archiefvorig nr.lopend nr.

Nummer 17
Jaargang 16
4 juli 2019
Nummer 18 verschijnt op
29 augustus 2019
Beschouwingen > In de polder delen printen terug
Jouw denkraam of het mijne? Arie de Jong

1613BS DenkraamAl lang ben ik gefascineerd door het onvermogen om een ander te overtuigen. Mensen die vooral zenden en weinig luisteren hebben hier blijkbaar weinig last van, want die gaan onverdroten door overal hun mening te verkondigen. Tegenover die groep zendelingen staan mensen die een grote hekel hebben aan het aanhoren van meningen. Ik ken zelfs mensen die al op voorhand roepen dat er niet over politiek en geloof mag worden gepraat.
Helaas hoor ik bij de tussenliggende groep: ik vind het wel leuk om meningen uit te wisselen, argumenten te horen, soms een ander te overtuigen, soms zelf overtuigd te worden. Ik ben dol op een gesprek over politiek of geloof. Vooral mensen uit deze ‘middengroep’ lopen echter aan tegen een ongelooflijk probleem: in welk referentiekader plaats je het gesprek?

Iedereen heeft een referentiekader, maar mensen hebben meestal niet hetzelfde referentiekader. Het voert ook vaak te ver om voordat je ergens over komt te spreken eerst uit te wisselen tegen welke achtergrond je het gesprek wilt voeren. Laat ik een voorbeeld geven om dit te verduidelijken. De ene gesprekspartner, laten we haar Maria noemen, is gelovig. De andere, laten we haar Olga noemen, is heiden. Laten we bedenken dat het zelfs zussen zijn en ze worden geconfronteerd met de plotselinge dood van hun broer. Hoe moeten ze dit samen verwerken? Maria zegt misschien: ‘Ik ben triest, maar ik hoop hem weer terug te zien als ik dood ben. Olga kan dan maar het beste zwijgen, want zou het helpen als ze zegt: ‘Vergeet het maar, Piet is dood en daar zal je mee moeten leven’?
In dit voorbeeld is het voor iedereen helder vanuit welke achtergrond wordt gesproken.

We maken het daarom een graadje moeilijker. We verplaatsen ons naar een debat in de Tweede Kamer en de fractievoorzitter van de VVD spreekt daar, na zijn succes daarmee tijdens het congres van zijn partij, de hoop uit om de bijstandsuitkeringen stevig te verlagen en dan een beloning te geven aan iemand met een bijstandsuitkering als die vaak genoeg solliciteert of voldoende vrijwilligerswerk doet.
Dan springt Jesse Klaver natuurlijk uit zijn zetel en zegt aan de interruptiemicrofoon dat er geen denken aan is dat je onder het afgesproken minimum een nieuw minimum gaat neerleggen.

Hoe moeten deze twee politieke voormannen het debat gaan voeren? Ze zijn het immers al oneens over de betekenis van een bijstandsuitkering! Toch gaan ze proberen de ander te overtuigen. En dan staan ze voor de vraag: ga ik mee in het denkraam van de ander om die te overtuigen van zijn ongelijk?
Klaas Dijkhoff zal dan misschien zeggen: ‘Mijn collega Klaver wijst er terecht op dat het effect van een beloning meestal groter is dan van een straf. Mij lijkt het daarom beter om zo min mogelijk straffen uit te delen. Door het om te keren is het effect dus beter en dat betekent dat je eerst de bijstandsuitkering moet verlagen en als beloning geef je dan een toeslag als de ontvanger stappen zet die we als samenleving graag zien en graag belonen!’

Als Jesse Klaver zich wil verplaatsen in het denkraam van Klaas Dijkhoff om die van zijn ongelijk te overtuigen, dan zal hij wellicht zeggen: ‘Het voorstel van collega Dijkhoff heeft het in zich een discussie los te maken over het basisinkomen. Die zou ik graag willen voeren, maar ik weet niet zeker of de heer Dijkhoff dat wil. Immers, als in de bijstandsuitkering een basis wordt gelegd, waarbij de ontvanger extra uitkering kan krijgen als hij daar iets voor doet, dan laat hij de betekenis van de bijstandsuitkering los en maakt het tot een niet-verdiend inkomen. Weet collega Dijkhoff zeker dat hij zo’n discussie wil voeren? En hoe ziet hij het dan voor zich als alle Nederlanders dan recht willen hebben op zo’n basisinkomen?’

De bedoeling van het in het denkraam kruipen van een ander is uiteraard om die, al dan niet vertwijfeld, te laten uitroepen: ‘Nee, dat wil ik niet! Ik trek mijn voorstel terug.’ Om dat te bewerkstelligen, moet de opponent echter iets vervelends doen: afstand nemen van het eigen denkraam en dat van de ander benutten.

Ik zou, uiteraard geheel vergeefs, ervoor willen pleiten dat in elke discussie altijd eerst wordt gevraagd: ‘Gebruiken we jouw denkraam of het mijne?’ De Europese Unie kan dat wellicht voorschrijven, op grond van het principe van het 'level playing field'.

