archiefvorig nr.lopend nr.

Nummer 1
Jaargang 18
15 oktober 2020
Nummer 2 verschijnt op
29 oktober 2020
Vermaak en Genot > De wereldliteratuur roept delen printen terug
Igor Cornelissen over van alles en nog wat Willem Minderhout

1718VG IgorTijdens een van de laatste dagen van de vakantie bekroop mij het verlangen om de heide in bloei te zien staan. En niet zo maar ergens, maar op de Holterberg. Ik was al heel lang niet op de Sallandse heuvelrug geweest zodat die in mijn geheugen mythische proporties had aangenomen. Het viel niet tegen. De heide stond inderdaad uitbundig te bloeien. De koffie bij het ‘Los Hoes’ was prima. De boswandeling was prettig.
Mijn herinneringen aan Holten en Nijverdal bleken echter niet te kloppen. Wat een saaie dorpen zijn dat! Ik besloot voor het middagprogramma naar Zwolle te gaan. Ook deze fraaie Hanzestad had ik al lang niet meer bezocht. Bovendien had ik een speciaal doel: Cafe de Hete Brij. Dit café wordt namelijk in lovende woorden bezongen door de befaamde journalist uit de hoogtijdagen van Vrij Nederland Igor Cornelissen in ‘Mijn opa rookte ook een pijp’, het vijfde deel van zijn autobiografische reeks.

Tijdens de reconstructie van het verzetsverleden van Co Dankaart had ik mijn Cornelissen-collectie weer eens uit de kast gehaald. Cornelissen is dé specialist op het gebied van allerlei boeiende randfiguren, vooral ter linkerzijde van het politieke spectrum. Aan Sovjetspionnen heeft hij zelfs een omvangrijke studie gewijd, zij het dat hij een ander soort spionnen had onderzocht dan de Komintern-groep van Daan Goulooze en Co Dankaart. Om dat milieu te begrijpen vind ik Cornelissens boeken, met name zijn biografieën van Paul de Groot en Joop Zwart, een stuk leerzamer – en bovendien veel grappiger – dan het dooie proza van een ‘historicus van socialisme en arbeidersbeweging’ als Ger Harmsen. 

Onlangs ontdekte ik dat Cornelissen een actieve twitteraar is geworden. Vanuit zijn woonplaats Zwolle bestiert hij, samen met zijn compagnon De Jong, het antiquariaat ‘t Wasdom . Ik krijg de indruk dat hij vooral zijn eigen uit de hand gelopen boekencollectie aan het slijten is. 
Dankzij zijn twitteractiviteiten wist ik dat er weer een nieuw deel van zijn autobiografische reeks was verschenen, Ik had het onmiddellijk aangeschaft en in één ruk uitgelezen. Een bezoek aan de stad Zwolle, die zoals gewoonlijk een belangrijke rol speelt in zijn herinneringen, lag dus ook alleszins voor de hand.

Ik had geluk. Op de tast parkeerde ik mijn auto aan de rand van de Zwolse binnenstad. Ik bleek op de hoek van de Philosofenallee te zijn aanbeland. Hier woonde ooit, zo weet ik van Cornelissen, de befaamde revolutionair-socialist Henk Sneevliet. Op de andere hoek begint de Vondelkade, waar de auteur zelf alweer lange tijd woont in wat eens het ouderlijk huis was.
Ik ben daar ooit geweest. Met een groepje Leidse geschiedenisstudenten die de ‘fellow travelers’ bestudeerden waren we in de auto van onze docent Piet de Buck naar de Vondelkade gereden voor een college van Igor zelf. Waar we het over hadden weet ik niet meer, ik herinner me alleen levendig dat Cornelissen al trampoline springend op zijn fauteuil allerlei obscure brochures uit de kast trok die iets met het besproken onderwerp te maken hadden.

Langs het geboortehuis van Thorbecke, een niet onbelangrijk Zwols politicus voor wie Cornelissen volgens mij nog nooit enige belangstelling heeft getoond, liep ik naar het oude centrum waar ik tegen de enorme kerk, de Broerenkerk, waar boekhandel Waanders gevestigd is aanliep. Waanders was in een vorig deel van Cornelissens herinneringen – ‘ Terug naar Zwolle’ – ook al onderwerp van gesprek. Hij had toen ook de grootste boekhandel – en uitgeverij – van Zwolle, maar dat was in een pand aan de markt. In ‘Mijn opa rookte ook een pijp’ beschrijft Cornelissen zijn goede samenwerking met Wim Waanders, dus ik verwachtte een hele stapel van zijn boeken bij de kassa. Ik heb ze echter nergens aangetroffen. Wellicht dat de beschrijving van zijn emotionele uitbarstingen niet helemaal in goede aarde zijn gevallen. Of misschien betreft het gewoon een gebrek aan commercieel potentieel? Heeft de gemiddelde Zwollenaar geen belangstelling voor zijn beroemde stadgenoot Cornelissen? De titel van dit deel – ‘ Mijn opa rookte ook een pijp’ - geeft wel een indicatie. Cornelissens opa rookte namelijk geen pijp. De symbolische betekenis van deze metafoor zoekt u zelf maar op.

