archiefvorig nr.lopend nr.

Nummer 5
Jaargang 16
13 december 2018
Nummer 6 verschijnt op
17 januari 2019
Beschouwingen > In de polder delen printen terug
Uit de gratie geraakte helden Paul Bordewijk

1511BS Coen linksWe leven in een tijd waarin steeds meer mensen, mannen vooral, van hun voetstuk vallen. Priesters, sporttrainers, regisseurs en producers blijken op grote schaal hun macht misbruikt te hebben om aan hun gerief te komen. Een kritische blik op het verleden laat zien dat wij een land van slavenhouders en oorlogsmisdadigers waren. Prominente kunstenaars blijken in de oorlog met de nazi's te hebben gesympathiseerd.

De vraag is hoe we daarop moeten reageren. Mogen we de boeken van deze mannen nog lezen, hun schilderijen bewonderen en naar hun films kijken? Wat doen we met straatnamen? En wat met ereblijken in de publieke ruimte? Moeten we de vroegere helden die van hun voetstuk gevallen zijn ook letterlijk van hun voetstuk halen, zoals de Amerikanen dat in Bagdad met Saddam Hoessein hebben gedaan, en de Turken recent in Afrin met het beeld van Kawa, een door de Koerden vereerde figuur uit een legende?
Bij nog levende personen is allereerst het strafrecht van toepassing. Wie eenmaal veroordeeld is zal niet snel in aanmerking komen voor een politieke functie. Dat is in eerste instantie een zaak voor de politieke partijen. Na de Duitse bezetting zijn ook op grote schaal politieke delinquenten door de rechter uit het actief en passief kiesrecht ontzet.

D66-minister Ollongren wil nu dat je geen wethouder kunt worden zonder Verklaring omtrent het Gedrag (VOG). Maar kijk uit! In 1887 werd de socialist Domela Nieuwenhuis wegens majesteitsschennis tot een jaar gevangenisstraf veroordeeld. Het weerhield de kiezers van het district Schoterland er niet van hem het jaar daarop in de Tweede Kamer te kiezen. Ik denk niet dat hij een verklaring omtrent het gedrag kon overleggen.
Dat werd mijn vriend Herman Amptmeijer ook niet gevraagd toen hij in 1967 in Leiden tot gemeenteraadslid voor de PSP werd benoemd, hoewel hij toen in de gevangenis zat wegens majesteitsschennis. ‘Bajesklant wordt raadslid’, kopte De Telegraaf. In die tijd kon je als minister trouwens nog op het smokkelen van sigaretten worden betrapt zonder dat je van je voetstuk viel, zoals Ollongrens voorganger Beernink. Kortom, laat die VOG maar zitten.

Wel kun je je voorstellen dat bij misdrijven tegen de democratische rechtsstaat als bijkomende straf expliciet ontzetting uit het kiesrecht wordt opgelegd. Dat gaat dan niet om majesteitsschennis, want de monarchie maakt geen deel uit van de rechtstaat, maar is daar eerder mee in strijd. Het past in het concept van de weerbare democratie.
Zo zou voorkomen kunnen worden dat mensen die asielzoekerscentra in brand steken in de gemeenteraad komen. Maar als je consequent bent had dan ook Wilders het kiesrecht ontnomen moeten worden vanwege zijn ‘Minder Marokkanen’ gebral. Ik zou niet graag de rechter zijn die daarover moest beslissen.

Het gaat overigens niet alleen om strafrechtelijke veroordelingen. Ook andere vormen van laakbaar gedrag kunnen onacceptabel zijn. De Amsterdamse wethouder Rob Oudkerk viel in 2004 van zijn voetstuk toen bleek dat hij zich regelmatig bediende van heroïnehoeren, hoewel dit niet strafbaar is. En de zelfverrijking door VVD-voorzitter Keyzer heeft ook niet tot strafrechtelijke vervolging geleid. Deze affaires waren ook niet te voorkomen geweest door naar een VOG te vragen.
Terwijl we geen politici accepteren die zich misdragen hebben, doet zich de vraag voor wat te doen met kunstenaars en acteurs in die situatie. Toen in 2013 bekend werd dat Horst Tappert, die de titelrol had gespeeld in de populaire detectiveserie Derrick (‘Harry, hol mal den Wagen’), als twintigjarige lid was geweest van de Waffen SS, werd onmiddellijk besloten de (her)uitzending van de serie te staken. Ik vond dat nogal ver gaan.

