archiefvorig nr.lopend nr.

Nummer 5
Jaargang 15
14 december 2017
Nummer 6 verschijnt op
18 januari 2018
Vermaak en Genot > De wereldliteratuur roept delen printen terug
Stukgelezen boeken * Gerbrand Muller

1503VG DaantomDe werkelijke wereld van Tom Poes, Daantje en Jeroen, de drager van de zilveren sleutel

Leren is bij mij nooit van een leien dakje gegaan. Voor de meeste vaardigheden die ik me in de loop van mijn leven eigen maakte heb ik me veel moeite moeten getroosten, en zonder de vreemde koppigheid die me vaak dwong door te zetten terwijl ik eigenlijk al niet meer geloofde dat dat zin had, zou ik misschien nooit hebben leren fietsen, zwemmen, schaatsen of autorijden. Lezen leerde ik door in de kerstvakantie van mijn eerste schooljaar in opdracht van de juffrouw samen met mijn moeder het boekje Okkie waar zit je? van Leonard Roggeveen door te werken. Het ontraadselen van de opeenvolgende reeksen tekens viel me zwaar, ik begreep niet waarvoor het diende, en zowel mijn moeder als ik dreigden meermalen ons geduld te verliezen, maar aan het eind van de vakantie bleek ik tot mijn eigen verrassing te kunnen lezen en sindsdien ben ik niet meer met lezen opgehouden.

Als ik me in de volgende jaren droefgeestig voelde kroop ik in een boek. Een van de boeken die ik al honderden keren gelezen had, zodat ik het nagenoeg uit mijn hoofd kende. Waar ik het opensla zitten drie oude wijze kraaien op een hekje langs de waterkant te kleumen.

‘Opeens schrikken ze.
Verbaasd heffen ze hun koppetjes op.
Wat horen ze daar, heel in de verte?
Kris, kras! Kris, kras!
Wat zien ze daar, heel aan ’t eind van de toegevroren vaart?
“Wel allekraaien,” zegt de jongste. “Dat lijkt wel een mens!”’

De mens die daar aan komt schaatsen is Daantje. Eigenwijze Daantje! Het heeft namelijk nog maar twee nachten gevroren, geen verstandig mens zou eraan denken zich nu al op het ijs te wagen. De oudste kraai voorziet al wat er zal gebeuren:

‘“Daar komen ongelukken van, let op!”
Kris kras! Kris kras!
Daar is Daantje.
De wind blaast hem in zijn rug.
In een ogenblikje is hij voorbij!
Kris, kras! Kris, kras!
Weg is Daantje!
Ver weg, héél ver weg is Daantje.
“Deze mens…” zegt de oudste kraai. “Deze mens… Deze mens…”
“Wàt deze mens?” vraagt de middelste.
“Ja, ja, wàt deze mens?” roept de jongste.
“Ach, niets! Zwijg toch!” bromt de oudste.’

Of ik neem een Tom Poes-boekje. Tom Poes en het geheim van het Noorderlicht. Op de bladzij waar ik dat opensla worden Tom Poes en kapitein Wal Rus op de Poolzee in een kleine sloep door een storm voortgeblazen en komen via een spleet in een ijswand in een binnenzee terecht. Op een van de toverachtige tekeningen zie je Walrus en Tom Poes in silhouet in hun kleine bootje door een hoge golf worden opgeheven.

Of anders een van de boeken over Jeroen, de drager van de zilveren sleutel. Op een van de eerste bladzijden van het eerste boek vliegt Jeroen met koning Hazevoet op een bezem boven de maanberg van Rogier. Om daar binnen te komen moet hij zevenmaal op het hoofd van Hazevoet kloppen en luid roepen:
‘Rogier, Rogier!
Ik houd van het dier,
Ik houd zelfs van spinnen,
Rogier laat me binnen!’

