archiefvorig nr.lopend nr.

Nummer 17
Jaargang 14
29 juni 2017
Nummer 18 verschijnt op
31 augustus 2017
Vermaak en Genot > De wereldliteratuur roept delen printen terug
Buitenechtelijk kamperen (1), fictie Carlo van Praag

1411VG Camping‘Naar een nieuw woonwagenbeleid’…… Zo, de titel stond er, nu de rest van het rapport  nog. Ik stak een sigaar op en leunde achterover, mijn manier om inspiratie op te doen. Twee sigaren verder zag de kamer blauw, maar buiten de titel was er nog steeds geen tekst. Gelukkig werd er geklopt. Ik ben blij met iedereen die mij van mijn werk komt houden. Het was Eileen, onze werkstudente, die de bibliothecaris hielp in verband met de komende verhuizing. Eileen Doyle, Ierser kan het niet.

‘Heb jij de report ‘Allochtonen, huisvesting en spreiding’’ vroeg ze. Ze studeerde Nederlands in Leiden en sprak de taal al aardig. ‘Allochtonen’ kwam er goed uit, vermoedelijk doordat ze er het woord ‘loch’ in zag, maar de ui van huisvesting en de ei van spreiding waren haar te machtig. De Nederlandse taal heeft met haar klinkerrijkdom een hoge drempel voor de meeste buitenlanders. Je hebt behalve de ui en de ei ook nog de eu en de u als struikelblokken. Bovendien verschilt de uitspraak van veel klinkers met hun plaatsing in de lettergreep. Ik kon haar het gevraagde onmiddellijk overhandigen, want er heerst bij mij een perfecte orde. Heb ik namelijk even moeite met de zingeving aan het werkend bestaan, hetgeen herhaaldelijk het geval is, dan ga ik opruimen en heb dan het gevoel dat ik nuttige arbeid verricht. Mijn bezoekster verdween tevreden.

Ik vervolgde mijn onmachtig gestaar naar het lege vel in de schrijfmachine tot de telefoon ging. Het was de stem van de secretaresse: ‘Laurens, een meneer Hielkema voor jou. Ik verbind hem door ‘.
‘Met Landman’, zei ik.
‘Ja Hielkema hier, van kampeerterrein Juttumerduin Er staat hier een tent op uw naam zonder bewoner. Kunt u me dat uitleggen.
‘Hoe komt u aan dit nummer; ik zit hier op mijn werk?’
Ik heb eerst naar uw huis gebeld. Uw vrouw gaf me uw werkadres’.
‘Ik was van plan volgende week te komen.’
‘Nee, dat gaat dus niet. Tenten zonder bewoner worden geruimd.’
‘Geruimd, hoe bedoelt u?’
‘Afgebroken en daarna vernietigd’.
‘Wel ja! Ik kan echt zo gauw niet ter plaatse zijn. Ik zit helemaal in Den Haag en ik heb afspraken lopen’.
‘Ik geef u twee dagen om u bij de administratie hier te melden. Meer kan ik niet voor u doen. Goede middag’.
Tja, wat nu? De kinderen hadden nog geen vakantie, dus kon Vanessa ook niet weg. Ik zou zelf moeten. Maar dat kwam heel slecht uit. Vergaderingen, afspraken.
Ik kreeg een inval. Ik liep naar de bibliotheek en sprak Eileen aan.
‘Houd je van kamperen? Kan je een paar dagen vrij krijgen van hier? Ik betaal hetzelfde tarief als de bibliotheek, zelfs nog een ietsje meer’.
We kwamen tot overeenstemming.
‘Morgen haal ik je van huis op en dan rijden we erheen. Zorg dat je wat spulletjes hebt gepakt. Ik zorg voor een slaapzak. Matrasjes zijn er. En stoeltjes en kookgerei. En ik zorg ook voor proviand.’