Er gaan nu ook stemmen op dat de films van Woody Allen niet meer vertoond zouden mogen worden, omdat hij niet van zijn stiefdochter kon afblijven. De vraag wordt dan of er nog schilderijen van Lucebert in openbare musea mogen hangen. Veel schilders hadden een aanvechtbaar privéleven, zoals dat heet, en maakten schaamteloos misbruik van de afhankelijkheid van hun modellen.
En mogen we nog boeken lezen van Simenon, een grootverbruiker van prostituées? Komt er een nieuwe boekverbranding waarbij alle boeken die racistisch of seksistisch zijn, of geschreven door seksistische en racistische auteurs, op de brandstapel gaan?

Iets anders is het verstrekken van eerbewijzen. Ik zou Horst Tappert geen ridderorde toekennen. Ik zou ook geen standbeeld oprichten voor Jan Pieterszoon Coen, voor Van Heutsz, of voor generaal Spoor. Dat laatste is er gelukkig ook niet. Maar dat is wat anders dan bestaande beelden van hun voetstuk halen. Dat is toch net zoiets als Trotski verwijderen van foto’s uit de geschiedenis van de Sovjet Unie. Wel ben ik voor een objectieve toelichtende tekst.

Tenslotte de straatnamen. Dat kan een heikel onderwerp zijn wanneer we anders zijn gaan denken over historische figuren. Wijzigen van straatnamen is nog veel lastiger dan een beeld van zijn sokkel halen, niet omdat er wetten in de weg staan, maar vanwege de praktische bezwaren. De bewoners moeten dan uitleggen dat hun adres gewijzigd is maar dat ze niet verhuisd zijn. Handhaaf dus de Kennedylaan, al was zijn omgang met zijn vrouwelijke medewerkers hoogst ongepast.
Een belangrijk principe is geen straten te vernoemen naar levende personen. Wanneer Amsterdam in 1945 zo gehandeld had, was er later geen noodzaak geweest de Stalinlaan om te dopen in Vrijheidslaan. Het grote voordeel van vernoeming na iemands dood is dat je in ieder geval niet in problemen kan komen door zijn of haar daden of uitingen na de vernoeming. Vernoemingen naar Winnie Mandela bleken toch niet zo handig en hetzelfde gold voor Prins Bernhard. Prinses Marijke stelde straatnaamgevers nog voor een heel ander dilemma, door zich ineens Christina te gaan noemen.

Straatnamen hoeven ook niet altijd direct een verdienste uit te drukken, het kan ook gaan om iemands historische betekenis. In Leiden zijn veel straten vernoemd naar figuren die een rol speelden tijdens het beleg van 1574. Onder hen ook Valdez, de aanvoerder van de Spaanse troepen en naar onze maatstaven een oorlogsmisdadiger. Dat laatste geldt zeker ook voor Julius Caesar, naar wie een brug en een straat vernoemd zijn in de Leidse wijk rond de vroegere Romeinse burcht Matilo. Toch lazen we op het gymnasium zijn De Bello Gallico, waarin hij zijn wreedheden niet alleen beschrijft, maar nog overdrijft ook.

Eerste prioriteit bij de straatnaamgeving moet zijn de uitspreekbaarheid. Vlak bij mijn huis bevindt zich het kruispunt van de De Laat de Kanterstraat en de De Mey van Streefkerkstraat. Dat is pas een ergernis! Maar ook hier geldt dat het niet verstandig is daarop terug te komen.

