archiefvorig nr.lopend nr.

Nummer 17
Jaargang 17
2 juli 2020
Nummer 18 verschijnt op
3 september 2020
Vermaak en Genot > De wereldliteratuur roept delen printen terug
Yuval Noah Harari (2) Carlo van Praag

1717VG harari1Deel 1 van deze bespreking was gewijd aan Harari’s geschiedenis van de mensheid, die eindigde met de fase waarin het humanisme in zijn liberalistische vorm de dominante ideologie is geworden. De ‘imagined realities’, ook wel ‘gedeelde mythen’ (een centraal begrip in het relaas van Harari), zijn in het humanisme van inhoud veranderd. Goden of een enkele godheid hebben plaatsgemaakt voor de verering van de mens zelf.

Niet alleen de godsdiensten van het verleden centreren zich rond ‘imagined realities’, maar ook de moderne humanistische religies als het liberalisme en het socialisme. Harari noemt elke ideologie op basis van onbewezen premissen een religie. Het liberalisme dat uitgaat van de gelijkwaardigheid en de vrije wil van de mensen is dus een religie. De gelijkwaardigheid van alle mensen is immers een these van morele aard, waaraan niets valt te bewijzen, en de vrije wil bestaat volgens Harari helemaal niet. De mens heeft geen vrije wil, maar wordt geregeerd door zijn biochemisch systeem, een verzameling neurale mechanismen. Hij bedenkt achteraf het verhaal dat de chaos van impulsen een coherent aanzien moet geven. Volgens Harari is dit een wetenschappelijk uitgemaakte zaak. Victor Lamme (‘De vrije wil bestaat niet’) en Dick Swaab (‘Wij zijn ons brein’) heeft hij aan zijn zijde, maar Daniel Denett (cognitiewetenschapper en filosoof) en vele anderen gaan hierin niet mee. Zij achten het optreden van neurochemische processen niet onverenigbaar met het bestaan van een vrije wil. Van een wetenschappelijk vaststaande waarheid over de vrije wil kan men in elk geval niet spreken.

Het soort stelligheid, waarvan Harari hier getuigt, is hem ook verder niet vreemd. Zo doet hij voorkomen of de mensheid collectief in het stadium van het liberalisme verkeert, een religie die geen serieuze concurrenten meer zou hebben. Communisme en islamisme voeren hooguit achterhoedegevechten. De schrijver vindt het niet nodig zijn stelling te nuanceren met de vermelding dat de liberale democratie met bijbehorende mensenrechten zich slechts uitstrekt tot de grenzen van ons kleine westerse wereldje en zelfs daar bedreigd wordt. De mondiale regressie waarvan wij momenteel getuige zijn, is blijkbaar niet meer dan een dipje in een verder consequent verlopende curve.

Nu de toekomst. Verwacht geen voor de hand liggende rampscenario’s, zoals van een schip dat op de klippen koerst, terwijl de bemanning vechtend over het dek rolt. Dus geen totale destructie van het milieu of een alles vernietigende oorlog. De toekomst staat in het teken van de technologie, met name de ontwikkeling van kunstmatige intelligentie, en voorts van genetische ingrepen. De kunstmatige intelligentie neemt de meeste thans door mensen verrichte taken over en meer dan dat. Zij neemt ook bezit van de mens zelf, want op den duur kent zij de mensen beter dan mensen zichzelf kennen. Zij kent hun verlangens en kan hun beslissingen sturen en de mensen zullen zich dat laten welgevallen, zoals zij nu hun navigatie aan Tomtom overlaten. Het ‘internet of all things’ beperkt zich niet meer tot het verbinden van apparaten en objecten, maar maakt zich meester van de menselijke geest, van zijn gedachten, emoties en beslissingen.

Biochemische manipulatie maakt het in eerste instantie mogelijk om ziekten en gebreken uit te bannen en organen te herstellen, maar vervolgens zal de mens zichzelf via deze weg opwaarderen. Lichamelijke en geestelijke capaciteiten zullen naar een hoger niveau worden getild. Voornoemde kunstmatige intelligentie zal bovendien als externe bron voor deze zelfpromotie kunnen worden aangesproken. Nanorobots in het menselijk lichaam worden door externe computeralgoritmen aangestuurd. Aan de einder ligt wellicht onsterfelijkheid waarmee de mens pas werkelijk godheid, Homo Deus, is geworden.