’s Avonds lichtte ik Vanessa in over het plan.
‘Zeker wel een leuk meiske, die Eileen’ zei ze.
Het leek me beter om de aantrekkelijkheden van ‘het meiske’ niet omlaag te spelen, om een Anglicisme te gebruiken.
‘Een echte stoot’, zei ik, ‘jammer dat ik dezelfde dag al weer terugmoet.’
In werkelijkheid had Eileen op mij volstrekt geen aantrekkingskracht. Ze was nogal mollig en er zat niet veel vorm in. Een aardig gezicht, dat wel. Wat jammer en wat onrechtvaardig is dat toch, dat aardige mensen niet mooi zijn en omgekeerd. De evolutionair bepaalde aantrekkingskracht die de seksen op elkaar uitoefenen is allesbehalve een bijdrage aan een gelukkig bestaan. De factor lust brengt je maar in het verkeerde gezelschap en doet de helft van de huwelijken stranden of op zijn minst verzuren. Waarom zijn we niet allemaal knap van uiterlijk, zodat wij elkaar op karakter konden kiezen. Maar ja, zoals bekend heeft de evolutie niet het menselijk geluk op het oog. Zij heeft überhaupt geen doel.

We hadden de wind mee en de Deux Chevaux is onder die omstandigheden een goede zeiler. We hadden over de honderd gekund, ware het niet dat langzame vrachtwagens ons dit verhinderden. Ook met wind mee kun je met dit voertuig beter niet inhalen. De 2CV is meer ideologie dan auto. Zij geldt als onverwoestbaar, maar dit was mijn vijfde al en met geen enkele had ik tot dusver de 100.000 gehaald. Toonbeeld van Frans vernuft. Misschien, maar dan zo beroerd uitgevoerd dat zo’n klapraampje telkens met een klap op je elleboog valt en aldus zijn naam waarmaakt. Voorwielaangedreven, gekleefd aan de weg, jawel, maar dan dat steigerende stuur in de bocht doordat de fabrikant uit zuinigheid  geen dubbele kruiskoppelingen aan de wielzijde heeft voorzien. In het geniep benijdde ik wel eens het klootjesvolk in zijn Toyota’s en Opels, maar die zijn nu eenmaal niet weggelegd voor ons: Gallofiele snobs.

‘Mooi hier’ zei Eileen.
Zelf  vind ik het Hollandse landschap behelpen. Op zijn best is het een met het plamuurmes afgestreken groen vlak met een kerkje en een molentje aan de horizon, maar meestal wordt die horizon gebroken door kassen, flats, nieuwbouwwijken en industrieterreinen. Maar ik ben een zuurpruim, zeker!
‘Bij jullie is het mooier’
‘Ook mooi’, zei ze.

We zeiden een tijdje niets. Het was ook moeilijk om boven de motor uit te komen. De 2CV gaat wel niet hard, maar het motorgeluid geeft je een goede alsof-ervaring.

‘Waarom wil jij dat ik woon in jouw tent?’ vroeg ze. ‘Ik heb niet goed begrepen.’
Ik legde uit dat de camping zowel goede als slechte plaatsen bood en dat om de goede werd gevochten. Wilde je er zo een bemachtigen dan moest je voor de stoet uit en niet wachten tot juli. Reserveren kan niet. Ik had hem dus vast neergezet, maar onbewoonde tenten zijn niet toegestaan.

‘Ik zie’ zei ze.
‘Geen goed Nederlands. Je moet zeggen: ik begrijp het of ik snap het.
‘Oh, ik zie’.

We bereikten het haventje en zagen de veerboot wegvaren. Half uur pauze en misschien een uur, want de rij was lang. Verveelde bestuurders trapten een balletje met hun kinderen of beproefden hun bandenspanning. Een snackbar vormde de enige horecavoorziening op het emplacement en hij was tjokvol. We bleven dus bij de auto. Dat vroeg om conversatie, maar daar ben ik niet goed in. Er schiet mij op zulke momenten niets te binnen.
‘Hoe lang ben je nu in Nederland?’ vroeg ik tenslotte. Het is de meest afgezaagde openingszin in een gesprek met buitenlanders, maar het was tenminste iets.
‘Twee maanden’.
‘En waar woon je in Ierland?’
‘Ik woon al lang niet meer in Ierland. Mijn ouders wonen in Tullamore, waar de whiskey komt van. Maar ik ben na secondary school daar weggegaan naar Engeland. Daar heb ik gestudeerd, Engelse  en Nederlandse taal en toen naar Leiden om verder Nederlands te studeren’.

