archiefvorig nr.lopend nr.

Nummer 1
Jaargang 19
14 oktober 2021
Nummer 2 verschijnt op
28 oktober 2021
Beschouwingen > Brief uit ... delen printen terug
Wat is er heerlijker? Nienke Nieuwenhuizen

1818BS HeerlijkWat is er heerlijker dan fietsen! Zwemmen misschien. Beide sporten werden in mijn familie door iedereen gebezigd. Tantes en Ooms, Neven en Nichten incluis. Mijn generatie in de familie telde 6 zweminstructeurs, vier dames en twee heren.
Ook had mijn moeder een tante en oom die een fietsenwinkel hadden in Halfweg. De tante haalde de nieuwe banden voor de fietsen altijd uit Den Haag en dat deed ze? Op de fiets! Ze fietste nog toen ze over de negentig was. In deze tijd hoor en zie je dat wel vaker. Maar toen ik een kind was, was het al een unicum als iemand de negentig haalde.

Mijn zoon kan er ook wat van. Die is al vier keer naar mij toe gefietst. Van Volendam naar het zuiden van Portugal. De laatste keer vloog hij vanuit Nederland naar Agadir, en fietste via de Atlas naar de boot tussen Tanger en Spanje. Daar nam hij ook nog even een omweg om via het hooggelegen Sierra de Grazalema te fietsen. Hij fietst normaal 200km per dag en als het heel steil in de bergen is zo´n 150km.

Toen de vorige Leunstoel uitkwam bedankte ik Petra Busstra voor haar leuke tekening bij mijn verhaal. Nieuwsgierig geworden keek ik op haar site en zag daarbij een tekening van een meisje met enorme blokken op de trappers van haar fiets. En dat bracht mij terug naar de eerste fiets die ik bereed.
Ik werd geboren in 1941. Ik had zusters in de teenager-leeftijd, al heette dat toen nog niet zo. Zij waren 12 en 16 en mijn broers waren al hele mannen, zij waren 18 en 20 jaar oud bij mijn geboorte. Vanaf de leeftijd van twee jaar ging ik met mijn badpak gerold in een handdoek met de zussen mee naar het zwembad. Ook mijn moeder vergezelde ons vaak. In die tijd zat ik nog achterop in een rieten fietsstoeltje.

Het fietsen zelf leerde ik al staande op de fiets van één van mijn zussen. Je hing dan een beetje scheef over het frame en je kon nog niet over het hoge stuur kijken. Wij woonden in de Zaanstreek. Mijn oudste zus hield ook van zeilen. Ze nam me een keer mee naar de Zeilvereniging. Die vereniging heette de Onderlinge en was gevestigd aan de Kalverringdijk. Ik was toen vier en zij in de bevallige leeftijd van 20. Een leeftijd die haar vele zeilmaatjes opleverde en zo was ze altijd wel verzekerd van een leuk weekendje weg naar het Alkmaardermeer. Ze kwam dan heel vroeg op maandagmorgen terug, want je had in die tijd ook een avondklok. Mijn moeder dacht kennelijk laat ze maar lekker plezier hebben, want verder was er niet veel aan in die oorlogsdagen.
Maar om op dat fietsen terug te komen. Bij terugkomst van de zeilvereniging, mocht ik een stukje fietsen. We waren bij de Julianabrug. Mijn zus hield de fiets vast aan de bagagedrager, maar bij het talud van de brug kon ze de fiets niet meer houden en ik stoof in mijn eentje van de brug af over de Lagedijk de Guisweg op.

Mijn zuster liet ik verbijsterd en angstig achter. Ik had zeker alles al aardig onder de knie en ook geleerd te remmen, want zonder ongelukken kwam ik tot stilstand. Ik kon fietsen!
Zodoende moest er voor mij ook een fiets komen. Mijn vader had een frame op de kop getikt. Een tussenmaatje. Nog te groot voor mij, mijn vader trachtte het met blokken op de trappers op te lossen. Maar mijn beentjes waren nog heel kort en dus moesten er zulke hoge blokken op dat de trappers topzwaar werden en ze steeds omklapten. De volgende oplossing was met een klem het zadel vast te zetten aan de stang, waar normaal de zadelpen ingaat. Het frame stak zeker nog zo´n tien cm boven het zadel uit.
Niemand had zo´n fiets! Maar als ik mijn rok over die stang heen drapeerde zag niemand er wat van. En zo fietste ik met oudere nichtjes en neefjes naar het strand en naar de tweeling-tantes in Westzaan en Bloemendaal. Met de buurkinderen naar het zwembad etc. De constructie van het zadel aan het frame leverde veel gescheurde rokken op en bij het groter worden pijnlijke confrontaties met de stang en het heeft zeker nog tot mijn elfde jaar geduurd voordat het zadel in het frame kon en ik van het ´nooit uitgesproken´ taaie ongerief af was.

