archiefvorig nr.lopend nr.

Nummer 8
Jaargang 16
14 februari 2019
Nummer 9 verschijnt op
28 februari 2019
Beschouwingen > In de polder delen printen terug
Beleidsvorming is geen wetenschap Amyke Hubach

1606BS Drees2We zien in de afgelopen decennia een steeds grotere vraag ontstaan naar rationalisering en professionalisering van het beleidsproces binnen de overheid. Een recente trend die hierbij past is ‘evidence-based policy’ (Smet, 2013). Dit fenomeen houdt in dat men meer aandacht wil vestigen op rationeel en systematisch gebruik van beschikbare wetenschappelijke bewijzen bij het maken van complexe beleidsbeslissingen. Speculatie, intuïtie en ideologie moeten plaatsmaken voor rationaliteit en wetenschappelijke bewijzen (Burssens, 2007). Maar is het wel zo’n goed plan om bij beleidsvorming alleen maar te focussen op de wetenschappelijke bewijzen? Zijn er bij beleidsvorming binnen het openbaar bestuur niet nog meer aspecten belangrijk?

Het is belangrijk om te onthouden dat een wetenschapper niet de plaats in mag en kan innemen van de beleidsmaker. Het mag daarom ook duidelijk zijn dat de wetenschap slechts een onderdeel is en behoort te zijn van het beleidsvormingsproces. Wetenschappelijke kennis is bedoeld om beleid te informeren en niet om beleid te construeren (Tieberghien, 2015). De wetenschapper of onderzoeker mag niet de plaats innemen van de professional, de beleidsmaker. Er moet een samenwerking tot stand komen, waar zowel de wetenschappelijke kennis als het professionele oordeel van de praktijkwerkers elkaar vinden. En waarbij de wetenschappelijke kennis en onderzoeksresultaten geïntegreerd worden in een beleidsplan, tezamen met professionele expertise, praktijkkennis en verwachtingen of behoeften van betrokken actoren. Dit kan bijdragen aan professionalisering van beroepskennis, doordat de praktijkervaring en professionele expertise van de beleidsmaker verder ontwikkeld en uitgewerkt kan worden door wetenschappelijke kennis (Hermans, 2005). Alleen wetenschappelijke kennis is niet voldoende voor beleidsvorming. Met een voorbeeld van beleid uit de praktijk zal dit worden toegelicht.

Preventie-initiatieven tegen overlast van jongeren zijn in de afgelopen jaren veelvuldig voorgekomen. De onderzoeker kan een onderzoeksdesign maken waarbinnen alle inzichten rondom het ‘probleem’ statistisch kunnen worden vastgelegd. Echter, er bestaan ook belangrijke niet-kwantificeerbare inzichten binnen dit onderzoek, maar daar heeft de onderzoeker geen aandacht voor. De overlast door jongeren is een veel bediscussieerd thema. De wat oudere doelgroep zal het waarschijnlijk als een probleem ervaren, omdat ze de jongeren geen ruimte en vrijheid willen bieden. De jongeren en hun ouders zullen waarschijnlijk zeggen dat ze enkel de plek benutten voor ontmoeting met vrienden en zullen wellicht beweren dat de ‘onverdraagzame’ ouderen te veel klagen. Volgens hen ligt het probleem dus bij de oudere doelgroep. Er zullen daarentegen ook ouderen zijn die de aanwezigheid van de jongeren juist waarderen, omdat het voor meer leven in de uitgestorven buurt zorgt. Een opvoedkundige zal eveneens pleiten voor deze ontmoeting tussen jongeren, omdat het hun sociale vaardigheden verder zal ontwikkelen. Beide ook weer een geheel ander perspectief op en een analyse van het overlastprobleem (Burssens, 2007).

Zo kan iets door de één dus wel als een probleem worden ervaren en door de ander juist als een positieve bijdrage of groeimogelijkheid worden gezien. Binnen evidence-based beleid worden deze inzichten buiten beschouwing gelaten, omdat deze inzichten moeilijk kwantificeerbaar zijn. Een beleidsvormer zal zijn blik dus niet alleen moeten richten op het onderzoek, maar zal kwalitatief onderzoek erbij moeten betrekken, waarin de publieke opinie haar plek kan krijgen. Er moet, door de beleidsmakers en praktijkwerkers, een brug gevormd worden tussen de wetenschappelijke bewijzen en de publieke opinie (Hermans, 2005).

