze zijn niet langer tevens raadslid. Sinds 2012 heeft de Tweede Kamer zelf de controle over de kabinetsformatie en vervult de koning daarbij alleen nog een procedurele rol: hij mag de nieuwe bewindspersonen de eed afnemen.

Maar er zijn ook veel onderwerpen waarbij voorgestelde veranderingen het niet halen, zoals het districtenstelsel dat Thom de Graaff wilde invoeren en de opschaling van de provincies. Of die weer worden teruggedraaid, zoals het systeem van lijstverbindingen en de instelling van samenwerkingsgebieden, van stadsregio’s en van deelgemeenten. De wijziging van het kiesstelsel voor de Eerste Kamer uit 1983, die de samenstelling van de Kamer actueler moest maken, staat nu ook weer ter discussie.

Het onderwerp bij uitstek waar de meningen steeds heen en weer gaan is het referendum. Nederland kende zijn eerste referendum in 1797, en toen al bleek waarom het geen goed besluitvormingsinstrument is. Onderwerp was het ontwerp voor de nieuwe staatsregeling, waarbij de gedachte was dat de Bataafse Republiek zijn legitimatie zou moeten ontlenen aan een door middel van een referendum vastgestelde grondwet.

Helaas, de nieuwe staatsregeling, waar de Nationale Vergadering maanden over vergaderd had, werd afgewezen met 108.761 tegen 27.955 stemmen. Dat kwam omdat het voorstel een compromis was tussen twee partijen, de federalisten en de unitaristen, waarmee de aanhangers van beide partijen niet gelukkig waren. De unitarist Valckenaer beschreef het dilemma:

‘Als minister en openbaar ambtsdrager hoop ik dat zij (de staatsregeling, pb) wordt aangenomen, in het besef van de politieke noodzaak dat wij eindelijk georganiseerd raken. Als burger, die moet leven onder deze constitutie, wijs ik haar af en verwerp ik haar; … ‘

We zien hier twee problemen met het referendum. Wie politieke verantwoordelijkheid draagt, is eerder geneigd mee te werken aan noodzakelijke compromissen dan de gewone burger en bij een negatief resultaat is het onduidelijk wat er moet gebeuren. Dat zag je ook bij het referendum over de Brexit: de tegenstanders van continuering van het lidmaatschap van de EU waren het onderling niet eens over de toekomstige relatie met de EU.
Na het referendum van 1797 volgde een staatsgreep van de unitaristen met Franse steun, die ons land de meest democratische grondwet opleverde die wij ooit gehad hebben (maar wel tot stand gekomen op een ondemocratische manier).

In de huidige discussie gaat het vooral om het correctieve referendum, al dan niet raadgevend. Volgens de voorstanders is dat een noodrem voor wanneer een wet wordt aangenomen die niet door de meerderheid van de bevolking wordt gesteund. Impliciet zijn ze het daarmee eens met Geert Wilders, die het Nederlandse parlement een nepparlement noemde, omdat het vaak anders stemt dan een meerderheid van de bevolking gewild had. In cultureel opzicht is de Tweede Kamer vaak linkser, in sociaaleconomisch opzicht rechtser.

Voor Kamerleden zou dat laatste reden moeten zijn zich vaker af te vragen hoe groot eigenlijk het draagvlak is voor wat zij willen, maar het mag ze niet afhouden van noodzakelijke economische maatregelen en het zich richten naar wezenlijk rechtstatelijke normen. Bij de volgende verkiezingen zullen ze  zich dan wel moeten verantwoorden, zoals Lubbers dat met succes deed in 1986.

Laten we daarom ophouden elke keer weer het referendum uit de mottenballen te halen. We leven in een steeds ingewikkelder maatschappij, waarin het steeds moeilijker wordt politiek overeenstemming te bereiken. De politiek komt al steeds meer klem te zitten door rechterlijke uitspraken en Europese richtlijnen. Dat is op zichzelf al niet gezond. Maar de eis stellen dat een oplossing het ook nog haalt bij een referendum maakt de stagnatie alleen maar groter.

--------
De schrijver liet zich inspireren door de cartoon van Han Busstra.
© 2019 Paul Bordewijk
powered by CJ2