Of Heks Pimpelneus van Josine Reuling met de onvergetelijke tekeningen van Jenny Dalenoord. Alleen al de gewoonheid van de bewoners van het saaie dorp Drimmel waar de heks met haar vier huisdieren op een gegeven dag haar intrek in een onbewoonbaar verklaarde woning neemt, is onvergetelijk. Gewone, best aardige mensen. Heks Pimpelneus is trouwens ook niet echt kwaad, al doet ze soms wel gemeen en is ze dikwijls erg humeurig. Op bladzijde 63 waar ik het boek opensla komt de heks na een periode van afwezigheid in het holst van de nacht op haar bezem weer thuis. Hond Pierewaai danst van blijdschap, kater Snorrebaard windt zich niet zo op, maar steekt binnen bedaard de lamp aan. ‘De bezem cirkelde door de lucht, kwam in een mooie glijvlucht naar beneden en vloog roets door de openstaande deur de hut binnen. […] De bezem beende, nadat de heks haar bagage van zijn steel had gehaald, zonder boeh of bah te zeggen, de hut uit en ging op zijn plaats naast de deur staan.’

Of Swiebertje wordt geholpen van J.H. Uit den Bogaard, dat speelt in zo’n bitter koude winter waarvan jongere mensen zich allang geen voorstelling meer kunnen maken. Op de eerste bladzijde kunnen ze lezen hoe het was:

‘Alles is wit. Het heeft gesneeuwd. Fladderend en tuimelend uit de grijze lucht hebben de vlokjes op de uitgestrekte weiden een groot wit kleed gespreid. Knoestige knotwilgen zijn met een mooie, witte muts getooid. Van de lange weg, die door de weilanden slingert, is niet veel meer te zien. Alleen aan de donkere paaltjes, die boven de sneeuw uitsteken, kun je zien, waar je moet lopen.’

Of De jeugd van Gerrit Kra van P.H. Fruithof, waarin de hele kraaienbevolking van het Kraaienbos op last van baron de Braekeleer wordt afgeschoten – ‘Vele kraaien werden dodelijk getroffen en vielen ter aarde; anderen konden nog wegfladderen met kapotgeschoten vleugels’ – , de kraai Gerrit in handen valt van diens oudste zoon, de boze jonkheer Fulco, maar op het nippertje daaruit wordt gered door de goede jongere zoon, jonkheer Frans, maar waarin ook later… Fulco, door tucht op een strenge kostschool tot bezinning gebracht, door de kraai gewaarschuwd, een brandende boerderij binnengaat en daaruit met de kleine Trieneke in zijn armen weer tevoorschijn komt. Een zoetelijke wending die me misschien licht wee zal hebben gemaakt, maar me niet verhinderde het boek keer op keer te herlezen.

Of (ik ga nog even door) de door A. D. Hildebrand navertelde sprookjes van Grimm en Andersen, Vrouw Holle en De varkenshoeder. Grimm staat dichter bij de werkelijkheid dan Fruithof: de slechte dochter is en blijft slecht en wordt dan ook aan het eind door vrouw Holle vreselijk gestraft. Hoor wat de strenge maar rechtvaardige tovenares haar toevoegt:

‘Nooit heeft je zuster je iets gedaan. Nooit heeft ze je geplaagd en altijd heb jij haar geplaagd. Slecht ben je voor haar geweest. En nog heb je niets geleerd! Nog sta je hier met gebalde vuisten. Nu is het uit. Je hebt je laatste kans gehad. Voortaan zal het pek en het teer aan je blijven kleven, zo lang je zult leven.’

Van A.D. Hildebrand las en herlas ik al mijn negen ‘Bolkeboeken’, van Bolke de beer tot en met Bolke, de oudste beer ter wereld. Ik las en herlas ook de boeken van mijn beide zusjes, waaronder, behalve de sprookjes van Grimm en Andersen, Zes en een werd zeven van Diet Kramer en Ankie’s tweelingzusje van Mimi van den Heuvel. Laatstgenoemd boek (over een levenslustig meisje, het zonnetje in huis, dat haar na het bombardement op Rotterdam verloren gewaande familie terugvindt) herlas ik tot ik er wee van werd.

Maar wat heeft u, lezer, aan zo’n opsomming? U zou deze boeken, en nog veel meer andere, zelf moeten lezen. Of beter: als kind gelezen moeten hebben.

Tumult in een toeristenhotel, het enige boek van Willy van der Heijde waar ik me misschien nog steeds gek om zou lachen als ik het kon openslaan, maar ik heb het niet meer. Ik meen me te herinneren dat er schoenen, in de hakken waarvan boeven diamanten hadden verborgen, door het trappenhuis van het hotel als tennisballen heen en weer werden geslagen.

Kuifje. Leest u wat Peter Schröder daarover heeft geschreven, ik heb er niets aan toe te voegen, net zo min trouwens als aan wat veel anderen over Pinokkio, Winny de Poeh of Alice in Wonderland hebben geschreven.