De tweede keer dat ik Cornelissen ‘live’ heb gezien was toen er een boek over de OSP (Onafhankelijke Socialistische Partij) van Jacques de Kadt werd gepresenteerd op het Internationaal Instituut voor Sociale Geschiedenis. Ik was daar met mijn stokoude vriendin Frieda Haas, die als dochter van OSP-activisten haar herinneringen met Bart de Cort, de auteur, had gedeeld. Van de OSP, de RSP en hoe al die andere linkse splinters ook mochten heten wist Cornelissen natuurlijk alles af.

In 'Mijn vader rookte ook een pijp' beperkt Cornelissen zich geenszins tot linkse buitenbeentjes. Ook de bevindelijk gereformeerden van Genemuiden mogen op zijn warme belangstelling rekenen. Hij ontdekt vele overeenkomsten tussen het geloof der mannenbroeders en het geloof der kameraden.
Toevalligerwijs was ik net dat gedeelte van zijn herinneringen aan het lezen toen het AD het nieuws bracht dat Jan van Dijk (51) uit Genemuiden 'voor het leven getekend' was na een aanval met een snijbrander door afvalondernemer Albert T. (50) uit (het al even reformatorische) Rouveen. Is het verval der zeden ook in deze kringen al doorgedrongen?

Waar gaat het boek over? Zoals te doen gebruikelijk is het een grabbelton van verhaaltjes die af en toe enige samenhang vertonen. De ondertitel, ‘Joodse wortels en ander (on)gemak’, geeft wel enigszins een indicatie. Cornelissen is veel meer geïnteresseerd in de familie van zijn Joodse moeder dan van zijn gojse vader. Waarschijnlijk omdat die tak van de familie een stuk schilderachtiger is.

Ook de eerste Haagse Jood komt er in voor, Samuel Palache, de afgezant van de Marokkaanse koning. Palache komt ook voor in een stukje dat ik ooit over Joods Den Haag schreef (http://www.deleunstoel.nl/home.php?vorig_nr=true&huidig_aflevering_id=165&artikel_id=3282). Ik had de naam echter verkeerd gespeld. Ik weet niet of ‘Palanche’ mijn fout was of van Thera Wijsenbeek op wier artikel ik mijn kennis had gebaseerd. Het stond in: 'Den Haag. Geschiedenis van de stad'. Dat boek blijkt ook door Waanders te zijn uitgegeven. Ik kan het boek niet meer terugvinden in mijn boekenkast dus ik kon dit niet controleren.

Het grappige is dat Cornelissen zijn kennismaking beschrijft met Ronit Palache, die onlangs in het nieuws was vanwege haar boek over Ischa Meijer. Zij blijkt een afstammeling van die Marokkaanse gezant te zijn. Dat kwartje was bij het horen van haar naam niet gevallen en dat is dus een van die anekdotes die het lezen van Cornelissen zo leuk maakt.

Cornelissen maakt zelf overigens ook wel eens een spelfout. Zo noemt hij het prachtige Groningse dorp Garnwerd ‘Garnswerd’. Normaal gesproken zou ik daar onlangs weer geweest zijn voor de Zomer Jazzfietstour die zich eind augustus altijd in Garnwerd en omstreken afspeelt.  Helaas heeft corona ook deze traditie verstoord. De kans dat ik Cornelissen daar zal aantreffen is overigens klein. Nog afgezien van het feit dat hij na een val niet meer fietst, denk ik niet dat de daar ten gehore gebrachte jazz aan zijn criteria zal voldoen. Duke Ellington vindt hij eigenlijk al te modern, denk ik. Toch staan al zijn boeken vol jazzverhalen. Bij het lezen van Cornelissen raad ik daarom aan Fats Waller of Jelly Roll Morton op te zetten. (Waarbij ik dan wel weer wil aantekenen dat ik het een gemiste kans vindt dat hij niet ingaat op de betekenis van de bijnaam ‘jelly roll’  in zijn beschrijving van de heer Morton. De belangstellende jeugd heeft recht op dit soort informatie!)

