archiefvorig nr.lopend nr.

Nummer 3
Jaargang 17
14 november 2019
Nummer 4 verschijnt op
28 november 2019
Vermaak en Genot > Een omweg waard delen printen terug
Zaken zijn zaken! Gerbrand Muller

1618VG ZakenOf: vrije jongens in de kunst

‘There really is no such a thing as Art. There are only artists.’ Zo luiden de eerste zinnen van E.H. Gombrichs befaamde The Story of Art. Een mooi begin, maar klopt het wel? Als er geen kunst bestaat, met of zonder hoofdletter, dan zijn er ook geen kunstenaars. Zou je zeggen. En die zijn er wel degelijk. Hun aantal is misschien in deze tijd zelfs groter dan ooit, want het werkterrein van de beeldende kunsten heeft zich de laatste halve eeuw op een duizelingwekkende manier verbreed. Installation art, minimal art, fundamental art, optical art, bewegingskunst, belevingskunst, performance, Fluxus, pop-art, zero, projectie- of lichtkunst, sound art… de lijst van stromingen en deelterreinen van de beeldende kunsten – vele nu nog zo nieuw dat er geen Nederlandse namen voor bestaan – is lang en wordt nog aldoor langer.
   
Vreemd eigenlijk dat ik al zoveel jaren nauwelijks meer voet in het Stedelijk Museum heb gezet, of een moderne kunst galerie ben binnengelopen. Wat ik door de ramen van zo’n galerie zag als ik er toevallig eens langsliep, trok me eerlijk gezegd niet aan, en de recensies van de exposities en events van hedendaagse kunstenaars wekten ook al geen groot verlangen in me op om hun producten met eigen ogen te gaan zien. Heb ik misschien te snel geoordeeld? Toch nog eens nalezen wat er de afgelopen maanden ook alweer te zien was. Wie weet wat ik allemaal gemist heb!
   
Van kunstenaar Eric van Hove worden dit hele jaar door in het Fries Museum in Leeuwarden motorblokken en machines getoond. Hans den Hartog Jager schrijft in NRC-Handelsblad dat ze ‘het perfecte midden houden tussen sculptuur en machine.’
   
Het juiste midden tussen twee zaken betekent net niet helemaal het een en niet helemaal het ander. Van Hoves werkstukken zijn dus, als ik Den Hartog Jager goed begrijp, niet helemaal sculptuur en evenmin helemaal machine, maar wel elk van beide bijna. Van Hove is daarin geslaagd, schrijft Den Hartog Jager, door ‘de schoonheid en de kracht van het ambacht’ te benadrukken. Zijn motorblokken zijn ‘staaltjes van uitbundig vakmanschap’, ‘glanzen en glimmen je tegemoet’ door het gebruik van ‘onder andere parelmoer, verschillende soorten hout en koper’ en etaleren ‘nadrukkelijk hun sculpturale en esthetische kracht’. Wacht, nu begrijp ik het: Van Hoves werkstukken houden niet slechts het (perfecte) midden tussen machine en sculptuur, ze zijn het een én het ander, werktuig én kunstwerk.
   
Even kijken op de website van het Fries Museum. Jawel, Den Hartog Jager blijkt niets teveel te hebben gezegd: ‘Het motorblok staat voor de kunstenaar symbool voor de industrialisatie, die in veel landen het einde betekende van het klassieke ambacht. Met zijn imposante replica’s zet Van Hove traditionele ambachten opnieuw op de kaart. Hij combineert de schoonheid van design met actuele thema’s als de verdeling van welvaart en de verschillen tussen het westen en de rest van de wereld.’ Veelzeggend is ook de naam die Van Hove voor zijn atelier heeft gekozen: Fenduq, een samenvoeging van ‘fenn’, Arabisch voor ‘kunst’, en ‘funduq’, waarmee de handelsposten werden aangeduid waar vroeger karavanen neerstreken om handel te drijven. In Van Hoves Fenduq ‘komen ambachtslieden, kunstenaars, economen en andere betrokkenen samen.’ ‘Het is een plek voor productie, maar ook voor dialoog. Fenduq versterkt de bestaande talenten en kwaliteiten van de ambachtslieden en biedt ze een betere positie binnen de Marokkaanse maatschappij.’
   
