archiefvorig nr.lopend nr.

Nummer 20
Jaargang 16
26 september 2019
Nummer 2 verschijnt op
24 oktober 2019
Beschouwingen > Brief uit ... delen printen terug
Bauhaus in Duitsland Dik Kruithof

1620BS Bauhaus Celle 1In Duitsland is heel veel aandacht voor het honderdjarig bestaan van Bauhaus. Iedere stad, ieder museum is op zoek naar zijn eigen verbindingen met de beroemde school in Weimar of Dessau.

Met vrienden gingen we naar de tentoonstelling in Oldenburg rond vier mensen uit de deelstaat Niedersachsen die aan het Bauhaus gestudeerd hadden: ‘Zwischen Utopie und Anpassung’. Het werd mooi weergegeven in veel idealistisch ‘klein’ werk van leerlingen en docenten: briefkaarten, affiches, uitnodigingen, grafiek en een paar grote werken uit eigen collectie. Het werk van de leerlingen was niet zo bijzonder en demonstreerde hoe moeilijk het was om in de jaren dertig de Bauhaus-gedachten toe te passen. Die hele combinatie van Oldenburger Musea in het Slot, het Augusteum en het Prinsenpaleis is overigens altijd de moeite waard en geeft een mooi beeld van het Hertogdom Oldenburg, dat natuurlijk geregeld met Noord-Nederland te maken had.

Ook Celle, vlakbij Hannover, besteedt extra aandacht aan het Bauhaus-jubileum, maar zij hebben echt recht van spreken. Otto Haesler werkte van 1906 tot 1933 als zelfstandig architect in Celle en wordt beschouwd als één van de belangrijkste vertegenwoordigers van het Neue Bauen in de republiek Weimar. Na zo’n twintig jaar het burgerlijke bouwen (Heimatstil genoemd in de Celle-special van Honderd Jaar Bauhaus) te hebben beoefend (hij was getrouwd met de dochter van een plaatselijke zakenman en kreeg daardoor uit die kringen veel opdrachten) kwam hij in nauw contact met het netwerk van de Bauhaus-school. Oud-leerlingen werkten in zijn bureau in Celle en hij werd zelfs gevraagd als opvolger van Bauhaus-directeur Hannes Meyer (die de leiding van Gropius had overgenomen). Hij weigerde omdat hij gehecht was aan Celle en zijn talenkennis onvoldoende vond.

Zijn eerste Neue Bauen project in Celle is een uit 1926 stammend appartementencomplex aan de Italiaenische Garten. Het is blokkendoosbouw in wit, rood en blauw, met aan de achterzijde fraaie, ronde balkonnetjes en aan de bovenkant een afwerking met rijtjes dakpannen die suggereren dat er een gewoon pannendak op zou kunnen zitten. Het1620BS Bauhaus Celle 2 is mooi gerestaureerd, of goed onderhouden, en je loopt er met plezier door en omheen. In 1926 kwam de ‘Siedlung’ St.Georg Garten gereed en dat werd een voorbeeld voor het Neue Bauen. Duitsland probeerde toen (acht jaar na het einde van de Eerste Wereldoorlog) weer goede en betaalbare woningen voor de ‘gewone man’ te bouwen. In die zin was het een succes. Als je er nu doorheen rijdt, met de kennis van de latere (Oost-) Europese woningbouw, is alleen aan details te zien dat het bijzonder is geweest.

Twee jaar later kwam de Altstadter Schule gereed, met bijbehorend Rektorenwohnhaus, nu nog allebei in gebruik. In die tijd had het succes van St. Georg Garten ertoe geleid dat Haesler betrokken was bij minstens drie grote woningbouwcomplexen in Berlijn, Kassel en Rathenau. Uit 1931 stammen in Celle de Direktorenvilla, voor het hoofd van het Ernestinum Gymnasium, en het woningbouwcomplex Blumlager Feld. In de Villa is een Galerie, maar hij is ook als geheel te bezichtigen. In het Blumlager Feld is een Haeslermuseum ingericht in de centrale voorzieningen die erbij hoorden, zoals een bad- en wasgebouw.
Blumlagerfeld was het laatste Neue Bauen-complex van Haesler dat afgemaakt werd en alleen maar omdat het zo betaalbaar was dat er voor dat geld niet iets gebouwd kon worden dat in de nieuwe politieke smaak viel. De Nazi’s kwamen aan het bewind en Haesler werd uit Celle verdreven. Tijdens de oorlogsjaren werkte hij in Polen. In 1945 kwam hij terug in (Oost-) Duitsland en werd er in 1950 benoemd tot Professor in de Sociale Woningbouw.

Celle is ook bekend van de vele vakwerkgebouwen in de binnenstad, die beide wereldoorlogen ongeschonden zijn doorgekomen. Er is ook een groot slot en een merkwaardige combinatie van twee musea: het Bomann-museum en het Kunstmuseum Celle. In het eerstgenoemde museum worden een paar tijdvakken uit de stadsgeschiedenis gepresenteerd, beneden een complete oude boerderij en hoger in het gebouw opkomende industrie en nijverheid. Het Kunstmuseum stelt de Sammlung Robert Simon ten toon en is verder gespecialiseerd in Lichtkunst.