Af en toe is het ook een soort kookboek. Cornelissen laat het zich graag smaken en hij onthult ook de bereidingswijze als dat zo van pas komt. Van gepaneerde kalfshersenen, bijvoorbeeld.

Mooi vind ik ook de beschrijving van ‘mislukte projecten’, zoals de vergeefse zoektocht naar schimmige figuren als Hans Brusse en Hans Grelinger, waar je het verhaal van ‘Pups’ gratis bij krijgt.
De rode draad in dit deel is waarschijnlijk te danken aan Max Pam, die ooit gezegd blijkt te hebben dat het archief van Cornelissen niets voorstelt. Dit leidt tot een terugkerend potje Pampesten.

Ondertussen had ik, met behulp van Google, Café de Hete Brij gevonden. Als ik aan de bar plaatsneem zie ik Elles Hetebrij, de baas van het spul, zelf aan het raam zitten. Ze zit druk te telefoneren en te typen op haar laptop. Naast haar laptop ligt Igors nieuwste meesterwerk. Terwijl ik geniet van een speciaal voor dit etablissement gebrouwen ‘Blonde Brij’  onthul ik haar de reden van mijn komst. Ze probeert onmiddellijk de auteur te bellen, maar – tot mijn opluchting, want ik voelde me daarover een beetje opgelaten – is hij onbereikbaar. ‘Het zou toch leuk zijn als hij jouw boek zou signeren?’, zegt ze. Dat zou inderdaad leuk zijn, maar ik heb mijn exemplaar niet bij me en bovendien is het al gesigneerd. Tijdens een ‘online signeersessie’. Ja, ja. Geen mens mag tegenwoordig meer pijproken, maar toch gaat de oude Igor met zijn tijd mee. Ik was helaas niet in staat om tijdens deze sessie in te loggen. Maar het is het idee dat telt. Hopelijk rolt er nog een deel herinneringen uit zijn archief.

Ik moet in ieder geval snel weer eens terug naar Zwolle. Gewoontegetrouw had ik alle hoeken en gaten van deze fraaie stad gefotografeerd, maar thuisgekomen bleek dat de geheugenkaart niet goed in mijn fototoestel had gezeten. Gelukkig had ik het interieur van de Hete Brij met mijn telefoon gefotografeerd!

-------
Het plaatje is van de schrijver zelf


© 2020 Willem Minderhout meer Willem Minderhout - meer "De wereldliteratuur roept" -
Vermaak en Genot > De wereldliteratuur roept
Igor Cornelissen over van alles en nog wat Willem Minderhout
1718VG IgorTijdens een van de laatste dagen van de vakantie bekroop mij het verlangen om de heide in bloei te zien staan. En niet zo maar ergens, maar op de Holterberg. Ik was al heel lang niet op de Sallandse heuvelrug geweest zodat die in mijn geheugen mythische proporties had aangenomen. Het viel niet tegen. De heide stond inderdaad uitbundig te bloeien. De koffie bij het ‘Los Hoes’ was prima. De boswandeling was prettig.
Mijn herinneringen aan Holten en Nijverdal bleken echter niet te kloppen. Wat een saaie dorpen zijn dat! Ik besloot voor het middagprogramma naar Zwolle te gaan. Ook deze fraaie Hanzestad had ik al lang niet meer bezocht. Bovendien had ik een speciaal doel: Cafe de Hete Brij. Dit café wordt namelijk in lovende woorden bezongen door de befaamde journalist uit de hoogtijdagen van Vrij Nederland Igor Cornelissen in ‘Mijn opa rookte ook een pijp’, het vijfde deel van zijn autobiografische reeks.

Tijdens de reconstructie van het verzetsverleden van Co Dankaart had ik mijn Cornelissen-collectie weer eens uit de kast gehaald. Cornelissen is dé specialist op het gebied van allerlei boeiende randfiguren, vooral ter linkerzijde van het politieke spectrum. Aan Sovjetspionnen heeft hij zelfs een omvangrijke studie gewijd, zij het dat hij een ander soort spionnen had onderzocht dan de Komintern-groep van Daan Goulooze en Co Dankaart. Om dat milieu te begrijpen vind ik Cornelissens boeken, met name zijn biografieën van Paul de Groot en Joop Zwart, een stuk leerzamer – en bovendien veel grappiger – dan het dooie proza van een ‘historicus van socialisme en arbeidersbeweging’ als Ger Harmsen. 