Toch heb ik aan het fietsen zelf nooit een hekel gekregen. Ook met mijn kinderen deden we alles fietsend. Boodschappen doen met scheurende Dirk van de Broektassen aan het stuur, één kind in het zitje voor en twee achterop de bagagedrager, al fietsend door de Jan Evertsenstraat in Amsterdam. Naar de camping in Bakkum met één kind voor en één achter en twee kinderen op de eigen fiets ernaast en -achter.

Ook zijn er ettelijke fietsen gestolen. In de Vespuccistraat in Amsterdam was het altijd maar de vraag of je fiets die je ´s avonds op slot had gezet er de volgende dag nog stond. Het was daar zo erg, dat een kennis me zijn nieuwe racefiets wilde laten zien, die hij voor de deur had vastgeklonken aan een boom. Na het trapklimmen en de verwelkoming, keken we uit het raam en zagen alleen nog het achterwiel en het grote fietsslot aan de boom hangen.
In Purmerend kreeg ik een schuur, wat een opluchting, maar daar werd de fiets gestolen tijdens een avondje uit op de Koemarkt.
Hier in Guerreiros heb ik een garage. Mijn fiets is er altijd! En ook als ik onderweg ben hoef ik nooit bang te zijn dat ik hem kwijt zal raken. Ik zet hem automatisch op slot, maar ook als ik dat niet zou doen, zou dat niets uitmaken. Één van de zegeningen van Portugal!

------
Het plaatje is van Petra Busstra
Meer informatie: www.petrabusstra.com

© 2021 Nienke Nieuwenhuizen meer Nienke Nieuwenhuizen - meer "Brief uit ..."
Beschouwingen > Brief uit ...
Wat is er heerlijker? Nienke Nieuwenhuizen
1818BS HeerlijkWat is er heerlijker dan fietsen! Zwemmen misschien. Beide sporten werden in mijn familie door iedereen gebezigd. Tantes en Ooms, Neven en Nichten incluis. Mijn generatie in de familie telde 6 zweminstructeurs, vier dames en twee heren.
Ook had mijn moeder een tante en oom die een fietsenwinkel hadden in Halfweg. De tante haalde de nieuwe banden voor de fietsen altijd uit Den Haag en dat deed ze? Op de fiets! Ze fietste nog toen ze over de negentig was. In deze tijd hoor en zie je dat wel vaker. Maar toen ik een kind was, was het al een unicum als iemand de negentig haalde.

Mijn zoon kan er ook wat van. Die is al vier keer naar mij toe gefietst. Van Volendam naar het zuiden van Portugal. De laatste keer vloog hij vanuit Nederland naar Agadir, en fietste via de Atlas naar de boot tussen Tanger en Spanje. Daar nam hij ook nog even een omweg om via het hooggelegen Sierra de Grazalema te fietsen. Hij fietst normaal 200km per dag en als het heel steil in de bergen is zo´n 150km.

Toen de vorige Leunstoel uitkwam bedankte ik Petra Busstra voor haar leuke tekening bij mijn verhaal. Nieuwsgierig geworden keek ik op haar site en zag daarbij een tekening van een meisje met enorme blokken op de trappers van haar fiets. En dat bracht mij terug naar de eerste fiets die ik bereed.
Ik werd geboren in 1941. Ik had zusters in de teenager-leeftijd, al heette dat toen nog niet zo. Zij waren 12 en 16 en mijn broers waren al hele mannen, zij waren 18 en 20 jaar oud bij mijn geboorte. Vanaf de leeftijd van twee jaar ging ik met mijn badpak gerold in een handdoek met de zussen mee naar het zwembad. Ook mijn moeder vergezelde ons vaak. In die tijd zat ik nog achterop in een rieten fietsstoeltje.