(wordt vervolgd)

------
Het plaatje is van Henk Klaren


© 2017 Carlo van Praag meer Carlo van Praag - meer "De wereldliteratuur roept"
Vermaak en Genot > De wereldliteratuur roept
Buitenechtelijk kamperen (1), fictie Carlo van Praag
1411VG Camping‘Naar een nieuw woonwagenbeleid’…… Zo, de titel stond er, nu de rest van het rapport  nog. Ik stak een sigaar op en leunde achterover, mijn manier om inspiratie op te doen. Twee sigaren verder zag de kamer blauw, maar buiten de titel was er nog steeds geen tekst. Gelukkig werd er geklopt. Ik ben blij met iedereen die mij van mijn werk komt houden. Het was Eileen, onze werkstudente, die de bibliothecaris hielp in verband met de komende verhuizing. Eileen Doyle, Ierser kan het niet.

‘Heb jij de report ‘Allochtonen, huisvesting en spreiding’’ vroeg ze. Ze studeerde Nederlands in Leiden en sprak de taal al aardig. ‘Allochtonen’ kwam er goed uit, vermoedelijk doordat ze er het woord ‘loch’ in zag, maar de ui van huisvesting en de ei van spreiding waren haar te machtig. De Nederlandse taal heeft met haar klinkerrijkdom een hoge drempel voor de meeste buitenlanders. Je hebt behalve de ui en de ei ook nog de eu en de u als struikelblokken. Bovendien verschilt de uitspraak van veel klinkers met hun plaatsing in de lettergreep. Ik kon haar het gevraagde onmiddellijk overhandigen, want er heerst bij mij een perfecte orde. Heb ik namelijk even moeite met de zingeving aan het werkend bestaan, hetgeen herhaaldelijk het geval is, dan ga ik opruimen en heb dan het gevoel dat ik nuttige arbeid verricht. Mijn bezoekster verdween tevreden.

Ik vervolgde mijn onmachtig gestaar naar het lege vel in de schrijfmachine tot de telefoon ging. Het was de stem van de secretaresse: ‘Laurens, een meneer Hielkema voor jou. Ik verbind hem door ‘.
‘Met Landman’, zei ik.
‘Ja Hielkema hier, van kampeerterrein Juttumerduin Er staat hier een tent op uw naam zonder bewoner. Kunt u me dat uitleggen.
‘Hoe komt u aan dit nummer; ik zit hier op mijn werk?’
Ik heb eerst naar uw huis gebeld. Uw vrouw gaf me uw werkadres’.
‘Ik was van plan volgende week te komen.’
‘Nee, dat gaat dus niet. Tenten zonder bewoner worden geruimd.’
‘Geruimd, hoe bedoelt u?’
‘Afgebroken en daarna vernietigd’.
‘Wel ja! Ik kan echt zo gauw niet ter plaatse zijn. Ik zit helemaal in Den Haag en ik heb afspraken lopen’.
‘Ik geef u twee dagen om u bij de administratie hier te melden. Meer kan ik niet voor u doen. Goede middag’.
Tja, wat nu? De kinderen hadden nog geen vakantie, dus kon Vanessa ook niet weg. Ik zou zelf moeten. Maar dat kwam heel slecht uit. Vergaderingen, afspraken.
Ik kreeg een inval. Ik liep naar de bibliotheek en sprak Eileen aan.
‘Houd je van kamperen? Kan je een paar dagen vrij krijgen van hier? Ik betaal hetzelfde tarief als de bibliotheek, zelfs nog een ietsje meer’.
We kwamen tot overeenstemming.
‘Morgen haal ik je van huis op en dan rijden we erheen. Zorg dat je wat spulletjes hebt gepakt. Ik zorg voor een slaapzak. Matrasjes zijn er. En stoeltjes en kookgerei. En ik zorg ook voor proviand.’

