archiefvorig nr.lopend nr.

Nummer 11
Jaargang 18
25 maart 2021
Nummer 12 verschijnt op
15 april 2021
Beschouwingen > In de polder delen printen terug
Onrust is van alle tijden Paul Bordewijk

1808BS OnrustHet moet behoorlijk traumatiserend zijn wanneer je in een straat woont waar vandalen de boel kort en klein slaan en jouw winkel plunderen. Maar al hebben de slachtoffers daar weinig aan, bij alle verontwaardiging is toch ook enige relativering op zijn plaats. Door de eeuwen heen zijn er rellen geweest. Onrust is van alle tijden was daarom de titel van een bundel opstellen van de criminoloog Jac. van Weringh uit 1978. Ook nu de avondklokrellen tot bedaren zijn gekomen, moeten we onder ogen zien dat die rellen in een of andere vorm ook weer terug zullen komen.

Soms is het een protest tegen een politiek besluit, zoals de recente protesten tegen de avondklok. Maar geweld kent ook andere inspiratiebronnen. De beeldenstorm in 1566 was religieus geïnspireerd, maar even goed een orgie van vernielzucht. Het was ook de opmaat van de Nederlandse opstand, die in 1648 met de vrede van Munster zou eindigen en daarmee politiek relevant.
Maar voor het zover was raakten de opstandelingen sterk verdeeld tussen Arminianen en Gomaristen en ook dat leidde tot straatgeweld. Simon Vestdijk beschreef in zijn roman De Vuuraanbidders hoe in Leiden Gomaristen de huizen van rijke Arminianen plunderden en vernielden.
Ook daarna kwam tijdens de Republiek het volk regelmatig in verzet tegen de regenten. In 1672 werden daarbij de gebroeders De Witt vermoord en kwamen de Oranjes opnieuw op de stadhouderstroon. In 1748 was er het pachtersoproer, waarbij de huizen van de gehate belastingpachters geplunderd werden.

Van een andere orde was het Palingoproer in de Amsterdamse Jordaan, in 1886. Dat ontstond nadat het palingtrekken verboden was, een ‘spel’ waarbij een paling boven de gracht werd gehangen om daarna vanuit een bootje naar beneden te worden getrokken. Mensen probeerden dat toch en bij het neerslaan van het oproer, dat ontstond toen de politie dat wilde verhinderen, vielen liefst 26 doden. Dat is nog wat anders dan de rellen van dit jaar. Aanleiding was hier dus een cultureel verschil tussen hoog en laag opgeleiden over hoe om te gaan met dieren.
In 1917 leidde de slechte voedselsituatie tot het aardappeloproer, waarbij Amsterdamse arbeidersvrouwen zich meester maakten van voorraden aardappelen die voor elders bestemd waren. Er was weliswaar voldoende rijst, maar dat zouden hun mannen niet accepteren. Bij deze opstand vielen 9 doden en 114 gewonden.
Op 16 november 1951 waren er ongeregeldheden bij het gerechtsgebouw in Leeuwarden, vanwege een proces waarbij de inzet was het recht om Fries te spreken voor de rechtbank. ‘Kneppelfreed’ zou die dag gaan heten (Knuppelvrijdag), vanwege het door de politie gebruikte geweld. Het vloeide voort uit een conflict tussen hoog opgeleiden, die een voorrangspositie voor het door hun gesproken Nederlands opeisten en lager opgeleiden, die hun moedertaal Fries wilden kunnen spreken.

In 1966 verstoorden demonstranten uit de Provo beweging de trouwrit, met de gouden koets, van Prinses Beatrix en Claus von Amsberg, maar er werd dat jaar ook geprotesteerd tegen een nieuwe regeling voor de uitbetaling van het vakantiegeld aan bouwvakkers. Bij dat bouwvakkersoproer kwam één demonstrant om het leven, naar later bleek als gevolg van een hartaanval. De onrust leidde ook tot de val van burgemeester Van Hall.
Rond 1980 waren in allerlei plaatsen rellen waarbij huizen werden gekraakt. Dit culmineerde op 30 april toen Koningin Beatrix werd ingehuldigd en er massaal gekraakt en gedemonstreerd werd, onder de leus ‘Geen woning, geen kroning’. De politie kon maar ternauwernood verhinderen dat de Nieuwe Kerk, waar de inhuldiging plaats vond bestormd werd. Hier koppelde zich dus een economisch motief (de woningnood) aan een politiek-cultureel motief: de monarchie.