Binnen het beleid moet er niet alleen gefocust worden op de effectiviteit en efficiëntie, twee kernbegrippen die in het verlengde liggen van evidence-based beleid. Er moet ook worden gekeken naar ethische waarden. Iets kan heel erg effectief zijn, maar niet overeenkomen met ethische waarden van het openbaar bestuur. Er wordt verwacht dat de overheid rekening houdt met de publieke opinie en die ethische waarden dus serieus neemt. Daarnaast moet er ook gekeken worden naar de publieke, gemeenschappelijke waarden, omdat deze de democratie waarborgen. Wanneer een politiek besluit of een beleidsvoorstel te veel afhangt van wetenschappelijke bewijzen, wordt er aan de democratische controle als het ware ontsnapt (Burssens, 2007).

Kortom, beleidsvorming is géén wetenschap. De wetenschap kan weliswaar een onderdeel vormen, maar verschillende andere aspecten dienen ook een plek te krijgen binnen de beleidsvorming. Beleidsvormers die bekend zijn met het fenomeen ‘evidence-based policy’ moeten zich realiseren dat echt goed beleid een combinatie is van wetenschappelijke bewijzen, professionele kennis van praktijkwerkers en publieke opinie. Met alleen evidence-based beleid kom je er niet.

Geraadpleegd:
Bibliografie Smet, V (2013). Evidence-based policy en de doorwerking van sociaalwetenschappelijk onderzoek: are we there yet? Geraadpleegd op 7 november 2018, van http://www.beleidsonderzoekonline.nl/tijdschrift/bso/2013/12/Beleidsonderzoek-D-12-00031  

Burssens, D (2007). Hoe evident is evidencebased beleid? Geraadpleegd op 7 november 2018, van http://www.teampreventieontwikkeling.be/bestanden/EvidentBeleid.pdf  

Tieberghien, J (2015). ‘Evidence-based’ drugsbeleid en het belang van de media. Geraadpleegd op 7 november 2018, van https://link.springer.com/article/10.1007/s12501015-0001-6  

Hermans, K (2005). Evidence-based practice in het maatschappelijk werk. geraadpleegd op 9 november 2018, van https://www.researchgate.net/publicatie /43529173_Evidencebased_practice_in_het_maatschappelijk_werk-_een_pragmatische_benadering

* De Dreeslezing is te vinden op www.willemdrees.nl onder Overzicht lezingen.

© 2019 Amyke Hubach meer Amyke Hubach - meer "In de polder"
Beschouwingen > In de polder
Beleidsvorming is geen wetenschap Amyke Hubach
1606BS Drees2We zien in de afgelopen decennia een steeds grotere vraag ontstaan naar rationalisering en professionalisering van het beleidsproces binnen de overheid. Een recente trend die hierbij past is ‘evidence-based policy’ (Smet, 2013). Dit fenomeen houdt in dat men meer aandacht wil vestigen op rationeel en systematisch gebruik van beschikbare wetenschappelijke bewijzen bij het maken van complexe beleidsbeslissingen. Speculatie, intuïtie en ideologie moeten plaatsmaken voor rationaliteit en wetenschappelijke bewijzen (Burssens, 2007). Maar is het wel zo’n goed plan om bij beleidsvorming alleen maar te focussen op de wetenschappelijke bewijzen? Zijn er bij beleidsvorming binnen het openbaar bestuur niet nog meer aspecten belangrijk?

Het is belangrijk om te onthouden dat een wetenschapper niet de plaats in mag en kan innemen van de beleidsmaker. Het mag daarom ook duidelijk zijn dat de wetenschap slechts een onderdeel is en behoort te zijn van het beleidsvormingsproces. Wetenschappelijke kennis is bedoeld om beleid te informeren en niet om beleid te construeren (Tieberghien, 2015). De wetenschapper of onderzoeker mag niet de plaats innemen van de professional, de beleidsmaker. Er moet een samenwerking tot stand komen, waar zowel de wetenschappelijke kennis als het professionele oordeel van de praktijkwerkers elkaar vinden. En waarbij de wetenschappelijke kennis en onderzoeksresultaten geïntegreerd worden in een beleidsplan, tezamen met professionele expertise, praktijkkennis en verwachtingen of behoeften van betrokken actoren. Dit kan bijdragen aan professionalisering van beroepskennis, doordat de praktijkervaring en professionele expertise van de beleidsmaker verder ontwikkeld en uitgewerkt kan worden door wetenschappelijke kennis (Hermans, 2005). Alleen wetenschappelijke kennis is niet voldoende voor beleidsvorming. Met een voorbeeld van beleid uit de praktijk zal dit worden toegelicht.