Terwijl gezondheidszorg onder de sociale voorzieningen valt (ten minste in onze contreien, merk ik op), zal dit niet gelden voor opwaardering van lichaam en geest. De toegang daartoe zal beperkt zijn tot de welgestelden en hooguit met grote vertraging de minder gefortuneerden bereiken. Er ontstaat een klasse van supermensen die de rest achter zich zal laten. Het is maar1717VG Harari2 de vraag of de supermensen zich zullen bekommeren om deze massale onderklasse. Anders dan in vroeger tijden is deze klasse onbruikbaar. Er is geen arbeid meer die door haar verricht moet worden en er zijn geen omvangrijke legers meer waarin zij moet dienen. Er blijft weinig of geen arbeid over waarvoor menselijke spierkracht en menselijk denkvermogen vereist zijn en de oorlogen van de toekomst zullen worden uitgevochten door hackers van de vijandelijke infrastructuur en door computergestuurde drones. Hooguit is een handjevol elitetroepen nodig. Het liberale respect voor het individu en zijn menselijke waardigheid en het daaruit voortvloeiende gelijkheidsbeginsel zouden het onder deze omstandigheden kunnen begeven.

Zou het liberalisme in deze ontwikkeling sneuvelen, dan nog bestaat de mogelijkheid dat een zekere mate van humanisme behouden blijft en de mens toch zijn plaats in het centrum van de ideologie, religie in Harari’s termen, blijft innemen. De mens zet in dit toekomstbeeld de technologie naar zijn hand. Een dergelijke ideologie duidt hij aan als technohumanisme. Dit technohumanisme leidt echter tot een dilemma, zo niet tot een contradictie. De mens zal, ook in opgewaardeerde vorm, stuiten op onvervulbare verlangen en daardoor lijden. Hij kan deze verlangens langs biochemische weg laten uitgummen, maar dat betekent dan meteen het einde van zijn authentieke persoonlijkheid en van het humanistische element in het technohumanisme. Het technohumanisme zou als vanzelf uitmonden in een alternatief toekomstbeeld, namelijk dat van het dataïsme.

In het dataïsme is niet langer de mens het centrum van de ideologie, maar hangen de data als een goddelijke wolk boven de schepping. Alle organismen en alle maatschappelijke verbanden zijn in essentie data-verwerkende entiteiten en daarmee ook dataleveranciers. Er komen uit al die bronnen stortvloeden van data beschikbaar en de verwerking daarvan gaat het menselijk vermogen ver te boven. De overheid bij voorbeeld kan de stroom ook thans niet meer beheersen en ziet zich geconfronteerd met een wetteloos internet. Zij heeft geen overzicht en geen macht meer over de gebeurtenissen en zij is gedwongen beslissingen te nemen op grond van gebrekkige data met behulp van achterhaalde methoden.

Alleen de niet-menselijke intelligentie in de vorm van steeds geavanceerder computeralgoritmen kan nog een totaalbeeld genereren. Deze algoritmen zijn niet meer onder controle van een met menselijke intelligentie opererende partij, zoals de overheid, en zelfs niet van Google of Facebook. Zij bezit en ontwikkelt zichzelf. In deze visie is de mens in hoofdzaak een leverancier van gegevens aan een proces van het universum omvattende dataverwerking: de mens als een radertje in het ‘internet of all things’. Hij gebruikt niet meer de technologie om zijn beslissingen te nemen, maar de technologie dicteert deze aan hem. Evenals het humanisme is ook het dataïsme een religie met een begrip van goed en kwaad. Goed is de vrije stroom van informatie, kwaad zijn alle krachten die deze stroom belemmeren.

Harari realiseert zich dat een dergelijk toekomstbeeld voor velen een spookbeeld is en ook dat de reductie van het maatschappelijk leven tot een proces van dataverwerking door een boven ons uittorenend ‘internet of all things’ lang niet door iedereen wordt onderschreven. Ook ik heb mijn bedenkingen. Hij nuanceert zijn toekomstvoorspellingen echter door ze tot enkele van de vele mogelijke scenario’s te degraderen, maar dat doet hij pas in de laatste paar alinea’s van het bijna 500 pagina’s tellende ‘Homo Deus’.

Misschien gaat hij er in een nog recenter boek ’21 Lessons for he 21st Century’ verder op in, maar dat heb ik nog niet gelezen.

Met mijn bedenkingen vind ik Harari fascinerende literatuur. De schrijver heeft een buitengewoon veel omvattende kennis van wetenschappelijke feiten op vele terreinen en brengt die op een uitgesproken intelligente manier aan de man. Harari schrijft bovendien goed, lardeert zijn verhaal met pakkende voorbeelden en is met dat al zeer onderhoudend.