Het fietsen zelf leerde ik al staande op de fiets van één van mijn zussen. Je hing dan een beetje scheef over het frame en je kon nog niet over het hoge stuur kijken. Wij woonden in de Zaanstreek. Mijn oudste zus hield ook van zeilen. Ze nam me een keer mee naar de Zeilvereniging. Die vereniging heette de Onderlinge en was gevestigd aan de Kalverringdijk. Ik was toen vier en zij in de bevallige leeftijd van 20. Een leeftijd die haar vele zeilmaatjes opleverde en zo was ze altijd wel verzekerd van een leuk weekendje weg naar het Alkmaardermeer. Ze kwam dan heel vroeg op maandagmorgen terug, want je had in die tijd ook een avondklok. Mijn moeder dacht kennelijk laat ze maar lekker plezier hebben, want verder was er niet veel aan in die oorlogsdagen.
Maar om op dat fietsen terug te komen. Bij terugkomst van de zeilvereniging, mocht ik een stukje fietsen. We waren bij de Julianabrug. Mijn zus hield de fiets vast aan de bagagedrager, maar bij het talud van de brug kon ze de fiets niet meer houden en ik stoof in mijn eentje van de brug af over de Lagedijk de Guisweg op.

Mijn zuster liet ik verbijsterd en angstig achter. Ik had zeker alles al aardig onder de knie en ook geleerd te remmen, want zonder ongelukken kwam ik tot stilstand. Ik kon fietsen!
Zodoende moest er voor mij ook een fiets komen. Mijn vader had een frame op de kop getikt. Een tussenmaatje. Nog te groot voor mij, mijn vader trachtte het met blokken op de trappers op te lossen. Maar mijn beentjes waren nog heel kort en dus moesten er zulke hoge blokken op dat de trappers topzwaar werden en ze steeds omklapten. De volgende oplossing was met een klem het zadel vast te zetten aan de stang, waar normaal de zadelpen ingaat. Het frame stak zeker nog zo´n tien cm boven het zadel uit.
Niemand had zo´n fiets! Maar als ik mijn rok over die stang heen drapeerde zag niemand er wat van. En zo fietste ik met oudere nichtjes en neefjes naar het strand en naar de tweeling-tantes in Westzaan en Bloemendaal. Met de buurkinderen naar het zwembad etc. De constructie van het zadel aan het frame leverde veel gescheurde rokken op en bij het groter worden pijnlijke confrontaties met de stang en het heeft zeker nog tot mijn elfde jaar geduurd voordat het zadel in het frame kon en ik van het ´nooit uitgesproken´ taaie ongerief af was.

Toch heb ik aan het fietsen zelf nooit een hekel gekregen. Ook met mijn kinderen deden we alles fietsend. Boodschappen doen met scheurende Dirk van de Broektassen aan het stuur, één kind in het zitje voor en twee achterop de bagagedrager, al fietsend door de Jan Evertsenstraat in Amsterdam. Naar de camping in Bakkum met één kind voor en één achter en twee kinderen op de eigen fiets ernaast en -achter.

Ook zijn er ettelijke fietsen gestolen. In de Vespuccistraat in Amsterdam was het altijd maar de vraag of je fiets die je ´s avonds op slot had gezet er de volgende dag nog stond. Het was daar zo erg, dat een kennis me zijn nieuwe racefiets wilde laten zien, die hij voor de deur had vastgeklonken aan een boom. Na het trapklimmen en de verwelkoming, keken we uit het raam en zagen alleen nog het achterwiel en het grote fietsslot aan de boom hangen.
In Purmerend kreeg ik een schuur, wat een opluchting, maar daar werd de fiets gestolen tijdens een avondje uit op de Koemarkt.
Hier in Guerreiros heb ik een garage. Mijn fiets is er altijd! En ook als ik onderweg ben hoef ik nooit bang te zijn dat ik hem kwijt zal raken. Ik zet hem automatisch op slot, maar ook als ik dat niet zou doen, zou dat niets uitmaken. Één van de zegeningen van Portugal!

------
Het plaatje is van Petra Busstra
Meer informatie: www.petrabusstra.com
© 2021 Nienke Nieuwenhuizen
powered by CJ2