Verdienstelijk, zeer zeker, alleen, ik wil niet vervelend zijn, maar een machine is met dit alles nog steeds geen sculptuur, hoezeer ze je ook tegemoet mag glanzen en glimmen. Geen sculptuur, dus geen kunst, maar een ding, een gebruiksvoorwerp. De maker van dergelijke objecten mag zichzelf wat dan ook noemen – handwerker, ontwerper, uitvinder – geen kunstenaar.
   
Nu moet ik vertellen wat ik dan wél als kunst beschouw. Waarom eigenlijk? Laten Den Hartog Jager en het Fries Museum dat maar eerst doen, als ze kunnen.
   
Of het tentoonstellingsplatform Zone2Source, dat blijkens zijn website kunstenaars uitnodigt om in het Glazen Huis in het Amstelpark ‘projecten te ontwikkelen waarin alternatieve verbeeldingen en praktijken voorgesteld worden over onze omgang met natuur’. De afgelopen maanden konden bezoekers daar de tentoonstelling Reading by Osmosis van de Nederlandse kunstenares Semâ Bekirovic bewonderen. De kunstwerken op deze tentoonstelling zijn uitsluitend gemaakt door ‘niet menselijke kunstenaars, zoals dieren, de wind, bomen, dingen en processen’. Den Hartog Jager schrijft in zijn recensie dat sommige werken ‘echt behoorlijk goed’ zijn, zoals bijvoorbeeld ‘het ingedeukte en vervallen hek met verdorde klimop erdoorheen geregen’ en ‘de topper: een klein plat kraaiennest opgebouwd uit een combinatie van dunne takken en kleerhangers in pastelkleuren’. ‘Niet menselijke kunstenaars’: een ten onrechte veronachtzaamde categorie. Misschien moeten er prijzen voor worden ingesteld. Eén voor planten en dieren, één voor winden en regens en één voor dingen en processen.
   
Wat kunst ook moge zijn, het speelt een belangrijke rol in het licht van, en, gezien, immers – ik kom er niet uit, leest u daarom zelf maar wat het tentoonstellingsplatform op zijn website schrijft: ‘In het licht van de huidige ecologische crisis is de scheiding tussen natuur en cultuur/technologie die we eeuwenlang gemaakt hebben niet meer houdbaar, en moeten we nieuwe verbeeldingen creëren over de verstrengeldheid van de mens met zijn/haar leefomgeving. Kunst speelt een belangrijke rol in het experimenteren met en stimuleren van nieuwe verbeeldingen over een 21ste (21e eeuwse) omgang met natuur.’ Zinnen die mij wonderlijk vertrouwd aandoen, weggelopen als ze lijken uit een van de vele verschrikkelijke beleidsnota’s die ik vroeger als ambtenaar heb moeten doorploegen.
   
Nee, hier ga ik toch maar niet naartoe. Waarheen dan wel? Naar de Royal Academy of Arts in Londen, die vanaf begin dit jaar video’s vertoont van Bill Viola? En dat niet zo maar, maar als pendant van, welja, waarom ook niet, een paar tekeningen van Michelangelo. Den Hartog Jager is er al geweest. ‘Dat zou je de grote kracht van Viola’s oeuvre kunnen noemen:’ schrijft hij in zijn bespreking, ‘telkens opnieuw slaagt hij erin beelden te scheppen die zich onmiddellijk losmaken van het alledaagse en je meeslepen naar de meest elementaire menselijke thema’s, geboorte, dood, God, het universele. En daar maakt hij Grote Kunst mee.’  Ik heb Viola’s video’s eerlijk gezegd altijd ongenietbaar gevonden, daarom heb ik er nooit één van begin tot eind bekeken. Om mijn schade in te halen heb ik mezelf op internet onthaald op The Messenger, Fire Woman, Five Angels for the Millennium, Tristan’s Ascension en nog veel meer. Hoewel ik op grond van zijn uitspraken in interviews die ik op internet tegenkwam nu wel meen te begrijpen wat Viola beweegt – hij lijkt op zoek naar wat je ‘het wezen der dingen’ zou kunnen noemen en dat in het boeddhisme met het woord dharma wordt aangeduid – blijft het voor mij een straf om zijn video’s te bekijken. Lichamen van mensen die zich traag onder water bewegen, door vuur dreigen te worden verzwolgen, met zand worden overgoten, aan handen en voeten gebonden in de ruimte door de wind heen en weer worden geschud (martelaren als ik het goed begrijp, prijsgegeven aan de elementen), doden die, getransformeerd tot levende mensen, voor even op aarde terugkeren  – dit alles dikwijls begeleid door quasi mysterieuze geluiden bedoeld om je te doen huiveren: hoe zou je zoiets vroeger genoemd hebben? Humbug, schijnvertoning. Nu wordt het bloedserieus genomen en wordt Viola’s werk over de hele wereld in gerenommeerde musea en kunstinstellingen getoond.
   