’s Avonds lichtte ik Vanessa in over het plan.
‘Zeker wel een leuk meiske, die Eileen’ zei ze.
Het leek me beter om de aantrekkelijkheden van ‘het meiske’ niet omlaag te spelen, om een Anglicisme te gebruiken.
‘Een echte stoot’, zei ik, ‘jammer dat ik dezelfde dag al weer terugmoet.’
In werkelijkheid had Eileen op mij volstrekt geen aantrekkingskracht. Ze was nogal mollig en er zat niet veel vorm in. Een aardig gezicht, dat wel. Wat jammer en wat onrechtvaardig is dat toch, dat aardige mensen niet mooi zijn en omgekeerd. De evolutionair bepaalde aantrekkingskracht die de seksen op elkaar uitoefenen is allesbehalve een bijdrage aan een gelukkig bestaan. De factor lust brengt je maar in het verkeerde gezelschap en doet de helft van de huwelijken stranden of op zijn minst verzuren. Waarom zijn we niet allemaal knap van uiterlijk, zodat wij elkaar op karakter konden kiezen. Maar ja, zoals bekend heeft de evolutie niet het menselijk geluk op het oog. Zij heeft überhaupt geen doel.

We hadden de wind mee en de Deux Chevaux is onder die omstandigheden een goede zeiler. We hadden over de honderd gekund, ware het niet dat langzame vrachtwagens ons dit verhinderden. Ook met wind mee kun je met dit voertuig beter niet inhalen. De 2CV is meer ideologie dan auto. Zij geldt als onverwoestbaar, maar dit was mijn vijfde al en met geen enkele had ik tot dusver de 100.000 gehaald. Toonbeeld van Frans vernuft. Misschien, maar dan zo beroerd uitgevoerd dat zo’n klapraampje telkens met een klap op je elleboog valt en aldus zijn naam waarmaakt. Voorwielaangedreven, gekleefd aan de weg, jawel, maar dan dat steigerende stuur in de bocht doordat de fabrikant uit zuinigheid  geen dubbele kruiskoppelingen aan de wielzijde heeft voorzien. In het geniep benijdde ik wel eens het klootjesvolk in zijn Toyota’s en Opels, maar die zijn nu eenmaal niet weggelegd voor ons: Gallofiele snobs.

‘Mooi hier’ zei Eileen.
Zelf  vind ik het Hollandse landschap behelpen. Op zijn best is het een met het plamuurmes afgestreken groen vlak met een kerkje en een molentje aan de horizon, maar meestal wordt die horizon gebroken door kassen, flats, nieuwbouwwijken en industrieterreinen. Maar ik ben een zuurpruim, zeker!
‘Bij jullie is het mooier’
‘Ook mooi’, zei ze.

We zeiden een tijdje niets. Het was ook moeilijk om boven de motor uit te komen. De 2CV gaat wel niet hard, maar het motorgeluid geeft je een goede alsof-ervaring.

‘Waarom wil jij dat ik woon in jouw tent?’ vroeg ze. ‘Ik heb niet goed begrepen.’
Ik legde uit dat de camping zowel goede als slechte plaatsen bood en dat om de goede werd gevochten. Wilde je er zo een bemachtigen dan moest je voor de stoet uit en niet wachten tot juli. Reserveren kan niet. Ik had hem dus vast neergezet, maar onbewoonde tenten zijn niet toegestaan.

‘Ik zie’ zei ze.
‘Geen goed Nederlands. Je moet zeggen: ik begrijp het of ik snap het.
‘Oh, ik zie’.

We bereikten het haventje en zagen de veerboot wegvaren. Half uur pauze en misschien een uur, want de rij was lang. Verveelde bestuurders trapten een balletje met hun kinderen of beproefden hun bandenspanning. Een snackbar vormde de enige horecavoorziening op het emplacement en hij was tjokvol. We bleven dus bij de auto. Dat vroeg om conversatie, maar daar ben ik niet goed in. Er schiet mij op zulke momenten niets te binnen.
‘Hoe lang ben je nu in Nederland?’ vroeg ik tenslotte. Het is de meest afgezaagde openingszin in een gesprek met buitenlanders, maar het was tenminste iets.
‘Twee maanden’.
‘En waar woon je in Ierland?’
‘Ik woon al lang niet meer in Ierland. Mijn ouders wonen in Tullamore, waar de whiskey komt van. Maar ik ben na secondary school daar weggegaan naar Engeland. Daar heb ik gestudeerd, Engelse  en Nederlandse taal en toen naar Leiden om verder Nederlands te studeren’.

(wordt vervolgd)

------
Het plaatje is van Henk Klaren
© 2017 Carlo van Praag
powered by Peppered