-----
Het plaatje is van Henk Klaren



© 2018 Paul Bordewijk meer Paul Bordewijk - meer "In de polder" -
Beschouwingen > In de polder
Uit de gratie geraakte helden Paul Bordewijk
1511BS Coen linksWe leven in een tijd waarin steeds meer mensen, mannen vooral, van hun voetstuk vallen. Priesters, sporttrainers, regisseurs en producers blijken op grote schaal hun macht misbruikt te hebben om aan hun gerief te komen. Een kritische blik op het verleden laat zien dat wij een land van slavenhouders en oorlogsmisdadigers waren. Prominente kunstenaars blijken in de oorlog met de nazi's te hebben gesympathiseerd.

De vraag is hoe we daarop moeten reageren. Mogen we de boeken van deze mannen nog lezen, hun schilderijen bewonderen en naar hun films kijken? Wat doen we met straatnamen? En wat met ereblijken in de publieke ruimte? Moeten we de vroegere helden die van hun voetstuk gevallen zijn ook letterlijk van hun voetstuk halen, zoals de Amerikanen dat in Bagdad met Saddam Hoessein hebben gedaan, en de Turken recent in Afrin met het beeld van Kawa, een door de Koerden vereerde figuur uit een legende?
Bij nog levende personen is allereerst het strafrecht van toepassing. Wie eenmaal veroordeeld is zal niet snel in aanmerking komen voor een politieke functie. Dat is in eerste instantie een zaak voor de politieke partijen. Na de Duitse bezetting zijn ook op grote schaal politieke delinquenten door de rechter uit het actief en passief kiesrecht ontzet.

D66-minister Ollongren wil nu dat je geen wethouder kunt worden zonder Verklaring omtrent het Gedrag (VOG). Maar kijk uit! In 1887 werd de socialist Domela Nieuwenhuis wegens majesteitsschennis tot een jaar gevangenisstraf veroordeeld. Het weerhield de kiezers van het district Schoterland er niet van hem het jaar daarop in de Tweede Kamer te kiezen. Ik denk niet dat hij een verklaring omtrent het gedrag kon overleggen.
Dat werd mijn vriend Herman Amptmeijer ook niet gevraagd toen hij in 1967 in Leiden tot gemeenteraadslid voor de PSP werd benoemd, hoewel hij toen in de gevangenis zat wegens majesteitsschennis. ‘Bajesklant wordt raadslid’, kopte De Telegraaf. In die tijd kon je als minister trouwens nog op het smokkelen van sigaretten worden betrapt zonder dat je van je voetstuk viel, zoals Ollongrens voorganger Beernink. Kortom, laat die VOG maar zitten.

Wel kun je je voorstellen dat bij misdrijven tegen de democratische rechtsstaat als bijkomende straf expliciet ontzetting uit het kiesrecht wordt opgelegd. Dat gaat dan niet om majesteitsschennis, want de monarchie maakt geen deel uit van de rechtstaat, maar is daar eerder mee in strijd. Het past in het concept van de weerbare democratie.
Zo zou voorkomen kunnen worden dat mensen die asielzoekerscentra in brand steken in de gemeenteraad komen. Maar als je consequent bent had dan ook Wilders het kiesrecht ontnomen moeten worden vanwege zijn ‘Minder Marokkanen’ gebral. Ik zou niet graag de rechter zijn die daarover moest beslissen.

Het gaat overigens niet alleen om strafrechtelijke veroordelingen. Ook andere vormen van laakbaar gedrag kunnen onacceptabel zijn. De Amsterdamse wethouder Rob Oudkerk viel in 2004 van zijn voetstuk toen bleek dat hij zich regelmatig bediende van heroïnehoeren, hoewel dit niet strafbaar is. En de zelfverrijking door VVD-voorzitter Keyzer heeft ook niet tot strafrechtelijke vervolging geleid. Deze affaires waren ook niet te voorkomen geweest door naar een VOG te vragen.
Terwijl we geen politici accepteren die zich misdragen hebben, doet zich de vraag voor wat te doen met kunstenaars en acteurs in die situatie. Toen in 2013 bekend werd dat Horst Tappert, die de titelrol had gespeeld in de populaire detectiveserie Derrick (‘Harry, hol mal den Wagen’), als twintigjarige lid was geweest van de Waffen SS, werd onmiddellijk besloten de (her)uitzending van de serie te staken. Ik vond dat nogal ver gaan.

