archiefvorig nr.lopend nr.

Nummer 17
Jaargang 17
2 juli 2020
Nummer 18 verschijnt op
3 september 2020
Beschouwingen > In de polder delen printen terug
Partijdige informatie: dood in de pot Arie de Jong

1711BS InfoOoit zat ik in de Tweede Kamer, in de jaren ’90. Lid van een grote fractie, met een legertje ondersteunende medewerkers. Elk lid kon aangeven hoe hij of zij graag persoonlijk ondersteund wilde worden. Veel collega’s kozen voor een ‘inhoudelijke ondersteuning’, wat meestal betekende dat ze een dag of drie in de week een WO-opgeleide figuur hadden die hun stukken las. Ik koos voor een secretariële medewerker. Wat over het algemeen betekende dat je een verstandige vrouw van middelbare leeftijd had, die de weg wist in de Tweede Kamer, gasten ophaalde, correspondentie verzorgde, noem maar op.

Dan moest je natuurlijk wel zelf de wetsontwerpen, beleidsnota’s, brieven en wat dies meer zij lezen en moest je zelf je stukken schrijven en zelfstandig nadenken over inbreng. Kortom: wat ik van Tweede Kamerleden verwacht. Als ik inhoudelijke ondersteuning wilde, deed ik een beroep op een paar commissies die ik in het leven had geroepen (eentje over volkshuisvesting, eentje over telecommunicatie en digitale ontwikkeling), ging ik langs bij departementale ambtenaren om bijgepraat te worden, zocht wetenschappers op. Fantastisch hoe alle deuren open bleken te staan! Nooit heb ik het gevoel gehad: ik moet er mensen bij. Dat is tegenwoordig anders.

Bij voortduring wordt vanuit de Tweede Kamer en de journalistiek gemeld dat de ondersteuning van Kamerleden versterkt moet worden. Recent werd een motie van Rob Jetten (D66) aangenomen, met het verzoek of de opdracht aan de regering €10 miljoen per jaar extra toe te kennen aan de Tweede Kamer om de ondersteuning te versterken. Als het aan D66 had gelegen was het bedrag nog een stuk hoger geweest, maar overleg in coalitieverband maakte dat men op dit bedrag uitkwam. In mijn ogen is dit weer een typisch voorbeeld van een probleemversterkende oplossing. Zowel in praktische als in principiële zin.

Eerst praktisch. Met dit extra geld worden extra medewerkers aangetrokken die deels voor individuele Kamerleden, deels voor fracties en deels voor de gehele Tweede Kamer, allerlei zaken gaan uitzoeken en toeleveren aan de Kamerleden. Er is al een diarree van moties, schriftelijke vragen, mondelinge vragen, spoeddebatten (er is een stuwmeer van ongeveer 200 aanvragen, die kunnen lang niet allemaal gehonoreerd worden), hoorzittingen, vergaderingen met ministers en staatssecretarissen. Het kan niet op! Helpt het om daar nog een impuls aan te geven? Want dat gebeurt onvermijdelijk. Lobbyisten krijgen nog meer toegang tot medewerkers, berichten uit de media zijn nog meer aanleiding om er iets mee te doen.
Uiteraard is er dan ook meer aandacht bij de ambtenaren van de ministeries nodig om de resultaten van dat extra werk te integreren of te pareren. Of dat leidt tot beter beleid en/of tot betere controle, het valt ernstig te betwijfelen.

Belangrijker echter is het principiële bezwaar. Door het steeds verder vergroten van de ondersteuning van de Tweede Kamer als instituut, en daarnaast van de fracties en de individuele leden, wordt de afstand tussen departementen en volksvertegenwoordiging steeds groter. Natuurlijk, dualisme is zeer gewenst, maar eigen afwijkende informatielijnen zijn nogal link. In dat geval verplaatst de tegenstelling (die over politieke invalshoeken moet gaan, waarbij de volksvertegenwoordiging de regering controleert) zich naar gescheiden circuits met elkaar bestrijdende informatie. In mijn visie is een minister (zo staat het ook in de Grondwet) wel hoofd van een departement, maar het departement is een organisatie die even zo goed in dienst staat van de Tweede Kamer. Het ministerie is niet het exclusieve domein van de minister!
Ik baseer me daarbij ook op artikel 68 van de Grondwet: ‘De ministers en de staatssecretarissen geven de kamers elk afzonderlijk en in verenigde vergadering mondeling of schriftelijk de door een of meer leden verlangde inlichtingen, waarvan het verstrekken niet in strijd is met het belang van de staat’. Kortom: geen exclusiviteit.

Het doet me allemaal denken aan de Wet van Parkinson. Parkinson was een Britse ambtenaar die in 1958 beschreef hoe een bureaucratie een onvermijdelijke neiging had uit te dijen, omdat de managers steeds meer ondergeschikten willen hebben. De Tweede Kamer, waar toch zo vaak de staf wordt gebroken over de managementcultuur bij andere organisaties, levert een krachtig voorbeeld voor die wet.