Ik weet niet hoe het voor Peter is, of voor de anderen die in dit nummer over boeken schrijven die ze als kind hebben gelezen, maar voor mij is een verhaal werkelijker dan de realiteit. De realiteit hangt als los zand aan elkaar, een verhaal is compact.

Eerlijk gezegd heb ik voor mezelf nog nooit helemaal toegegeven dat de avonturen van heer Bommel en Tom Poes maar verzonnen zijn. Dat een werkelijk bestaande man, Marten Toonder, ze heeft opgeschreven en dat de wereld waarin ze die avonturen beleven helemaal niet bestaat, maar slechts door hem getekend is (zo prachtig en wonderlijk als geen striptekenaar dat eerder had gedaan). Ook Daantje, Grietje en de mensen van hun dorp zijn als je het mij vraagt alleen maar heel, heel erg eigenlijk maar verzonnen en getekend door een bestaand iemand, Leonard Roggeveen. (Bij ons thuis vonden ze zijn tekeningen een beetje raar, ik weet niet goed meer waarom, want ik vind ze nog steeds heel mooi, neem nu alleen maar de met een paar lijntjes getekende luchten met vogels en wolken). En zo wil ik ook maar nauwelijks toegeven dat Jeroen, de drager van de zilveren sleutel, koning Hazevoet, Kees de Schildpad, Pluimstaart, Isidoor de Ezel en nog zoveel andere dieren in dat boek alleen maar op papier bestaan.

Overigens, niet onbelangrijk, als ik het heb over de avonturen van heer Bommel en Tom Poes, dan bedoel ik alleen de tussen circa 1946 en 1948 verschenen zogenoemde ‘tweede serie’, beginnend met Tom Poes in het land van de blikken mannen (nummer 1) en eindigend met Tom Poes en de Chinese Waaier (nummer 10). De latere verhalen over Tom Poes en heer Bommel zijn als je het mij vraagt apocrief, want geschreven en getekend voor volwassenen die er gnuivend hun werkelijkheid in herkennen. De werkelijkheid van de saaie grote mensenwereld, waar ik nu juist vandaan vluchtte. Het meest vrolijk maakten die volwassenen zich natuurlijk over die domme Bommel met zijn clownesk getekende gezicht. Deze jarenlang in de NRC verschenen stripverhalen hebben niets te maken met de door mij stukgelezen Tom Poes-boekjes.

Een enkele keer wijs ik onder het lopen nog wel eens net als Tom Poes met mijn wijsvinger naar de grond terwijl ik met besliste stappen voortga, en ik voel weer hoe ik, net als Tom Poes, word gevolgd door witte wolkjes. Als Tom Poes ben ik op weg naar een avontuur.

En als ik in de auto in de achteruitkijkspiegel een grote vrachtauto achter me zie opdoemen denk ik aan Grompel Grislie, heer Bommels voorvader, die, dol geworden door de beet van een dolle hond, Tom Poes door de keldergangen van een herberg achtervolgt en op een van de tekeningen juist om een hoek verschijnt. (Maar Grompel krijgt Tom Poes niet te pakken, want het volgende ogenblik zet Terpen Tijn zijn handtekening onder het schilderij waar Grompel eerder in het verhaal uit was gestapt. Dat kwam weer omdat Terpen Tijn eerder om een bepaalde reden had geweigerd zijn naam op het doek te zetten.)

En ik mompel vrij vaak een zinnetje: ‘Rogier, Rogier, ik houd van het dier!’ … ‘Voortaan zal het pek en het teer aan je blijven kleven.’ … ‘Als je praat komen de woorden bevroren uit je mond’ … ‘Grietje zegt niets.’ ‘Blub blub… dat is… overgehaald… blub… brutaal!’ …

Ik houd me aan zulke zinnetjes vast, ik zou erin willen wegkruipen. Waarheen? Naar het wijde land met zijn fijn getekende wolken en vogels rondom het dorp van Daantje, naar het robotteneiland van professor Sickbock, naar de vlakte met de kale rotspieken om het paleis van Akah da Bra met de betoverde spiegel, naar de Noordpool waar Tom Poes als de kleine witte tovenaar koning Aino Kaino helpt het Noorderlicht uit handen te houden van de boze Rawlplug.