Ik ga dus liever ook maar niet naar Londen. Maar er is natuurlijk nog veel meer. Zo worden befaamde kunstenaars de laatste tijd nogal eens door een museum uitgenodigd om uit delen van de collectie een tentoonstelling samen te stellen. Zo’n tentoonstelling is dan een kunstwerk op zichzelf. De Amerikaanse kunstenares Jessica Stockholder werd door het Centraal Museum in Utrecht gevraagd om – in de woorden van kunstrecensente Janneke Wesseling, ‘haar werk te exposeren en tevens om iets te doen met de collectie van het museum’. Die opdracht was ‘een kolfje naar haar hand. Stockholder verweefde zo’n 60 voorwerpen met eigen objecten, waarbij ze de assemblage-methode toepaste die kenmerkend is voor haar praktijk.’ Er staat bijvoorbeeld ‘een 16de-eeuwse stenen sculptuur van een heilige bisschop, afkomstig van de Dom van Utrecht, met een kleurig, abstract metalen object van Stockholder, stevig aan elkaar vastgesjord met een felgekleurde spanband.’ Stevig vastgesjord, alsjeblieft! En nog wel aan een heilige bisschop, vond de kerk dat zo maar goed? Stockholder bedoelde er in elk geval geen kwaad mee, ze is alleen maar ‘geïnteresseerd in de verbindingen die dingen met elkaar aangaan, in de overgangszone, de soms nauwelijks waar te nemen randen, waar objecten elkaar ontmoeten, of waar ze een verbinding aangaan met de omgeving.’ Herinnert u zich misschien nog die monsterlijke vis die een ‘kunstenaar’ maandenlang in een dodelijke omhelzing aan de Domtoren had laten vastklinken? De sadist!
   
Filmregisseur Wes Anderson en kostuumontwerpster en schrijfster Juman Malouf viel de eer te beurt een tentoonstelling samen te stellen uit objecten van het Kunsthistorisch Museum in Wenen. Voor Den Hartog Jager was het een feest om er rond te lopen. Je belandt er, schrijft hij, ‘in een Wunderkammer-achtige wereld waarin de wetten van alledag niet meer lijken te gelden – terwijl de 430 objecten toch echt allemaal van onze aarde afkomstig zijn.’ Een wereld waarin de wetten van alledag niet meer lijken te gelden, hoe zou die eruit zien? Een rommelzolder zo te lezen, Den Hartog Jager loopt bijvoorbeeld langs ‘een grote glazen kwal, een porseleinen beeld van een naakte vrouw die op een egel zit, een zestiende-eeuws dubbelportret van een reus en een dwerg, Titiaans portret van Kurfürst Johann Friedrich von Sachsen. […] Weelderige Mexicaanse vazen, een Japans Kagura Masker, een papegaaienveren schort uit Peru, een jurk uit 1978 die werd gebruikt in een productie van Hedda Gabler – je ziet Malouf er zo in weglopen.’ Den Hartog Jager valt ‘van de ene verbazing in de andere verrukking’. We mogen de objecten beschouwen als ‘een soort ready- mades’ en Anderson en Malouf
hebben daarmee een ‘parallelle wereld’ gemaakt, ‘waarbij ze niet alleen maar hebben gekozen, maar ook hebben geschapen.’
   
Vroeger zocht een kunstenaar, bewust of onbewust, naar verbanden: een kunstwerk bevatte samenhang, hoe grillig en chaotisch het op het eerste gezicht misschien ook mocht lijken. Hebben Anderson en Malouf misschien de chaos willen verbeelden? Maar ook een kunstwerk dat de chaos verbeeldt bevat samenhang. Andersons en Maloufs ordeloze verzameling ‘ready-mades’ is chaos. Ongein.
   
