archiefvorig nr.lopend nr.

Nummer 14
Jaargang 19
19 mei 2022
Nummer 15 verschijnt op
2 juni 2022
Beschouwingen > In de polder delen printen terug
Kan de regering het vertrouwen terugwinnen? Paul Bordewijk

1906BS Vertrouwen
Volgens het Sociaal en Cultureel Planbureau is het vertrouwen in de overheid de afgelopen twee jaar sterk afgenomen. In april 2020 had zo’n 70% van de Nederlanders (veel) vertrouwen in de landelijke overheid, maar in september 2021 was dat nog maar 29%. Dat was dus minder dan de helft. Het rapport waarin dit beschreven wordt heet dan ook ‘De laag-vertrouwensamenleving’. Ik vraag me echter af of je dat etiket wel mag plakken op een samenleving waarin mensen aangeven de regering niet meer te vertrouwen. Het is heel begrijpelijk dat mensen weinig vertrouwen hebben in de regering. Het is eerder verwonderlijk dat ze in april 2020 zoveel vertrouwen hadden. Dat was zelfs uitzonderlijk veel, en wordt verklaard uit de coronacrisis, die toen net was begonnen. In crisistijd vestigt men zijn hoop op de regering.
Toch speelde toen de toeslagenaffaire ook al, net als de problemen die ontstaan waren door de gaswinning in Groningen. En dan was er een falend woningbouwbeleid, onbegrijpelijke stikstofproblemen, steeds slechtere onderwijsresultaten, pogingen om het klimaat te verbeteren met houtverbranding, en het lukte ook al niet om mensen van 75 tijdig hun rijbewijs te laten verlengen. En daarbovenop kwam dan nog de falende informatieverstrekking door het kabinet in een reeks andere affaires zoals het bombardement op Hawija en de criminaliteit onder asielzoekers. 

Groot vertrouwen in 2020

Wie dit tot zich door laat dringen kan zich alleen maar verbazen dat er in april 2020 toch zo’n groot vertrouwen in de regering was, en dat bij de verkiezingen een klein jaar later de regeringspartijen hun meerderheid behielden en de partij van de minister-president er zelfs nog een zetel bij kreeg. Toch was het vertrouwen toen al gedaald naar 49%. 
Het is gemakkelijker te verklaren dat het vertrouwen sinds april 2020 zo sterk is afgenomen dan dat het toen zo hoog was. Bij de aanpak van de coronacrisis werden allerlei rare besluiten genomen, en na de verkiezingen duurde het een half jaar voor politieke partijen zich bereid toonden hun eigen belang ondergeschikt te maken aan het algemeen belang. Daarvoor was nodig dat D66, CDA en ChristenUnie bereid bleken Rutte te accepteren als minister-president, ondanks de reeks dubieuze interventies en regelrechte leugens waaraan hij zich bij het begin van de formatieperiode bezondigd had. 
Maar kun je daarmee stellen dat Nederland daardoor nu een laag-vertrouwensamenleving is? Dat lijkt me sterk. In de eerste plaats vertoont het vertrouwen in de regering sterke schommelingen op de korte termijn, terwijl een samenleving zijn karakter alleen op langere termijn kan veranderen. En dan is het wat anders wat je van de regering vindt en wat je vindt van de overheid in bredere zin, met al zijn instituties. En dan is er een verschil tussen hoe mensen zich verbaal uiten en hoe zij feitelijk handelen.