Er gaan nu ook stemmen op dat de films van Woody Allen niet meer vertoond zouden mogen worden, omdat hij niet van zijn stiefdochter kon afblijven. De vraag wordt dan of er nog schilderijen van Lucebert in openbare musea mogen hangen. Veel schilders hadden een aanvechtbaar privéleven, zoals dat heet, en maakten schaamteloos misbruik van de afhankelijkheid van hun modellen.
En mogen we nog boeken lezen van Simenon, een grootverbruiker van prostituées? Komt er een nieuwe boekverbranding waarbij alle boeken die racistisch of seksistisch zijn, of geschreven door seksistische en racistische auteurs, op de brandstapel gaan?

Iets anders is het verstrekken van eerbewijzen. Ik zou Horst Tappert geen ridderorde toekennen. Ik zou ook geen standbeeld oprichten voor Jan Pieterszoon Coen, voor Van Heutsz, of voor generaal Spoor. Dat laatste is er gelukkig ook niet. Maar dat is wat anders dan bestaande beelden van hun voetstuk halen. Dat is toch net zoiets als Trotski verwijderen van foto’s uit de geschiedenis van de Sovjet Unie. Wel ben ik voor een objectieve toelichtende tekst.

Tenslotte de straatnamen. Dat kan een heikel onderwerp zijn wanneer we anders zijn gaan denken over historische figuren. Wijzigen van straatnamen is nog veel lastiger dan een beeld van zijn sokkel halen, niet omdat er wetten in de weg staan, maar vanwege de praktische bezwaren. De bewoners moeten dan uitleggen dat hun adres gewijzigd is maar dat ze niet verhuisd zijn. Handhaaf dus de Kennedylaan, al was zijn omgang met zijn vrouwelijke medewerkers hoogst ongepast.
Een belangrijk principe is geen straten te vernoemen naar levende personen. Wanneer Amsterdam in 1945 zo gehandeld had, was er later geen noodzaak geweest de Stalinlaan om te dopen in Vrijheidslaan. Het grote voordeel van vernoeming na iemands dood is dat je in ieder geval niet in problemen kan komen door zijn of haar daden of uitingen na de vernoeming. Vernoemingen naar Winnie Mandela bleken toch niet zo handig en hetzelfde gold voor Prins Bernhard. Prinses Marijke stelde straatnaamgevers nog voor een heel ander dilemma, door zich ineens Christina te gaan noemen.

Straatnamen hoeven ook niet altijd direct een verdienste uit te drukken, het kan ook gaan om iemands historische betekenis. In Leiden zijn veel straten vernoemd naar figuren die een rol speelden tijdens het beleg van 1574. Onder hen ook Valdez, de aanvoerder van de Spaanse troepen en naar onze maatstaven een oorlogsmisdadiger. Dat laatste geldt zeker ook voor Julius Caesar, naar wie een brug en een straat vernoemd zijn in de Leidse wijk rond de vroegere Romeinse burcht Matilo. Toch lazen we op het gymnasium zijn De Bello Gallico, waarin hij zijn wreedheden niet alleen beschrijft, maar nog overdrijft ook.

Eerste prioriteit bij de straatnaamgeving moet zijn de uitspreekbaarheid. Vlak bij mijn huis bevindt zich het kruispunt van de De Laat de Kanterstraat en de De Mey van Streefkerkstraat. Dat is pas een ergernis! Maar ook hier geldt dat het niet verstandig is daarop terug te komen.

-----
Het plaatje is van Henk Klaren

© 2018 Paul Bordewijk
powered by CJ2