Dan … Maar dit stukje dreigt te lang te worden. Terwijl er nog zoveel meer te zien is! Op de Offspring 2019 van De Ateliers bijvoorbeeld ‘verzamelingen gelast schrootmateriaal, papier-maché, verbrande kluizen, schimmige onderwaterbeelden en verknipte stukken vinyl’ waaruit ‘een door techniek te gronde gerichte wereld spreekt, ontdaan van kleur,’ in een galerie in New York honderden gebruiksvoorwerpen van Donald Trump, verzameld door de kunstenaar Andres Serrano. En op de Biënnale van Venetië heeft Litouwen de Gouden Leeuw gekregen voor ‘het beste paviljoen’: een stuk strand met ‘zingende badgasten op handdoeken met tijdschriften en hoedjes’ dat ‘de alledaagse luiheid en gemakzucht van de mens’ onderstreept.
   
O en, ja hierna stop ik, in Sittard toont Domijnen werk van de Cubaanse kunstenaar Ricardo Brey. Blijkens de recensie van Toef Jaeger in NRC-Handelsblad wil Brey dingen ‘nieuw leven inblazen’ – dat klinkt tenminste sympathieker dan ze als ready-mades gebruiken. Zo gaf hij een boomstronk een nieuwe functie door er een spijker in te slaan, daar een bruine broekriem aan te bevestigen en daaronder een koord van eieren te hangen. Op de tentoonstelling in De Domijnen zien we onder andere een zwarte pelikaan op een pilaster met ernaast ‘stenen en een vieze gloeilamp’. In dit verband is het goed te weten dat Brey’s kunstwerken eigenlijk puzzels zijn: de stenen en de vieze gloeilamp zijn de eieren van de pelikaan, die door toedoen van de mensen geen nageslacht meer zal voortbrengen en ten dode is opgeschreven. De fruitkisten die Brey eerder in het Museum van Hedendaagse Kunst in Gent exposeerde en waarin 391 geschriften verstopt zaten, maakten volgens Toef Jaeger ook deel uit van een ‘legpuzzel die al deels te zien was in 2015 toen hij in Antwerpen een serie “dozen” tentoonstelde waarin verschillende objecten zaten.’ Een puzzel mag een uitdaging zijn om je hersens op stuk te breken, maar – ik geef toe, dit stukje wordt eentonig – het is geen kunst.

Helaas! Ongein vult nog steeds grotendeels de expositieruimten voor moderne kunst. En zij die in de moderne kunstwereld de dienst uitmaken zorgen er wel voor dat er extreme bedragen voor blijven worden neergeteld. Zoals Beatrice Ruf, gewiekste zakenvrouw en nummer zeven in de 'Power Top 100 van kunstgrootheden' van het Amerikaanse tijdschrift Art Review in het jaar waarin ze werd aangezocht als directeur van het Stedelijk Museum in Amsterdam. Zij en haar machtige collega’s bepalen wat kunst is en drijven de prijzen zo nodig op.

‘Heel goed, het smaakt hun afschuwelijk!’ zei de geniale meester-kok in Marten Toonders vervolgverhaal Panda en de meester-kok, dat eind jaren veertig in Het Leidsch Dagblad verscheen. Eten moest niet te vreten zijn. We hebben daar toen erg om gelachen en dat is ook nu misschien maar het beste om te doen. Al zouden we natuurlijk eigenlijk woedend moeten zijn. Want hoe lang zadelt de maffiose kunstwereld ons nu al niet op met die eindeloos saaie en duffe bedenksels? Kan dit nu eindelijk niet eens ophouden?

Nu zegt u dat u een boomstronk met een spijker erin waaraan een bruine broekriem hangt best mooi vindt en vraagt me wat ik dan eigenlijk wél wil. Twaalf jaar geleden schreef ik in ditzelfde tijdschrift: ‘Wat een feest zou het zijn in de zalen van het Stedelijk of van het Gemeentemuseum werk te zien van Jörg Remé, Rik Lina, Jan Schlechter en van nog zo veel andere door de officiële kunstwereld veronachtzaamde uitzonderlijke kunstenaars!’ In een volgend stukje kom ik daarop terug.