Onlangs ontdekte ik dat Cornelissen een actieve twitteraar is geworden. Vanuit zijn woonplaats Zwolle bestiert hij, samen met zijn compagnon De Jong, het antiquariaat ‘t Wasdom . Ik krijg de indruk dat hij vooral zijn eigen uit de hand gelopen boekencollectie aan het slijten is. 
Dankzij zijn twitteractiviteiten wist ik dat er weer een nieuw deel van zijn autobiografische reeks was verschenen, Ik had het onmiddellijk aangeschaft en in één ruk uitgelezen. Een bezoek aan de stad Zwolle, die zoals gewoonlijk een belangrijke rol speelt in zijn herinneringen, lag dus ook alleszins voor de hand.

Ik had geluk. Op de tast parkeerde ik mijn auto aan de rand van de Zwolse binnenstad. Ik bleek op de hoek van de Philosofenallee te zijn aanbeland. Hier woonde ooit, zo weet ik van Cornelissen, de befaamde revolutionair-socialist Henk Sneevliet. Op de andere hoek begint de Vondelkade, waar de auteur zelf alweer lange tijd woont in wat eens het ouderlijk huis was.
Ik ben daar ooit geweest. Met een groepje Leidse geschiedenisstudenten die de ‘fellow travelers’ bestudeerden waren we in de auto van onze docent Piet de Buck naar de Vondelkade gereden voor een college van Igor zelf. Waar we het over hadden weet ik niet meer, ik herinner me alleen levendig dat Cornelissen al trampoline springend op zijn fauteuil allerlei obscure brochures uit de kast trok die iets met het besproken onderwerp te maken hadden.

Langs het geboortehuis van Thorbecke, een niet onbelangrijk Zwols politicus voor wie Cornelissen volgens mij nog nooit enige belangstelling heeft getoond, liep ik naar het oude centrum waar ik tegen de enorme kerk, de Broerenkerk, waar boekhandel Waanders gevestigd is aanliep. Waanders was in een vorig deel van Cornelissens herinneringen – ‘ Terug naar Zwolle’ – ook al onderwerp van gesprek. Hij had toen ook de grootste boekhandel – en uitgeverij – van Zwolle, maar dat was in een pand aan de markt. In ‘Mijn opa rookte ook een pijp’ beschrijft Cornelissen zijn goede samenwerking met Wim Waanders, dus ik verwachtte een hele stapel van zijn boeken bij de kassa. Ik heb ze echter nergens aangetroffen. Wellicht dat de beschrijving van zijn emotionele uitbarstingen niet helemaal in goede aarde zijn gevallen. Of misschien betreft het gewoon een gebrek aan commercieel potentieel? Heeft de gemiddelde Zwollenaar geen belangstelling voor zijn beroemde stadgenoot Cornelissen? De titel van dit deel – ‘ Mijn opa rookte ook een pijp’ - geeft wel een indicatie. Cornelissens opa rookte namelijk geen pijp. De symbolische betekenis van deze metafoor zoekt u zelf maar op.

De tweede keer dat ik Cornelissen ‘live’ heb gezien was toen er een boek over de OSP (Onafhankelijke Socialistische Partij) van Jacques de Kadt werd gepresenteerd op het Internationaal Instituut voor Sociale Geschiedenis. Ik was daar met mijn stokoude vriendin Frieda Haas, die als dochter van OSP-activisten haar herinneringen met Bart de Cort, de auteur, had gedeeld. Van de OSP, de RSP en hoe al die andere linkse splinters ook mochten heten wist Cornelissen natuurlijk alles af.

In 'Mijn vader rookte ook een pijp' beperkt Cornelissen zich geenszins tot linkse buitenbeentjes. Ook de bevindelijk gereformeerden van Genemuiden mogen op zijn warme belangstelling rekenen. Hij ontdekt vele overeenkomsten tussen het geloof der mannenbroeders en het geloof der kameraden.
Toevalligerwijs was ik net dat gedeelte van zijn herinneringen aan het lezen toen het AD het nieuws bracht dat Jan van Dijk (51) uit Genemuiden 'voor het leven getekend' was na een aanval met een snijbrander door afvalondernemer Albert T. (50) uit (het al even reformatorische) Rouveen. Is het verval der zeden ook in deze kringen al doorgedrongen?

Waar gaat het boek over? Zoals te doen gebruikelijk is het een grabbelton van verhaaltjes die af en toe enige samenhang vertonen. De ondertitel, ‘Joodse wortels en ander (on)gemak’, geeft wel enigszins een indicatie. Cornelissen is veel meer geïnteresseerd in de familie van zijn Joodse moeder dan van zijn gojse vader. Waarschijnlijk omdat die tak van de familie een stuk schilderachtiger is.