-------
De plaatjes zijn van Via Dit en Gerbrand Muller


© 2017 Gerbrand Muller meer Gerbrand Muller - meer "De wereldliteratuur roept" -
Vermaak en Genot > De wereldliteratuur roept
Stukgelezen boeken * Gerbrand Muller
1503VG DaantomDe werkelijke wereld van Tom Poes, Daantje en Jeroen, de drager van de zilveren sleutel

Leren is bij mij nooit van een leien dakje gegaan. Voor de meeste vaardigheden die ik me in de loop van mijn leven eigen maakte heb ik me veel moeite moeten getroosten, en zonder de vreemde koppigheid die me vaak dwong door te zetten terwijl ik eigenlijk al niet meer geloofde dat dat zin had, zou ik misschien nooit hebben leren fietsen, zwemmen, schaatsen of autorijden. Lezen leerde ik door in de kerstvakantie van mijn eerste schooljaar in opdracht van de juffrouw samen met mijn moeder het boekje Okkie waar zit je? van Leonard Roggeveen door te werken. Het ontraadselen van de opeenvolgende reeksen tekens viel me zwaar, ik begreep niet waarvoor het diende, en zowel mijn moeder als ik dreigden meermalen ons geduld te verliezen, maar aan het eind van de vakantie bleek ik tot mijn eigen verrassing te kunnen lezen en sindsdien ben ik niet meer met lezen opgehouden.

Als ik me in de volgende jaren droefgeestig voelde kroop ik in een boek. Een van de boeken die ik al honderden keren gelezen had, zodat ik het nagenoeg uit mijn hoofd kende. Waar ik het opensla zitten drie oude wijze kraaien op een hekje langs de waterkant te kleumen.

‘Opeens schrikken ze.
Verbaasd heffen ze hun koppetjes op.
Wat horen ze daar, heel in de verte?
Kris, kras! Kris, kras!
Wat zien ze daar, heel aan ’t eind van de toegevroren vaart?
“Wel allekraaien,” zegt de jongste. “Dat lijkt wel een mens!”’

De mens die daar aan komt schaatsen is Daantje. Eigenwijze Daantje! Het heeft namelijk nog maar twee nachten gevroren, geen verstandig mens zou eraan denken zich nu al op het ijs te wagen. De oudste kraai voorziet al wat er zal gebeuren:

‘“Daar komen ongelukken van, let op!”
Kris kras! Kris kras!
Daar is Daantje.
De wind blaast hem in zijn rug.
In een ogenblikje is hij voorbij!
Kris, kras! Kris, kras!
Weg is Daantje!
Ver weg, héél ver weg is Daantje.
“Deze mens…” zegt de oudste kraai. “Deze mens… Deze mens…”
“Wàt deze mens?” vraagt de middelste.
“Ja, ja, wàt deze mens?” roept de jongste.
“Ach, niets! Zwijg toch!” bromt de oudste.’

Of ik neem een Tom Poes-boekje. Tom Poes en het geheim van het Noorderlicht. Op de bladzij waar ik dat opensla worden Tom Poes en kapitein Wal Rus op de Poolzee in een kleine sloep door een storm voortgeblazen en komen via een spleet in een ijswand in een binnenzee terecht. Op een van de toverachtige tekeningen zie je Walrus en Tom Poes in silhouet in hun kleine bootje door een hoge golf worden opgeheven.

Of anders een van de boeken over Jeroen, de drager van de zilveren sleutel. Op een van de eerste bladzijden van het eerste boek vliegt Jeroen met koning Hazevoet op een bezem boven de maanberg van Rogier. Om daar binnen te komen moet hij zevenmaal op het hoofd van Hazevoet kloppen en luid roepen:
‘Rogier, Rogier!
Ik houd van het dier,
Ik houd zelfs van spinnen,
Rogier laat me binnen!’

Of Heks Pimpelneus van Josine Reuling met de onvergetelijke tekeningen van Jenny Dalenoord. Alleen al de gewoonheid van de bewoners van het saaie dorp Drimmel waar de heks met haar vier huisdieren op een gegeven dag haar intrek in een onbewoonbaar verklaarde woning neemt, is onvergetelijk. Gewone, best aardige mensen. Heks Pimpelneus is trouwens ook niet echt kwaad, al doet ze soms wel gemeen en is ze dikwijls erg humeurig. Op bladzijde 63 waar ik het boek opensla komt de heks na een periode van afwezigheid in het holst van de nacht op haar bezem weer thuis. Hond Pierewaai danst van blijdschap, kater Snorrebaard windt zich niet zo op, maar steekt binnen bedaard de lamp aan. ‘De bezem cirkelde door de lucht, kwam in een mooie glijvlucht naar beneden en vloog roets door de openstaande deur de hut binnen. […] De bezem beende, nadat de heks haar bagage van zijn steel had gehaald, zonder boeh of bah te zeggen, de hut uit en ging op zijn plaats naast de deur staan.’