Recensies in NRC-Handelsblad van Den Hartog Jager 16 januari, 8 februari, 6 maart en 3 april 2019; Toef Jaeger 24 april 2019, Janneke Wesseling 8 mei 2019.

---------
De inspiratie voor deze tirade werd gevormd door een foto van het atelier van Alex Verduijn den Boer (zie plaatje rechtsboven). Laatstgenoemde had de boel een beetje opgeruimd om de leden van het Genootschap De Leunstoel netjes te ontvangen (voor de jaarvergadering). Via een plaatje op WhatsApp stelde hij ons (de redactie) daarvan trots in kennis. Ongeveer tegelijkertijd vroeg Gerbrand ons om zomaar een plaatje, om weer eens een 'beeldverhaal' te kunnen maken. Zo is het dus gekomen. De wordingsgeschiedenis kende Gerbrand natuurlijk niet, maar ja zo kan dat gaan met een verhaal dat geïnspireerd is op een beeld zonder toelichting.
Nummer 1703, verschijningsdatum 14 november a.s., zal weer een beeldennummer zijn, waarin diverse schrijvers zich wagen aan het maken van een beeldverhaal.


© 2019 Gerbrand Muller meer Gerbrand Muller - meer "Een omweg waard" -
Vermaak en Genot > Een omweg waard
Zaken zijn zaken! Gerbrand Muller
1618VG ZakenOf: vrije jongens in de kunst

‘There really is no such a thing as Art. There are only artists.’ Zo luiden de eerste zinnen van E.H. Gombrichs befaamde The Story of Art. Een mooi begin, maar klopt het wel? Als er geen kunst bestaat, met of zonder hoofdletter, dan zijn er ook geen kunstenaars. Zou je zeggen. En die zijn er wel degelijk. Hun aantal is misschien in deze tijd zelfs groter dan ooit, want het werkterrein van de beeldende kunsten heeft zich de laatste halve eeuw op een duizelingwekkende manier verbreed. Installation art, minimal art, fundamental art, optical art, bewegingskunst, belevingskunst, performance, Fluxus, pop-art, zero, projectie- of lichtkunst, sound art… de lijst van stromingen en deelterreinen van de beeldende kunsten – vele nu nog zo nieuw dat er geen Nederlandse namen voor bestaan – is lang en wordt nog aldoor langer.
   
Vreemd eigenlijk dat ik al zoveel jaren nauwelijks meer voet in het Stedelijk Museum heb gezet, of een moderne kunst galerie ben binnengelopen. Wat ik door de ramen van zo’n galerie zag als ik er toevallig eens langsliep, trok me eerlijk gezegd niet aan, en de recensies van de exposities en events van hedendaagse kunstenaars wekten ook al geen groot verlangen in me op om hun producten met eigen ogen te gaan zien. Heb ik misschien te snel geoordeeld? Toch nog eens nalezen wat er de afgelopen maanden ook alweer te zien was. Wie weet wat ik allemaal gemist heb!
   
Van kunstenaar Eric van Hove worden dit hele jaar door in het Fries Museum in Leeuwarden motorblokken en machines getoond. Hans den Hartog Jager schrijft in NRC-Handelsblad dat ze ‘het perfecte midden houden tussen sculptuur en machine.’
   
Het juiste midden tussen twee zaken betekent net niet helemaal het een en niet helemaal het ander. Van Hoves werkstukken zijn dus, als ik Den Hartog Jager goed begrijp, niet helemaal sculptuur en evenmin helemaal machine, maar wel elk van beide bijna. Van Hove is daarin geslaagd, schrijft Den Hartog Jager, door ‘de schoonheid en de kracht van het ambacht’ te benadrukken. Zijn motorblokken zijn ‘staaltjes van uitbundig vakmanschap’, ‘glanzen en glimmen je tegemoet’ door het gebruik van ‘onder andere parelmoer, verschillende soorten hout en koper’ en etaleren ‘nadrukkelijk hun sculpturale en esthetische kracht’. Wacht, nu begrijp ik het: Van Hoves werkstukken houden niet slechts het (perfecte) midden tussen machine en sculptuur, ze zijn het een én het ander, werktuig én kunstwerk.
   