Sapiens: A Brief History of Humankind (2014)
Homo Deus: A Brief History of Tomorrow (2016)


© 2020 Carlo van Praag meer Carlo van Praag - meer "De wereldliteratuur roept" -
Vermaak en Genot > De wereldliteratuur roept
Yuval Noah Harari (2) Carlo van Praag
1717VG harari1Deel 1 van deze bespreking was gewijd aan Harari’s geschiedenis van de mensheid, die eindigde met de fase waarin het humanisme in zijn liberalistische vorm de dominante ideologie is geworden. De ‘imagined realities’, ook wel ‘gedeelde mythen’ (een centraal begrip in het relaas van Harari), zijn in het humanisme van inhoud veranderd. Goden of een enkele godheid hebben plaatsgemaakt voor de verering van de mens zelf.

Niet alleen de godsdiensten van het verleden centreren zich rond ‘imagined realities’, maar ook de moderne humanistische religies als het liberalisme en het socialisme. Harari noemt elke ideologie op basis van onbewezen premissen een religie. Het liberalisme dat uitgaat van de gelijkwaardigheid en de vrije wil van de mensen is dus een religie. De gelijkwaardigheid van alle mensen is immers een these van morele aard, waaraan niets valt te bewijzen, en de vrije wil bestaat volgens Harari helemaal niet. De mens heeft geen vrije wil, maar wordt geregeerd door zijn biochemisch systeem, een verzameling neurale mechanismen. Hij bedenkt achteraf het verhaal dat de chaos van impulsen een coherent aanzien moet geven. Volgens Harari is dit een wetenschappelijk uitgemaakte zaak. Victor Lamme (‘De vrije wil bestaat niet’) en Dick Swaab (‘Wij zijn ons brein’) heeft hij aan zijn zijde, maar Daniel Denett (cognitiewetenschapper en filosoof) en vele anderen gaan hierin niet mee. Zij achten het optreden van neurochemische processen niet onverenigbaar met het bestaan van een vrije wil. Van een wetenschappelijk vaststaande waarheid over de vrije wil kan men in elk geval niet spreken.

Het soort stelligheid, waarvan Harari hier getuigt, is hem ook verder niet vreemd. Zo doet hij voorkomen of de mensheid collectief in het stadium van het liberalisme verkeert, een religie die geen serieuze concurrenten meer zou hebben. Communisme en islamisme voeren hooguit achterhoedegevechten. De schrijver vindt het niet nodig zijn stelling te nuanceren met de vermelding dat de liberale democratie met bijbehorende mensenrechten zich slechts uitstrekt tot de grenzen van ons kleine westerse wereldje en zelfs daar bedreigd wordt. De mondiale regressie waarvan wij momenteel getuige zijn, is blijkbaar niet meer dan een dipje in een verder consequent verlopende curve.

Nu de toekomst. Verwacht geen voor de hand liggende rampscenario’s, zoals van een schip dat op de klippen koerst, terwijl de bemanning vechtend over het dek rolt. Dus geen totale destructie van het milieu of een alles vernietigende oorlog. De toekomst staat in het teken van de technologie, met name de ontwikkeling van kunstmatige intelligentie, en voorts van genetische ingrepen. De kunstmatige intelligentie neemt de meeste thans door mensen verrichte taken over en meer dan dat. Zij neemt ook bezit van de mens zelf, want op den duur kent zij de mensen beter dan mensen zichzelf kennen. Zij kent hun verlangens en kan hun beslissingen sturen en de mensen zullen zich dat laten welgevallen, zoals zij nu hun navigatie aan Tomtom overlaten. Het ‘internet of all things’ beperkt zich niet meer tot het verbinden van apparaten en objecten, maar maakt zich meester van de menselijke geest, van zijn gedachten, emoties en beslissingen.

Biochemische manipulatie maakt het in eerste instantie mogelijk om ziekten en gebreken uit te bannen en organen te herstellen, maar vervolgens zal de mens zichzelf via deze weg opwaarderen. Lichamelijke en geestelijke capaciteiten zullen naar een hoger niveau worden getild. Voornoemde kunstmatige intelligentie zal bovendien als externe bron voor deze zelfpromotie kunnen worden aangesproken. Nanorobots in het menselijk lichaam worden door externe computeralgoritmen aangestuurd. Aan de einder ligt wellicht onsterfelijkheid waarmee de mens pas werkelijk godheid, Homo Deus, is geworden.