Toch wel vertrouwen in 2021

Om bij dat laatste te beginnen, ook al zegt men weinig vertrouwen te hebben, de opkomst bij de Kamerverkiezingen van 2021 was traditioneel hoog. Dat gold ook voor de vaccinatiebereidheid, dit laatste ondanks de luidruchtige groep Nederlanders die onder aanvoering van Willem Engel en Thierry Baudet de grootst mogelijke onzin uitslaan over het niet bestaan of de onschuldige aard van de verschillende virussen versus het levensgevaarlijke karakter van de vaccins. In landen waar het vertrouwen in de overheid echt kleiner is zoals in Rusland zie je echt een veel lagere vaccinatiebereidheid. Dat geldt ook voor groepen in Nederland die het aan dat vertrouwen ontbreekt, bij voorbeeld omdat zij de huidige politieke elite als een gezelschap ongelovigen beschouwen.
Kenmerkend voor het vertrouwen binnen de samenleving vind ik de omgang met elkaar in het verkeer. Het valt mij steeds meer op dat automobilisten vaart inhouden wanneer je wilt oversteken en dat de voetganger dan een gebaar maakt om te bedanken. Dat is niet zozeer gehoorzaamheid aan de overheid, want steeds vaker merk je ook dat op plekken waar geen zebra is maar je dat wel zou verwachten, automobilisten je laten oversteken. Dat lijkt me wel typisch voor een hoog-vertrouwenssamenleving.

Basis voor vertrouwen

Daarmee is de regering nog niet geholpen aan terugkeer van het vertrouwen, maar er is wel een basis voor in de houding van de gemiddelde Nederlander. Men zal dan wel de vele problemen moeten oplossen die men geërfd heeft van zijn voorgangers, ook van Rutte II met Samsom en Dijsselbloem. Maar men zal ook eerlijker moeten omgaan met informatie, en daar was in de periode dat het nieuwe kabinet geformeerd werd nog weinig van te merken. 
Maar het meest bedreigend is wanneer de ministers van VVD, D66 en CDA de regeerperiode zien als een aanloop naar de volgende verkiezingsperiode waarin zij elkaars concurrenten zijn, in plaats van als een periode waar men moet samenwerken om al die grote problemen op te lossen. Ik denk dat daarbij vooral het risico bij D66 ligt, dat zich in de formatieperiode presenteerde als een partij van spindoctors, gericht op het ondergraven van het vertrouwen in de anderen partijen. Dat moet echt anders.

----------
Linda Hulshof's illustratie geeft de twijfel over het vertrouwen prachtig weer.
Meer informatie: lindahulshof71@gmail.com



© 2022 Paul Bordewijk meer Paul Bordewijk - meer "In de polder" -
Beschouwingen > In de polder
Kan de regering het vertrouwen terugwinnen? Paul Bordewijk
1906BS Vertrouwen
Volgens het Sociaal en Cultureel Planbureau is het vertrouwen in de overheid de afgelopen twee jaar sterk afgenomen. In april 2020 had zo’n 70% van de Nederlanders (veel) vertrouwen in de landelijke overheid, maar in september 2021 was dat nog maar 29%. Dat was dus minder dan de helft. Het rapport waarin dit beschreven wordt heet dan ook ‘De laag-vertrouwensamenleving’. Ik vraag me echter af of je dat etiket wel mag plakken op een samenleving waarin mensen aangeven de regering niet meer te vertrouwen. Het is heel begrijpelijk dat mensen weinig vertrouwen hebben in de regering. Het is eerder verwonderlijk dat ze in april 2020 zoveel vertrouwen hadden. Dat was zelfs uitzonderlijk veel, en wordt verklaard uit de coronacrisis, die toen net was begonnen. In crisistijd vestigt men zijn hoop op de regering.
Toch speelde toen de toeslagenaffaire ook al, net als de problemen die ontstaan waren door de gaswinning in Groningen. En dan was er een falend woningbouwbeleid, onbegrijpelijke stikstofproblemen, steeds slechtere onderwijsresultaten, pogingen om het klimaat te verbeteren met houtverbranding, en het lukte ook al niet om mensen van 75 tijdig hun rijbewijs te laten verlengen. En daarbovenop kwam dan nog de falende informatieverstrekking door het kabinet in een reeks andere affaires zoals het bombardement op Hawija en de criminaliteit onder asielzoekers. 