-----------
De plaatjes zijn van de schrijver

© 2019 Dik Kruithof meer Dik Kruithof - meer "Brief uit ..." -
Beschouwingen > Brief uit ...
Bauhaus in Duitsland Dik Kruithof
1620BS Bauhaus Celle 1In Duitsland is heel veel aandacht voor het honderdjarig bestaan van Bauhaus. Iedere stad, ieder museum is op zoek naar zijn eigen verbindingen met de beroemde school in Weimar of Dessau.

Met vrienden gingen we naar de tentoonstelling in Oldenburg rond vier mensen uit de deelstaat Niedersachsen die aan het Bauhaus gestudeerd hadden: ‘Zwischen Utopie und Anpassung’. Het werd mooi weergegeven in veel idealistisch ‘klein’ werk van leerlingen en docenten: briefkaarten, affiches, uitnodigingen, grafiek en een paar grote werken uit eigen collectie. Het werk van de leerlingen was niet zo bijzonder en demonstreerde hoe moeilijk het was om in de jaren dertig de Bauhaus-gedachten toe te passen. Die hele combinatie van Oldenburger Musea in het Slot, het Augusteum en het Prinsenpaleis is overigens altijd de moeite waard en geeft een mooi beeld van het Hertogdom Oldenburg, dat natuurlijk geregeld met Noord-Nederland te maken had.

Ook Celle, vlakbij Hannover, besteedt extra aandacht aan het Bauhaus-jubileum, maar zij hebben echt recht van spreken. Otto Haesler werkte van 1906 tot 1933 als zelfstandig architect in Celle en wordt beschouwd als één van de belangrijkste vertegenwoordigers van het Neue Bauen in de republiek Weimar. Na zo’n twintig jaar het burgerlijke bouwen (Heimatstil genoemd in de Celle-special van Honderd Jaar Bauhaus) te hebben beoefend (hij was getrouwd met de dochter van een plaatselijke zakenman en kreeg daardoor uit die kringen veel opdrachten) kwam hij in nauw contact met het netwerk van de Bauhaus-school. Oud-leerlingen werkten in zijn bureau in Celle en hij werd zelfs gevraagd als opvolger van Bauhaus-directeur Hannes Meyer (die de leiding van Gropius had overgenomen). Hij weigerde omdat hij gehecht was aan Celle en zijn talenkennis onvoldoende vond.

Zijn eerste Neue Bauen project in Celle is een uit 1926 stammend appartementencomplex aan de Italiaenische Garten. Het is blokkendoosbouw in wit, rood en blauw, met aan de achterzijde fraaie, ronde balkonnetjes en aan de bovenkant een afwerking met rijtjes dakpannen die suggereren dat er een gewoon pannendak op zou kunnen zitten. Het1620BS Bauhaus Celle 2 is mooi gerestaureerd, of goed onderhouden, en je loopt er met plezier door en omheen. In 1926 kwam de ‘Siedlung’ St.Georg Garten gereed en dat werd een voorbeeld voor het Neue Bauen. Duitsland probeerde toen (acht jaar na het einde van de Eerste Wereldoorlog) weer goede en betaalbare woningen voor de ‘gewone man’ te bouwen. In die zin was het een succes. Als je er nu doorheen rijdt, met de kennis van de latere (Oost-) Europese woningbouw, is alleen aan details te zien dat het bijzonder is geweest.

Twee jaar later kwam de Altstadter Schule gereed, met bijbehorend Rektorenwohnhaus, nu nog allebei in gebruik. In die tijd had het succes van St. Georg Garten ertoe geleid dat Haesler betrokken was bij minstens drie grote woningbouwcomplexen in Berlijn, Kassel en Rathenau. Uit 1931 stammen in Celle de Direktorenvilla, voor het hoofd van het Ernestinum Gymnasium, en het woningbouwcomplex Blumlager Feld. In de Villa is een Galerie, maar hij is ook als geheel te bezichtigen. In het Blumlager Feld is een Haeslermuseum ingericht in de centrale voorzieningen die erbij hoorden, zoals een bad- en wasgebouw.
Blumlagerfeld was het laatste Neue Bauen-complex van Haesler dat afgemaakt werd en alleen maar omdat het zo betaalbaar was dat er voor dat geld niet iets gebouwd kon worden dat in de nieuwe politieke smaak viel. De Nazi’s kwamen aan het bewind en Haesler werd uit Celle verdreven. Tijdens de oorlogsjaren werkte hij in Polen. In 1945 kwam hij terug in (Oost-) Duitsland en werd er in 1950 benoemd tot Professor in de Sociale Woningbouw.

Celle is ook bekend van de vele vakwerkgebouwen in de binnenstad, die beide wereldoorlogen ongeschonden zijn doorgekomen. Er is ook een groot slot en een merkwaardige combinatie van twee musea: het Bomann-museum en het Kunstmuseum Celle. In het eerstgenoemde museum worden een paar tijdvakken uit de stadsgeschiedenis gepresenteerd, beneden een complete oude boerderij en hoger in het gebouw opkomende industrie en nijverheid. Het Kunstmuseum stelt de Sammlung Robert Simon ten toon en is verder gespecialiseerd in Lichtkunst.

-----------
De plaatjes zijn van de schrijver
© 2019 Dik Kruithof
powered by CJ2