Even kijken op de website van het Fries Museum. Jawel, Den Hartog Jager blijkt niets teveel te hebben gezegd: ‘Het motorblok staat voor de kunstenaar symbool voor de industrialisatie, die in veel landen het einde betekende van het klassieke ambacht. Met zijn imposante replica’s zet Van Hove traditionele ambachten opnieuw op de kaart. Hij combineert de schoonheid van design met actuele thema’s als de verdeling van welvaart en de verschillen tussen het westen en de rest van de wereld.’ Veelzeggend is ook de naam die Van Hove voor zijn atelier heeft gekozen: Fenduq, een samenvoeging van ‘fenn’, Arabisch voor ‘kunst’, en ‘funduq’, waarmee de handelsposten werden aangeduid waar vroeger karavanen neerstreken om handel te drijven. In Van Hoves Fenduq ‘komen ambachtslieden, kunstenaars, economen en andere betrokkenen samen.’ ‘Het is een plek voor productie, maar ook voor dialoog. Fenduq versterkt de bestaande talenten en kwaliteiten van de ambachtslieden en biedt ze een betere positie binnen de Marokkaanse maatschappij.’
   
Verdienstelijk, zeer zeker, alleen, ik wil niet vervelend zijn, maar een machine is met dit alles nog steeds geen sculptuur, hoezeer ze je ook tegemoet mag glanzen en glimmen. Geen sculptuur, dus geen kunst, maar een ding, een gebruiksvoorwerp. De maker van dergelijke objecten mag zichzelf wat dan ook noemen – handwerker, ontwerper, uitvinder – geen kunstenaar.
   
Nu moet ik vertellen wat ik dan wél als kunst beschouw. Waarom eigenlijk? Laten Den Hartog Jager en het Fries Museum dat maar eerst doen, als ze kunnen.
   
Of het tentoonstellingsplatform Zone2Source, dat blijkens zijn website kunstenaars uitnodigt om in het Glazen Huis in het Amstelpark ‘projecten te ontwikkelen waarin alternatieve verbeeldingen en praktijken voorgesteld worden over onze omgang met natuur’. De afgelopen maanden konden bezoekers daar de tentoonstelling Reading by Osmosis van de Nederlandse kunstenares Semâ Bekirovic bewonderen. De kunstwerken op deze tentoonstelling zijn uitsluitend gemaakt door ‘niet menselijke kunstenaars, zoals dieren, de wind, bomen, dingen en processen’. Den Hartog Jager schrijft in zijn recensie dat sommige werken ‘echt behoorlijk goed’ zijn, zoals bijvoorbeeld ‘het ingedeukte en vervallen hek met verdorde klimop erdoorheen geregen’ en ‘de topper: een klein plat kraaiennest opgebouwd uit een combinatie van dunne takken en kleerhangers in pastelkleuren’. ‘Niet menselijke kunstenaars’: een ten onrechte veronachtzaamde categorie. Misschien moeten er prijzen voor worden ingesteld. Eén voor planten en dieren, één voor winden en regens en één voor dingen en processen.
   
Wat kunst ook moge zijn, het speelt een belangrijke rol in het licht van, en, gezien, immers – ik kom er niet uit, leest u daarom zelf maar wat het tentoonstellingsplatform op zijn website schrijft: ‘In het licht van de huidige ecologische crisis is de scheiding tussen natuur en cultuur/technologie die we eeuwenlang gemaakt hebben niet meer houdbaar, en moeten we nieuwe verbeeldingen creëren over de verstrengeldheid van de mens met zijn/haar leefomgeving. Kunst speelt een belangrijke rol in het experimenteren met en stimuleren van nieuwe verbeeldingen over een 21ste (21e eeuwse) omgang met natuur.’ Zinnen die mij wonderlijk vertrouwd aandoen, weggelopen als ze lijken uit een van de vele verschrikkelijke beleidsnota’s die ik vroeger als ambtenaar heb moeten doorploegen.
   