---------
Het plaatje is van Linda Hulshof
Meer informatie op: www.lindahulshof.nl

© 2019 Arie de Jong meer Arie de Jong - meer "In de polder" -
Beschouwingen > In de polder
Jouw denkraam of het mijne? Arie de Jong
1613BS DenkraamAl lang ben ik gefascineerd door het onvermogen om een ander te overtuigen. Mensen die vooral zenden en weinig luisteren hebben hier blijkbaar weinig last van, want die gaan onverdroten door overal hun mening te verkondigen. Tegenover die groep zendelingen staan mensen die een grote hekel hebben aan het aanhoren van meningen. Ik ken zelfs mensen die al op voorhand roepen dat er niet over politiek en geloof mag worden gepraat.
Helaas hoor ik bij de tussenliggende groep: ik vind het wel leuk om meningen uit te wisselen, argumenten te horen, soms een ander te overtuigen, soms zelf overtuigd te worden. Ik ben dol op een gesprek over politiek of geloof. Vooral mensen uit deze ‘middengroep’ lopen echter aan tegen een ongelooflijk probleem: in welk referentiekader plaats je het gesprek?

Iedereen heeft een referentiekader, maar mensen hebben meestal niet hetzelfde referentiekader. Het voert ook vaak te ver om voordat je ergens over komt te spreken eerst uit te wisselen tegen welke achtergrond je het gesprek wilt voeren. Laat ik een voorbeeld geven om dit te verduidelijken. De ene gesprekspartner, laten we haar Maria noemen, is gelovig. De andere, laten we haar Olga noemen, is heiden. Laten we bedenken dat het zelfs zussen zijn en ze worden geconfronteerd met de plotselinge dood van hun broer. Hoe moeten ze dit samen verwerken? Maria zegt misschien: ‘Ik ben triest, maar ik hoop hem weer terug te zien als ik dood ben. Olga kan dan maar het beste zwijgen, want zou het helpen als ze zegt: ‘Vergeet het maar, Piet is dood en daar zal je mee moeten leven’?
In dit voorbeeld is het voor iedereen helder vanuit welke achtergrond wordt gesproken.

We maken het daarom een graadje moeilijker. We verplaatsen ons naar een debat in de Tweede Kamer en de fractievoorzitter van de VVD spreekt daar, na zijn succes daarmee tijdens het congres van zijn partij, de hoop uit om de bijstandsuitkeringen stevig te verlagen en dan een beloning te geven aan iemand met een bijstandsuitkering als die vaak genoeg solliciteert of voldoende vrijwilligerswerk doet.
Dan springt Jesse Klaver natuurlijk uit zijn zetel en zegt aan de interruptiemicrofoon dat er geen denken aan is dat je onder het afgesproken minimum een nieuw minimum gaat neerleggen.

Hoe moeten deze twee politieke voormannen het debat gaan voeren? Ze zijn het immers al oneens over de betekenis van een bijstandsuitkering! Toch gaan ze proberen de ander te overtuigen. En dan staan ze voor de vraag: ga ik mee in het denkraam van de ander om die te overtuigen van zijn ongelijk?
Klaas Dijkhoff zal dan misschien zeggen: ‘Mijn collega Klaver wijst er terecht op dat het effect van een beloning meestal groter is dan van een straf. Mij lijkt het daarom beter om zo min mogelijk straffen uit te delen. Door het om te keren is het effect dus beter en dat betekent dat je eerst de bijstandsuitkering moet verlagen en als beloning geef je dan een toeslag als de ontvanger stappen zet die we als samenleving graag zien en graag belonen!’

Als Jesse Klaver zich wil verplaatsen in het denkraam van Klaas Dijkhoff om die van zijn ongelijk te overtuigen, dan zal hij wellicht zeggen: ‘Het voorstel van collega Dijkhoff heeft het in zich een discussie los te maken over het basisinkomen. Die zou ik graag willen voeren, maar ik weet niet zeker of de heer Dijkhoff dat wil. Immers, als in de bijstandsuitkering een basis wordt gelegd, waarbij de ontvanger extra uitkering kan krijgen als hij daar iets voor doet, dan laat hij de betekenis van de bijstandsuitkering los en maakt het tot een niet-verdiend inkomen. Weet collega Dijkhoff zeker dat hij zo’n discussie wil voeren? En hoe ziet hij het dan voor zich als alle Nederlanders dan recht willen hebben op zo’n basisinkomen?’

De bedoeling van het in het denkraam kruipen van een ander is uiteraard om die, al dan niet vertwijfeld, te laten uitroepen: ‘Nee, dat wil ik niet! Ik trek mijn voorstel terug.’ Om dat te bewerkstelligen, moet de opponent echter iets vervelends doen: afstand nemen van het eigen denkraam en dat van de ander benutten.

Ik zou, uiteraard geheel vergeefs, ervoor willen pleiten dat in elke discussie altijd eerst wordt gevraagd: ‘Gebruiken we jouw denkraam of het mijne?’ De Europese Unie kan dat wellicht voorschrijven, op grond van het principe van het 'level playing field'.

---------
Het plaatje is van Linda Hulshof
Meer informatie op: www.lindahulshof.nl
© 2019 Arie de Jong
powered by CJ2