Of Swiebertje wordt geholpen van J.H. Uit den Bogaard, dat speelt in zo’n bitter koude winter waarvan jongere mensen zich allang geen voorstelling meer kunnen maken. Op de eerste bladzijde kunnen ze lezen hoe het was:

‘Alles is wit. Het heeft gesneeuwd. Fladderend en tuimelend uit de grijze lucht hebben de vlokjes op de uitgestrekte weiden een groot wit kleed gespreid. Knoestige knotwilgen zijn met een mooie, witte muts getooid. Van de lange weg, die door de weilanden slingert, is niet veel meer te zien. Alleen aan de donkere paaltjes, die boven de sneeuw uitsteken, kun je zien, waar je moet lopen.’

Of De jeugd van Gerrit Kra van P.H. Fruithof, waarin de hele kraaienbevolking van het Kraaienbos op last van baron de Braekeleer wordt afgeschoten – ‘Vele kraaien werden dodelijk getroffen en vielen ter aarde; anderen konden nog wegfladderen met kapotgeschoten vleugels’ – , de kraai Gerrit in handen valt van diens oudste zoon, de boze jonkheer Fulco, maar op het nippertje daaruit wordt gered door de goede jongere zoon, jonkheer Frans, maar waarin ook later… Fulco, door tucht op een strenge kostschool tot bezinning gebracht, door de kraai gewaarschuwd, een brandende boerderij binnengaat en daaruit met de kleine Trieneke in zijn armen weer tevoorschijn komt. Een zoetelijke wending die me misschien licht wee zal hebben gemaakt, maar me niet verhinderde het boek keer op keer te herlezen.

Of (ik ga nog even door) de door A. D. Hildebrand navertelde sprookjes van Grimm en Andersen, Vrouw Holle en De varkenshoeder. Grimm staat dichter bij de werkelijkheid dan Fruithof: de slechte dochter is en blijft slecht en wordt dan ook aan het eind door vrouw Holle vreselijk gestraft. Hoor wat de strenge maar rechtvaardige tovenares haar toevoegt:

‘Nooit heeft je zuster je iets gedaan. Nooit heeft ze je geplaagd en altijd heb jij haar geplaagd. Slecht ben je voor haar geweest. En nog heb je niets geleerd! Nog sta je hier met gebalde vuisten. Nu is het uit. Je hebt je laatste kans gehad. Voortaan zal het pek en het teer aan je blijven kleven, zo lang je zult leven.’

Van A.D. Hildebrand las en herlas ik al mijn negen ‘Bolkeboeken’, van Bolke de beer tot en met Bolke, de oudste beer ter wereld. Ik las en herlas ook de boeken van mijn beide zusjes, waaronder, behalve de sprookjes van Grimm en Andersen, Zes en een werd zeven van Diet Kramer en Ankie’s tweelingzusje van Mimi van den Heuvel. Laatstgenoemd boek (over een levenslustig meisje, het zonnetje in huis, dat haar na het bombardement op Rotterdam verloren gewaande familie terugvindt) herlas ik tot ik er wee van werd.

Maar wat heeft u, lezer, aan zo’n opsomming? U zou deze boeken, en nog veel meer andere, zelf moeten lezen. Of beter: als kind gelezen moeten hebben.

Tumult in een toeristenhotel, het enige boek van Willy van der Heijde waar ik me misschien nog steeds gek om zou lachen als ik het kon openslaan, maar ik heb het niet meer. Ik meen me te herinneren dat er schoenen, in de hakken waarvan boeven diamanten hadden verborgen, door het trappenhuis van het hotel als tennisballen heen en weer werden geslagen.

Kuifje. Leest u wat Peter Schröder daarover heeft geschreven, ik heb er niets aan toe te voegen, net zo min trouwens als aan wat veel anderen over Pinokkio, Winny de Poeh of Alice in Wonderland hebben geschreven.