Groot vertrouwen in 2020

Wie dit tot zich door laat dringen kan zich alleen maar verbazen dat er in april 2020 toch zo’n groot vertrouwen in de regering was, en dat bij de verkiezingen een klein jaar later de regeringspartijen hun meerderheid behielden en de partij van de minister-president er zelfs nog een zetel bij kreeg. Toch was het vertrouwen toen al gedaald naar 49%. 
Het is gemakkelijker te verklaren dat het vertrouwen sinds april 2020 zo sterk is afgenomen dan dat het toen zo hoog was. Bij de aanpak van de coronacrisis werden allerlei rare besluiten genomen, en na de verkiezingen duurde het een half jaar voor politieke partijen zich bereid toonden hun eigen belang ondergeschikt te maken aan het algemeen belang. Daarvoor was nodig dat D66, CDA en ChristenUnie bereid bleken Rutte te accepteren als minister-president, ondanks de reeks dubieuze interventies en regelrechte leugens waaraan hij zich bij het begin van de formatieperiode bezondigd had. 
Maar kun je daarmee stellen dat Nederland daardoor nu een laag-vertrouwensamenleving is? Dat lijkt me sterk. In de eerste plaats vertoont het vertrouwen in de regering sterke schommelingen op de korte termijn, terwijl een samenleving zijn karakter alleen op langere termijn kan veranderen. En dan is het wat anders wat je van de regering vindt en wat je vindt van de overheid in bredere zin, met al zijn instituties. En dan is er een verschil tussen hoe mensen zich verbaal uiten en hoe zij feitelijk handelen.

Toch wel vertrouwen in 2021

Om bij dat laatste te beginnen, ook al zegt men weinig vertrouwen te hebben, de opkomst bij de Kamerverkiezingen van 2021 was traditioneel hoog. Dat gold ook voor de vaccinatiebereidheid, dit laatste ondanks de luidruchtige groep Nederlanders die onder aanvoering van Willem Engel en Thierry Baudet de grootst mogelijke onzin uitslaan over het niet bestaan of de onschuldige aard van de verschillende virussen versus het levensgevaarlijke karakter van de vaccins. In landen waar het vertrouwen in de overheid echt kleiner is zoals in Rusland zie je echt een veel lagere vaccinatiebereidheid. Dat geldt ook voor groepen in Nederland die het aan dat vertrouwen ontbreekt, bij voorbeeld omdat zij de huidige politieke elite als een gezelschap ongelovigen beschouwen.
Kenmerkend voor het vertrouwen binnen de samenleving vind ik de omgang met elkaar in het verkeer. Het valt mij steeds meer op dat automobilisten vaart inhouden wanneer je wilt oversteken en dat de voetganger dan een gebaar maakt om te bedanken. Dat is niet zozeer gehoorzaamheid aan de overheid, want steeds vaker merk je ook dat op plekken waar geen zebra is maar je dat wel zou verwachten, automobilisten je laten oversteken. Dat lijkt me wel typisch voor een hoog-vertrouwenssamenleving.

Basis voor vertrouwen

Daarmee is de regering nog niet geholpen aan terugkeer van het vertrouwen, maar er is wel een basis voor in de houding van de gemiddelde Nederlander. Men zal dan wel de vele problemen moeten oplossen die men geërfd heeft van zijn voorgangers, ook van Rutte II met Samsom en Dijsselbloem. Maar men zal ook eerlijker moeten omgaan met informatie, en daar was in de periode dat het nieuwe kabinet geformeerd werd nog weinig van te merken. 
Maar het meest bedreigend is wanneer de ministers van VVD, D66 en CDA de regeerperiode zien als een aanloop naar de volgende verkiezingsperiode waarin zij elkaars concurrenten zijn, in plaats van als een periode waar men moet samenwerken om al die grote problemen op te lossen. Ik denk dat daarbij vooral het risico bij D66 ligt, dat zich in de formatieperiode presenteerde als een partij van spindoctors, gericht op het ondergraven van het vertrouwen in de anderen partijen. Dat moet echt anders.

----------
Linda Hulshof's illustratie geeft de twijfel over het vertrouwen prachtig weer.
Meer informatie: lindahulshof71@gmail.com

© 2022 Paul Bordewijk
powered by CJ2