Rellen kunnen dus heel veel verschillende aanleidingen hebben: religieus, politiek, economisch en cultureel. Maar er is ook veel straatgeweld zonder een dergelijke aanleiding. Voetbalwedstrijden zijn vaak aanleiding voor vandalisme, net als de viering van oud en nieuw en het luilakfeest. Rellen kunnen ook uit het niets ontstaan. In 2012 had een meisje uit het Groningse Haren via Facebook te veel mensen uitgenodigd voor haar zestiende verjaardag, die op hun beurt de uitnodiging ook weer doorstuurden aan anderen. Het was te laat om het feest af te zeggen, er kwamen relschoppers en plunderaars op af en de ME werd ingezet. Bij elkaar 52 gewonden.
Er zijn kennelijk twee soorten motieven voor straatgeweld: ideologische, zoals religie, politiek en cultuur en het genot dat sommigen aan straatgeweld beleven. Bij de berechting van het recente straatgeweld vanwege de avondklok, verklaarde een deelnemer zijn gedrag met: ‘Ik voelde me machtig met die groep. Alsof we met een leger tegenover een ander leger stonden.’

In de jaren vijftig van de vorige eeuw was er het verschijnsel van de nozems, die regelmatig voor relletjes zorgden en over wie de journalist Jan Vrijman schreef: ‘Het gaat de nozems niet om een goed loon, om prettige arbeid, om bestaanszekerheid – het gaat ze om het volle pond: een volstrekte levensvervulling, iets wat iedere zenuw en hartvezel raakt, een wezenlijke levensvervulling – of zeg maar domweg geluk.’

Dat zie je ook bij intellectuelen. ‘Groots en meeslepend wil ik leven’, dichtte Jan Slauerhoff. In 1910 klaagde de jonge Duitse dichter Georg Heym: ‘Deze vrede is zo vies en vet als de lijmpolitoer op oude meubelen.’ Tijdens de studentenacties eind jaren zestig had ik ook altijd het gevoel dat het mijn leeftijdgenoten veel meer ging om de strijd zelf dan om wat men ermee zou willen bereiken. Daarvoor waren de doelen veel te vaag en onderling tegenstrijdig. Toen bij de gewelddadigheden in Parijs in 1968 de Trotskist Ernest Mandel zijn eigen auto in de brand zag vliegen, was zijn reactie: ‘Ah, Comme c’est beau. C’est la Révolution.’

Er bestaat zo een latente behoefte om geweld te plegen, wat los kan komen wanneer daar een aanleiding voor is, of het nu de beeldenstorm is of de verjaardag van een zestienjarig meisje dat niet goed heeft nagedacht. De maatschappij lijkt op een oververzadigde vloeistof, die bij toevoeging van één ent kristal ineens kan stollen. Zoiets is er gebeurd bij de invoering van de avondklok. Gelukkig lijkt het nu weer over. Maar het kan altijd weer terugkomen. Alleen wanneer, dat weet je niet.

-----
Het plaatje is van Han Busstra


© 2021 Paul Bordewijk meer Paul Bordewijk - meer "In de polder" -
Beschouwingen > In de polder
Onrust is van alle tijden Paul Bordewijk
1808BS OnrustHet moet behoorlijk traumatiserend zijn wanneer je in een straat woont waar vandalen de boel kort en klein slaan en jouw winkel plunderen. Maar al hebben de slachtoffers daar weinig aan, bij alle verontwaardiging is toch ook enige relativering op zijn plaats. Door de eeuwen heen zijn er rellen geweest. Onrust is van alle tijden was daarom de titel van een bundel opstellen van de criminoloog Jac. van Weringh uit 1978. Ook nu de avondklokrellen tot bedaren zijn gekomen, moeten we onder ogen zien dat die rellen in een of andere vorm ook weer terug zullen komen.

Soms is het een protest tegen een politiek besluit, zoals de recente protesten tegen de avondklok. Maar geweld kent ook andere inspiratiebronnen. De beeldenstorm in 1566 was religieus geïnspireerd, maar even goed een orgie van vernielzucht. Het was ook de opmaat van de Nederlandse opstand, die in 1648 met de vrede van Munster zou eindigen en daarmee politiek relevant.
Maar voor het zover was raakten de opstandelingen sterk verdeeld tussen Arminianen en Gomaristen en ook dat leidde tot straatgeweld. Simon Vestdijk beschreef in zijn roman De Vuuraanbidders hoe in Leiden Gomaristen de huizen van rijke Arminianen plunderden en vernielden.
Ook daarna kwam tijdens de Republiek het volk regelmatig in verzet tegen de regenten. In 1672 werden daarbij de gebroeders De Witt vermoord en kwamen de Oranjes opnieuw op de stadhouderstroon. In 1748 was er het pachtersoproer, waarbij de huizen van de gehate belastingpachters geplunderd werden.