Preventie-initiatieven tegen overlast van jongeren zijn in de afgelopen jaren veelvuldig voorgekomen. De onderzoeker kan een onderzoeksdesign maken waarbinnen alle inzichten rondom het ‘probleem’ statistisch kunnen worden vastgelegd. Echter, er bestaan ook belangrijke niet-kwantificeerbare inzichten binnen dit onderzoek, maar daar heeft de onderzoeker geen aandacht voor. De overlast door jongeren is een veel bediscussieerd thema. De wat oudere doelgroep zal het waarschijnlijk als een probleem ervaren, omdat ze de jongeren geen ruimte en vrijheid willen bieden. De jongeren en hun ouders zullen waarschijnlijk zeggen dat ze enkel de plek benutten voor ontmoeting met vrienden en zullen wellicht beweren dat de ‘onverdraagzame’ ouderen te veel klagen. Volgens hen ligt het probleem dus bij de oudere doelgroep. Er zullen daarentegen ook ouderen zijn die de aanwezigheid van de jongeren juist waarderen, omdat het voor meer leven in de uitgestorven buurt zorgt. Een opvoedkundige zal eveneens pleiten voor deze ontmoeting tussen jongeren, omdat het hun sociale vaardigheden verder zal ontwikkelen. Beide ook weer een geheel ander perspectief op en een analyse van het overlastprobleem (Burssens, 2007).

Zo kan iets door de één dus wel als een probleem worden ervaren en door de ander juist als een positieve bijdrage of groeimogelijkheid worden gezien. Binnen evidence-based beleid worden deze inzichten buiten beschouwing gelaten, omdat deze inzichten moeilijk kwantificeerbaar zijn. Een beleidsvormer zal zijn blik dus niet alleen moeten richten op het onderzoek, maar zal kwalitatief onderzoek erbij moeten betrekken, waarin de publieke opinie haar plek kan krijgen. Er moet, door de beleidsmakers en praktijkwerkers, een brug gevormd worden tussen de wetenschappelijke bewijzen en de publieke opinie (Hermans, 2005).

Binnen het beleid moet er niet alleen gefocust worden op de effectiviteit en efficiëntie, twee kernbegrippen die in het verlengde liggen van evidence-based beleid. Er moet ook worden gekeken naar ethische waarden. Iets kan heel erg effectief zijn, maar niet overeenkomen met ethische waarden van het openbaar bestuur. Er wordt verwacht dat de overheid rekening houdt met de publieke opinie en die ethische waarden dus serieus neemt. Daarnaast moet er ook gekeken worden naar de publieke, gemeenschappelijke waarden, omdat deze de democratie waarborgen. Wanneer een politiek besluit of een beleidsvoorstel te veel afhangt van wetenschappelijke bewijzen, wordt er aan de democratische controle als het ware ontsnapt (Burssens, 2007).

Kortom, beleidsvorming is géén wetenschap. De wetenschap kan weliswaar een onderdeel vormen, maar verschillende andere aspecten dienen ook een plek te krijgen binnen de beleidsvorming. Beleidsvormers die bekend zijn met het fenomeen ‘evidence-based policy’ moeten zich realiseren dat echt goed beleid een combinatie is van wetenschappelijke bewijzen, professionele kennis van praktijkwerkers en publieke opinie. Met alleen evidence-based beleid kom je er niet.

Geraadpleegd:
Bibliografie Smet, V (2013). Evidence-based policy en de doorwerking van sociaalwetenschappelijk onderzoek: are we there yet? Geraadpleegd op 7 november 2018, van http://www.beleidsonderzoekonline.nl/tijdschrift/bso/2013/12/Beleidsonderzoek-D-12-00031  

Burssens, D (2007). Hoe evident is evidencebased beleid? Geraadpleegd op 7 november 2018, van http://www.teampreventieontwikkeling.be/bestanden/EvidentBeleid.pdf  

Tieberghien, J (2015). ‘Evidence-based’ drugsbeleid en het belang van de media. Geraadpleegd op 7 november 2018, van https://link.springer.com/article/10.1007/s12501015-0001-6  

Hermans, K (2005). Evidence-based practice in het maatschappelijk werk. geraadpleegd op 9 november 2018, van https://www.researchgate.net/publicatie /43529173_Evidencebased_practice_in_het_maatschappelijk_werk-_een_pragmatische_benadering

* De Dreeslezing is te vinden op www.willemdrees.nl onder Overzicht lezingen.
© 2019 Amyke Hubach
powered by CJ2