Nee, hier ga ik toch maar niet naartoe. Waarheen dan wel? Naar de Royal Academy of Arts in Londen, die vanaf begin dit jaar video’s vertoont van Bill Viola? En dat niet zo maar, maar als pendant van, welja, waarom ook niet, een paar tekeningen van Michelangelo. Den Hartog Jager is er al geweest. ‘Dat zou je de grote kracht van Viola’s oeuvre kunnen noemen:’ schrijft hij in zijn bespreking, ‘telkens opnieuw slaagt hij erin beelden te scheppen die zich onmiddellijk losmaken van het alledaagse en je meeslepen naar de meest elementaire menselijke thema’s, geboorte, dood, God, het universele. En daar maakt hij Grote Kunst mee.’  Ik heb Viola’s video’s eerlijk gezegd altijd ongenietbaar gevonden, daarom heb ik er nooit één van begin tot eind bekeken. Om mijn schade in te halen heb ik mezelf op internet onthaald op The Messenger, Fire Woman, Five Angels for the Millennium, Tristan’s Ascension en nog veel meer. Hoewel ik op grond van zijn uitspraken in interviews die ik op internet tegenkwam nu wel meen te begrijpen wat Viola beweegt – hij lijkt op zoek naar wat je ‘het wezen der dingen’ zou kunnen noemen en dat in het boeddhisme met het woord dharma wordt aangeduid – blijft het voor mij een straf om zijn video’s te bekijken. Lichamen van mensen die zich traag onder water bewegen, door vuur dreigen te worden verzwolgen, met zand worden overgoten, aan handen en voeten gebonden in de ruimte door de wind heen en weer worden geschud (martelaren als ik het goed begrijp, prijsgegeven aan de elementen), doden die, getransformeerd tot levende mensen, voor even op aarde terugkeren  – dit alles dikwijls begeleid door quasi mysterieuze geluiden bedoeld om je te doen huiveren: hoe zou je zoiets vroeger genoemd hebben? Humbug, schijnvertoning. Nu wordt het bloedserieus genomen en wordt Viola’s werk over de hele wereld in gerenommeerde musea en kunstinstellingen getoond.
   
Ik ga dus liever ook maar niet naar Londen. Maar er is natuurlijk nog veel meer. Zo worden befaamde kunstenaars de laatste tijd nogal eens door een museum uitgenodigd om uit delen van de collectie een tentoonstelling samen te stellen. Zo’n tentoonstelling is dan een kunstwerk op zichzelf. De Amerikaanse kunstenares Jessica Stockholder werd door het Centraal Museum in Utrecht gevraagd om – in de woorden van kunstrecensente Janneke Wesseling, ‘haar werk te exposeren en tevens om iets te doen met de collectie van het museum’. Die opdracht was ‘een kolfje naar haar hand. Stockholder verweefde zo’n 60 voorwerpen met eigen objecten, waarbij ze de assemblage-methode toepaste die kenmerkend is voor haar praktijk.’ Er staat bijvoorbeeld ‘een 16de-eeuwse stenen sculptuur van een heilige bisschop, afkomstig van de Dom van Utrecht, met een kleurig, abstract metalen object van Stockholder, stevig aan elkaar vastgesjord met een felgekleurde spanband.’ Stevig vastgesjord, alsjeblieft! En nog wel aan een heilige bisschop, vond de kerk dat zo maar goed? Stockholder bedoelde er in elk geval geen kwaad mee, ze is alleen maar ‘geïnteresseerd in de verbindingen die dingen met elkaar aangaan, in de overgangszone, de soms nauwelijks waar te nemen randen, waar objecten elkaar ontmoeten, of waar ze een verbinding aangaan met de omgeving.’ Herinnert u zich misschien nog die monsterlijke vis die een ‘kunstenaar’ maandenlang in een dodelijke omhelzing aan de Domtoren had laten vastklinken? De sadist!
   
Filmregisseur Wes Anderson en kostuumontwerpster en schrijfster Juman Malouf viel de eer te beurt een tentoonstelling samen te stellen uit objecten van het Kunsthistorisch Museum in Wenen. Voor Den Hartog Jager was het een feest om er rond te lopen. Je belandt er, schrijft hij, ‘in een Wunderkammer-achtige wereld waarin de wetten van alledag niet meer lijken te gelden – terwijl de 430 objecten toch echt allemaal van onze aarde afkomstig zijn.’ Een wereld waarin de wetten van alledag niet meer lijken te gelden, hoe zou die eruit zien? Een rommelzolder zo te lezen, Den Hartog Jager loopt bijvoorbeeld langs ‘een grote glazen kwal, een porseleinen beeld van een naakte vrouw die op een egel zit, een zestiende-eeuws dubbelportret van een reus en een dwerg, Titiaans portret van Kurfürst Johann Friedrich von Sachsen. […] Weelderige Mexicaanse vazen, een Japans Kagura Masker, een papegaaienveren schort uit Peru, een jurk uit 1978 die werd gebruikt in een productie van Hedda Gabler – je ziet Malouf er zo in weglopen.’ Den Hartog Jager valt ‘van de ene verbazing in de andere verrukking’. We mogen de objecten beschouwen als ‘een soort ready- mades’ en Anderson en Malouf
hebben daarmee een ‘parallelle wereld’ gemaakt, ‘waarbij ze niet alleen maar hebben gekozen, maar ook hebben geschapen.’
   