Van een andere orde was het Palingoproer in de Amsterdamse Jordaan, in 1886. Dat ontstond nadat het palingtrekken verboden was, een ‘spel’ waarbij een paling boven de gracht werd gehangen om daarna vanuit een bootje naar beneden te worden getrokken. Mensen probeerden dat toch en bij het neerslaan van het oproer, dat ontstond toen de politie dat wilde verhinderen, vielen liefst 26 doden. Dat is nog wat anders dan de rellen van dit jaar. Aanleiding was hier dus een cultureel verschil tussen hoog en laag opgeleiden over hoe om te gaan met dieren.
In 1917 leidde de slechte voedselsituatie tot het aardappeloproer, waarbij Amsterdamse arbeidersvrouwen zich meester maakten van voorraden aardappelen die voor elders bestemd waren. Er was weliswaar voldoende rijst, maar dat zouden hun mannen niet accepteren. Bij deze opstand vielen 9 doden en 114 gewonden.
Op 16 november 1951 waren er ongeregeldheden bij het gerechtsgebouw in Leeuwarden, vanwege een proces waarbij de inzet was het recht om Fries te spreken voor de rechtbank. ‘Kneppelfreed’ zou die dag gaan heten (Knuppelvrijdag), vanwege het door de politie gebruikte geweld. Het vloeide voort uit een conflict tussen hoog opgeleiden, die een voorrangspositie voor het door hun gesproken Nederlands opeisten en lager opgeleiden, die hun moedertaal Fries wilden kunnen spreken.

In 1966 verstoorden demonstranten uit de Provo beweging de trouwrit, met de gouden koets, van Prinses Beatrix en Claus von Amsberg, maar er werd dat jaar ook geprotesteerd tegen een nieuwe regeling voor de uitbetaling van het vakantiegeld aan bouwvakkers. Bij dat bouwvakkersoproer kwam één demonstrant om het leven, naar later bleek als gevolg van een hartaanval. De onrust leidde ook tot de val van burgemeester Van Hall.
Rond 1980 waren in allerlei plaatsen rellen waarbij huizen werden gekraakt. Dit culmineerde op 30 april toen Koningin Beatrix werd ingehuldigd en er massaal gekraakt en gedemonstreerd werd, onder de leus ‘Geen woning, geen kroning’. De politie kon maar ternauwernood verhinderen dat de Nieuwe Kerk, waar de inhuldiging plaats vond bestormd werd. Hier koppelde zich dus een economisch motief (de woningnood) aan een politiek-cultureel motief: de monarchie.

Rellen kunnen dus heel veel verschillende aanleidingen hebben: religieus, politiek, economisch en cultureel. Maar er is ook veel straatgeweld zonder een dergelijke aanleiding. Voetbalwedstrijden zijn vaak aanleiding voor vandalisme, net als de viering van oud en nieuw en het luilakfeest. Rellen kunnen ook uit het niets ontstaan. In 2012 had een meisje uit het Groningse Haren via Facebook te veel mensen uitgenodigd voor haar zestiende verjaardag, die op hun beurt de uitnodiging ook weer doorstuurden aan anderen. Het was te laat om het feest af te zeggen, er kwamen relschoppers en plunderaars op af en de ME werd ingezet. Bij elkaar 52 gewonden.
Er zijn kennelijk twee soorten motieven voor straatgeweld: ideologische, zoals religie, politiek en cultuur en het genot dat sommigen aan straatgeweld beleven. Bij de berechting van het recente straatgeweld vanwege de avondklok, verklaarde een deelnemer zijn gedrag met: ‘Ik voelde me machtig met die groep. Alsof we met een leger tegenover een ander leger stonden.’

In de jaren vijftig van de vorige eeuw was er het verschijnsel van de nozems, die regelmatig voor relletjes zorgden en over wie de journalist Jan Vrijman schreef: ‘Het gaat de nozems niet om een goed loon, om prettige arbeid, om bestaanszekerheid – het gaat ze om het volle pond: een volstrekte levensvervulling, iets wat iedere zenuw en hartvezel raakt, een wezenlijke levensvervulling – of zeg maar domweg geluk.’

Dat zie je ook bij intellectuelen. ‘Groots en meeslepend wil ik leven’, dichtte Jan Slauerhoff. In 1910 klaagde de jonge Duitse dichter Georg Heym: ‘Deze vrede is zo vies en vet als de lijmpolitoer op oude meubelen.’ Tijdens de studentenacties eind jaren zestig had ik ook altijd het gevoel dat het mijn leeftijdgenoten veel meer ging om de strijd zelf dan om wat men ermee zou willen bereiken. Daarvoor waren de doelen veel te vaag en onderling tegenstrijdig. Toen bij de gewelddadigheden in Parijs in 1968 de Trotskist Ernest Mandel zijn eigen auto in de brand zag vliegen, was zijn reactie: ‘Ah, Comme c’est beau. C’est la Révolution.’

Er bestaat zo een latente behoefte om geweld te plegen, wat los kan komen wanneer daar een aanleiding voor is, of het nu de beeldenstorm is of de verjaardag van een zestienjarig meisje dat niet goed heeft nagedacht. De maatschappij lijkt op een oververzadigde vloeistof, die bij toevoeging van één ent kristal ineens kan stollen. Zoiets is er gebeurd bij de invoering van de avondklok. Gelukkig lijkt het nu weer over. Maar het kan altijd weer terugkomen. Alleen wanneer, dat weet je niet.

-----
Het plaatje is van Han Busstra
© 2021 Paul Bordewijk
powered by CJ2