Terwijl gezondheidszorg onder de sociale voorzieningen valt (ten minste in onze contreien, merk ik op), zal dit niet gelden voor opwaardering van lichaam en geest. De toegang daartoe zal beperkt zijn tot de welgestelden en hooguit met grote vertraging de minder gefortuneerden bereiken. Er ontstaat een klasse van supermensen die de rest achter zich zal laten. Het is maar1717VG Harari2 de vraag of de supermensen zich zullen bekommeren om deze massale onderklasse. Anders dan in vroeger tijden is deze klasse onbruikbaar. Er is geen arbeid meer die door haar verricht moet worden en er zijn geen omvangrijke legers meer waarin zij moet dienen. Er blijft weinig of geen arbeid over waarvoor menselijke spierkracht en menselijk denkvermogen vereist zijn en de oorlogen van de toekomst zullen worden uitgevochten door hackers van de vijandelijke infrastructuur en door computergestuurde drones. Hooguit is een handjevol elitetroepen nodig. Het liberale respect voor het individu en zijn menselijke waardigheid en het daaruit voortvloeiende gelijkheidsbeginsel zouden het onder deze omstandigheden kunnen begeven.

Zou het liberalisme in deze ontwikkeling sneuvelen, dan nog bestaat de mogelijkheid dat een zekere mate van humanisme behouden blijft en de mens toch zijn plaats in het centrum van de ideologie, religie in Harari’s termen, blijft innemen. De mens zet in dit toekomstbeeld de technologie naar zijn hand. Een dergelijke ideologie duidt hij aan als technohumanisme. Dit technohumanisme leidt echter tot een dilemma, zo niet tot een contradictie. De mens zal, ook in opgewaardeerde vorm, stuiten op onvervulbare verlangen en daardoor lijden. Hij kan deze verlangens langs biochemische weg laten uitgummen, maar dat betekent dan meteen het einde van zijn authentieke persoonlijkheid en van het humanistische element in het technohumanisme. Het technohumanisme zou als vanzelf uitmonden in een alternatief toekomstbeeld, namelijk dat van het dataïsme.

In het dataïsme is niet langer de mens het centrum van de ideologie, maar hangen de data als een goddelijke wolk boven de schepping. Alle organismen en alle maatschappelijke verbanden zijn in essentie data-verwerkende entiteiten en daarmee ook dataleveranciers. Er komen uit al die bronnen stortvloeden van data beschikbaar en de verwerking daarvan gaat het menselijk vermogen ver te boven. De overheid bij voorbeeld kan de stroom ook thans niet meer beheersen en ziet zich geconfronteerd met een wetteloos internet. Zij heeft geen overzicht en geen macht meer over de gebeurtenissen en zij is gedwongen beslissingen te nemen op grond van gebrekkige data met behulp van achterhaalde methoden.

Alleen de niet-menselijke intelligentie in de vorm van steeds geavanceerder computeralgoritmen kan nog een totaalbeeld genereren. Deze algoritmen zijn niet meer onder controle van een met menselijke intelligentie opererende partij, zoals de overheid, en zelfs niet van Google of Facebook. Zij bezit en ontwikkelt zichzelf. In deze visie is de mens in hoofdzaak een leverancier van gegevens aan een proces van het universum omvattende dataverwerking: de mens als een radertje in het ‘internet of all things’. Hij gebruikt niet meer de technologie om zijn beslissingen te nemen, maar de technologie dicteert deze aan hem. Evenals het humanisme is ook het dataïsme een religie met een begrip van goed en kwaad. Goed is de vrije stroom van informatie, kwaad zijn alle krachten die deze stroom belemmeren.

Harari realiseert zich dat een dergelijk toekomstbeeld voor velen een spookbeeld is en ook dat de reductie van het maatschappelijk leven tot een proces van dataverwerking door een boven ons uittorenend ‘internet of all things’ lang niet door iedereen wordt onderschreven. Ook ik heb mijn bedenkingen. Hij nuanceert zijn toekomstvoorspellingen echter door ze tot enkele van de vele mogelijke scenario’s te degraderen, maar dat doet hij pas in de laatste paar alinea’s van het bijna 500 pagina’s tellende ‘Homo Deus’.

Misschien gaat hij er in een nog recenter boek ’21 Lessons for he 21st Century’ verder op in, maar dat heb ik nog niet gelezen.

Met mijn bedenkingen vind ik Harari fascinerende literatuur. De schrijver heeft een buitengewoon veel omvattende kennis van wetenschappelijke feiten op vele terreinen en brengt die op een uitgesproken intelligente manier aan de man. Harari schrijft bovendien goed, lardeert zijn verhaal met pakkende voorbeelden en is met dat al zeer onderhoudend.

Sapiens: A Brief History of Humankind (2014)
Homo Deus: A Brief History of Tomorrow (2016)
© 2020 Carlo van Praag
powered by CJ2