Ook de eerste Haagse Jood komt er in voor, Samuel Palache, de afgezant van de Marokkaanse koning. Palache komt ook voor in een stukje dat ik ooit over Joods Den Haag schreef (http://www.deleunstoel.nl/home.php?vorig_nr=true&huidig_aflevering_id=165&artikel_id=3282). Ik had de naam echter verkeerd gespeld. Ik weet niet of ‘Palanche’ mijn fout was of van Thera Wijsenbeek op wier artikel ik mijn kennis had gebaseerd. Het stond in: 'Den Haag. Geschiedenis van de stad'. Dat boek blijkt ook door Waanders te zijn uitgegeven. Ik kan het boek niet meer terugvinden in mijn boekenkast dus ik kon dit niet controleren.

Het grappige is dat Cornelissen zijn kennismaking beschrijft met Ronit Palache, die onlangs in het nieuws was vanwege haar boek over Ischa Meijer. Zij blijkt een afstammeling van die Marokkaanse gezant te zijn. Dat kwartje was bij het horen van haar naam niet gevallen en dat is dus een van die anekdotes die het lezen van Cornelissen zo leuk maakt.

Cornelissen maakt zelf overigens ook wel eens een spelfout. Zo noemt hij het prachtige Groningse dorp Garnwerd ‘Garnswerd’. Normaal gesproken zou ik daar onlangs weer geweest zijn voor de Zomer Jazzfietstour die zich eind augustus altijd in Garnwerd en omstreken afspeelt.  Helaas heeft corona ook deze traditie verstoord. De kans dat ik Cornelissen daar zal aantreffen is overigens klein. Nog afgezien van het feit dat hij na een val niet meer fietst, denk ik niet dat de daar ten gehore gebrachte jazz aan zijn criteria zal voldoen. Duke Ellington vindt hij eigenlijk al te modern, denk ik. Toch staan al zijn boeken vol jazzverhalen. Bij het lezen van Cornelissen raad ik daarom aan Fats Waller of Jelly Roll Morton op te zetten. (Waarbij ik dan wel weer wil aantekenen dat ik het een gemiste kans vindt dat hij niet ingaat op de betekenis van de bijnaam ‘jelly roll’  in zijn beschrijving van de heer Morton. De belangstellende jeugd heeft recht op dit soort informatie!)

Af en toe is het ook een soort kookboek. Cornelissen laat het zich graag smaken en hij onthult ook de bereidingswijze als dat zo van pas komt. Van gepaneerde kalfshersenen, bijvoorbeeld.

Mooi vind ik ook de beschrijving van ‘mislukte projecten’, zoals de vergeefse zoektocht naar schimmige figuren als Hans Brusse en Hans Grelinger, waar je het verhaal van ‘Pups’ gratis bij krijgt.
De rode draad in dit deel is waarschijnlijk te danken aan Max Pam, die ooit gezegd blijkt te hebben dat het archief van Cornelissen niets voorstelt. Dit leidt tot een terugkerend potje Pampesten.

Ondertussen had ik, met behulp van Google, Café de Hete Brij gevonden. Als ik aan de bar plaatsneem zie ik Elles Hetebrij, de baas van het spul, zelf aan het raam zitten. Ze zit druk te telefoneren en te typen op haar laptop. Naast haar laptop ligt Igors nieuwste meesterwerk. Terwijl ik geniet van een speciaal voor dit etablissement gebrouwen ‘Blonde Brij’  onthul ik haar de reden van mijn komst. Ze probeert onmiddellijk de auteur te bellen, maar – tot mijn opluchting, want ik voelde me daarover een beetje opgelaten – is hij onbereikbaar. ‘Het zou toch leuk zijn als hij jouw boek zou signeren?’, zegt ze. Dat zou inderdaad leuk zijn, maar ik heb mijn exemplaar niet bij me en bovendien is het al gesigneerd. Tijdens een ‘online signeersessie’. Ja, ja. Geen mens mag tegenwoordig meer pijproken, maar toch gaat de oude Igor met zijn tijd mee. Ik was helaas niet in staat om tijdens deze sessie in te loggen. Maar het is het idee dat telt. Hopelijk rolt er nog een deel herinneringen uit zijn archief.

Ik moet in ieder geval snel weer eens terug naar Zwolle. Gewoontegetrouw had ik alle hoeken en gaten van deze fraaie stad gefotografeerd, maar thuisgekomen bleek dat de geheugenkaart niet goed in mijn fototoestel had gezeten. Gelukkig had ik het interieur van de Hete Brij met mijn telefoon gefotografeerd!

-------
Het plaatje is van de schrijver zelf
© 2020 Willem Minderhout
powered by CJ2