-------
Het plaatje is van Henk Klaren


© 2020 Arie de Jong meer Arie de Jong - meer "In de polder" -
Beschouwingen > In de polder
Partijdige informatie: dood in de pot Arie de Jong
1711BS InfoOoit zat ik in de Tweede Kamer, in de jaren ’90. Lid van een grote fractie, met een legertje ondersteunende medewerkers. Elk lid kon aangeven hoe hij of zij graag persoonlijk ondersteund wilde worden. Veel collega’s kozen voor een ‘inhoudelijke ondersteuning’, wat meestal betekende dat ze een dag of drie in de week een WO-opgeleide figuur hadden die hun stukken las. Ik koos voor een secretariële medewerker. Wat over het algemeen betekende dat je een verstandige vrouw van middelbare leeftijd had, die de weg wist in de Tweede Kamer, gasten ophaalde, correspondentie verzorgde, noem maar op.

Dan moest je natuurlijk wel zelf de wetsontwerpen, beleidsnota’s, brieven en wat dies meer zij lezen en moest je zelf je stukken schrijven en zelfstandig nadenken over inbreng. Kortom: wat ik van Tweede Kamerleden verwacht. Als ik inhoudelijke ondersteuning wilde, deed ik een beroep op een paar commissies die ik in het leven had geroepen (eentje over volkshuisvesting, eentje over telecommunicatie en digitale ontwikkeling), ging ik langs bij departementale ambtenaren om bijgepraat te worden, zocht wetenschappers op. Fantastisch hoe alle deuren open bleken te staan! Nooit heb ik het gevoel gehad: ik moet er mensen bij. Dat is tegenwoordig anders.

Bij voortduring wordt vanuit de Tweede Kamer en de journalistiek gemeld dat de ondersteuning van Kamerleden versterkt moet worden. Recent werd een motie van Rob Jetten (D66) aangenomen, met het verzoek of de opdracht aan de regering €10 miljoen per jaar extra toe te kennen aan de Tweede Kamer om de ondersteuning te versterken. Als het aan D66 had gelegen was het bedrag nog een stuk hoger geweest, maar overleg in coalitieverband maakte dat men op dit bedrag uitkwam. In mijn ogen is dit weer een typisch voorbeeld van een probleemversterkende oplossing. Zowel in praktische als in principiële zin.

Eerst praktisch. Met dit extra geld worden extra medewerkers aangetrokken die deels voor individuele Kamerleden, deels voor fracties en deels voor de gehele Tweede Kamer, allerlei zaken gaan uitzoeken en toeleveren aan de Kamerleden. Er is al een diarree van moties, schriftelijke vragen, mondelinge vragen, spoeddebatten (er is een stuwmeer van ongeveer 200 aanvragen, die kunnen lang niet allemaal gehonoreerd worden), hoorzittingen, vergaderingen met ministers en staatssecretarissen. Het kan niet op! Helpt het om daar nog een impuls aan te geven? Want dat gebeurt onvermijdelijk. Lobbyisten krijgen nog meer toegang tot medewerkers, berichten uit de media zijn nog meer aanleiding om er iets mee te doen.
Uiteraard is er dan ook meer aandacht bij de ambtenaren van de ministeries nodig om de resultaten van dat extra werk te integreren of te pareren. Of dat leidt tot beter beleid en/of tot betere controle, het valt ernstig te betwijfelen.

Belangrijker echter is het principiële bezwaar. Door het steeds verder vergroten van de ondersteuning van de Tweede Kamer als instituut, en daarnaast van de fracties en de individuele leden, wordt de afstand tussen departementen en volksvertegenwoordiging steeds groter. Natuurlijk, dualisme is zeer gewenst, maar eigen afwijkende informatielijnen zijn nogal link. In dat geval verplaatst de tegenstelling (die over politieke invalshoeken moet gaan, waarbij de volksvertegenwoordiging de regering controleert) zich naar gescheiden circuits met elkaar bestrijdende informatie. In mijn visie is een minister (zo staat het ook in de Grondwet) wel hoofd van een departement, maar het departement is een organisatie die even zo goed in dienst staat van de Tweede Kamer. Het ministerie is niet het exclusieve domein van de minister!
Ik baseer me daarbij ook op artikel 68 van de Grondwet: ‘De ministers en de staatssecretarissen geven de kamers elk afzonderlijk en in verenigde vergadering mondeling of schriftelijk de door een of meer leden verlangde inlichtingen, waarvan het verstrekken niet in strijd is met het belang van de staat’. Kortom: geen exclusiviteit.

Het doet me allemaal denken aan de Wet van Parkinson. Parkinson was een Britse ambtenaar die in 1958 beschreef hoe een bureaucratie een onvermijdelijke neiging had uit te dijen, omdat de managers steeds meer ondergeschikten willen hebben. De Tweede Kamer, waar toch zo vaak de staf wordt gebroken over de managementcultuur bij andere organisaties, levert een krachtig voorbeeld voor die wet.

-------
Het plaatje is van Henk Klaren
© 2020 Arie de Jong
powered by CJ2