Ik weet niet hoe het voor Peter is, of voor de anderen die in dit nummer over boeken schrijven die ze als kind hebben gelezen, maar voor mij is een verhaal werkelijker dan de realiteit. De realiteit hangt als los zand aan elkaar, een verhaal is compact.

Eerlijk gezegd heb ik voor mezelf nog nooit helemaal toegegeven dat de avonturen van heer Bommel en Tom Poes maar verzonnen zijn. Dat een werkelijk bestaande man, Marten Toonder, ze heeft opgeschreven en dat de wereld waarin ze die avonturen beleven helemaal niet bestaat, maar slechts door hem getekend is (zo prachtig en wonderlijk als geen striptekenaar dat eerder had gedaan). Ook Daantje, Grietje en de mensen van hun dorp zijn als je het mij vraagt alleen maar heel, heel erg eigenlijk maar verzonnen en getekend door een bestaand iemand, Leonard Roggeveen. (Bij ons thuis vonden ze zijn tekeningen een beetje raar, ik weet niet goed meer waarom, want ik vind ze nog steeds heel mooi, neem nu alleen maar de met een paar lijntjes getekende luchten met vogels en wolken). En zo wil ik ook maar nauwelijks toegeven dat Jeroen, de drager van de zilveren sleutel, koning Hazevoet, Kees de Schildpad, Pluimstaart, Isidoor de Ezel en nog zoveel andere dieren in dat boek alleen maar op papier bestaan.

Overigens, niet onbelangrijk, als ik het heb over de avonturen van heer Bommel en Tom Poes, dan bedoel ik alleen de tussen circa 1946 en 1948 verschenen zogenoemde ‘tweede serie’, beginnend met Tom Poes in het land van de blikken mannen (nummer 1) en eindigend met Tom Poes en de Chinese Waaier (nummer 10). De latere verhalen over Tom Poes en heer Bommel zijn als je het mij vraagt apocrief, want geschreven en getekend voor volwassenen die er gnuivend hun werkelijkheid in herkennen. De werkelijkheid van de saaie grote mensenwereld, waar ik nu juist vandaan vluchtte. Het meest vrolijk maakten die volwassenen zich natuurlijk over die domme Bommel met zijn clownesk getekende gezicht. Deze jarenlang in de NRC verschenen stripverhalen hebben niets te maken met de door mij stukgelezen Tom Poes-boekjes.

Een enkele keer wijs ik onder het lopen nog wel eens net als Tom Poes met mijn wijsvinger naar de grond terwijl ik met besliste stappen voortga, en ik voel weer hoe ik, net als Tom Poes, word gevolgd door witte wolkjes. Als Tom Poes ben ik op weg naar een avontuur.

En als ik in de auto in de achteruitkijkspiegel een grote vrachtauto achter me zie opdoemen denk ik aan Grompel Grislie, heer Bommels voorvader, die, dol geworden door de beet van een dolle hond, Tom Poes door de keldergangen van een herberg achtervolgt en op een van de tekeningen juist om een hoek verschijnt. (Maar Grompel krijgt Tom Poes niet te pakken, want het volgende ogenblik zet Terpen Tijn zijn handtekening onder het schilderij waar Grompel eerder in het verhaal uit was gestapt. Dat kwam weer omdat Terpen Tijn eerder om een bepaalde reden had geweigerd zijn naam op het doek te zetten.)

En ik mompel vrij vaak een zinnetje: ‘Rogier, Rogier, ik houd van het dier!’ … ‘Voortaan zal het pek en het teer aan je blijven kleven.’ … ‘Als je praat komen de woorden bevroren uit je mond’ … ‘Grietje zegt niets.’ ‘Blub blub… dat is… overgehaald… blub… brutaal!’ …

Ik houd me aan zulke zinnetjes vast, ik zou erin willen wegkruipen. Waarheen? Naar het wijde land met zijn fijn getekende wolken en vogels rondom het dorp van Daantje, naar het robotteneiland van professor Sickbock, naar de vlakte met de kale rotspieken om het paleis van Akah da Bra met de betoverde spiegel, naar de Noordpool waar Tom Poes als de kleine witte tovenaar koning Aino Kaino helpt het Noorderlicht uit handen te houden van de boze Rawlplug.

-------
De plaatjes zijn van Via Dit en Gerbrand Muller
© 2017 Gerbrand Muller
powered by CJ2