Vroeger zocht een kunstenaar, bewust of onbewust, naar verbanden: een kunstwerk bevatte samenhang, hoe grillig en chaotisch het op het eerste gezicht misschien ook mocht lijken. Hebben Anderson en Malouf misschien de chaos willen verbeelden? Maar ook een kunstwerk dat de chaos verbeeldt bevat samenhang. Andersons en Maloufs ordeloze verzameling ‘ready-mades’ is chaos. Ongein.
   
Dan … Maar dit stukje dreigt te lang te worden. Terwijl er nog zoveel meer te zien is! Op de Offspring 2019 van De Ateliers bijvoorbeeld ‘verzamelingen gelast schrootmateriaal, papier-maché, verbrande kluizen, schimmige onderwaterbeelden en verknipte stukken vinyl’ waaruit ‘een door techniek te gronde gerichte wereld spreekt, ontdaan van kleur,’ in een galerie in New York honderden gebruiksvoorwerpen van Donald Trump, verzameld door de kunstenaar Andres Serrano. En op de Biënnale van Venetië heeft Litouwen de Gouden Leeuw gekregen voor ‘het beste paviljoen’: een stuk strand met ‘zingende badgasten op handdoeken met tijdschriften en hoedjes’ dat ‘de alledaagse luiheid en gemakzucht van de mens’ onderstreept.
   
O en, ja hierna stop ik, in Sittard toont Domijnen werk van de Cubaanse kunstenaar Ricardo Brey. Blijkens de recensie van Toef Jaeger in NRC-Handelsblad wil Brey dingen ‘nieuw leven inblazen’ – dat klinkt tenminste sympathieker dan ze als ready-mades gebruiken. Zo gaf hij een boomstronk een nieuwe functie door er een spijker in te slaan, daar een bruine broekriem aan te bevestigen en daaronder een koord van eieren te hangen. Op de tentoonstelling in De Domijnen zien we onder andere een zwarte pelikaan op een pilaster met ernaast ‘stenen en een vieze gloeilamp’. In dit verband is het goed te weten dat Brey’s kunstwerken eigenlijk puzzels zijn: de stenen en de vieze gloeilamp zijn de eieren van de pelikaan, die door toedoen van de mensen geen nageslacht meer zal voortbrengen en ten dode is opgeschreven. De fruitkisten die Brey eerder in het Museum van Hedendaagse Kunst in Gent exposeerde en waarin 391 geschriften verstopt zaten, maakten volgens Toef Jaeger ook deel uit van een ‘legpuzzel die al deels te zien was in 2015 toen hij in Antwerpen een serie “dozen” tentoonstelde waarin verschillende objecten zaten.’ Een puzzel mag een uitdaging zijn om je hersens op stuk te breken, maar – ik geef toe, dit stukje wordt eentonig – het is geen kunst.

Helaas! Ongein vult nog steeds grotendeels de expositieruimten voor moderne kunst. En zij die in de moderne kunstwereld de dienst uitmaken zorgen er wel voor dat er extreme bedragen voor blijven worden neergeteld. Zoals Beatrice Ruf, gewiekste zakenvrouw en nummer zeven in de 'Power Top 100 van kunstgrootheden' van het Amerikaanse tijdschrift Art Review in het jaar waarin ze werd aangezocht als directeur van het Stedelijk Museum in Amsterdam. Zij en haar machtige collega’s bepalen wat kunst is en drijven de prijzen zo nodig op.

‘Heel goed, het smaakt hun afschuwelijk!’ zei de geniale meester-kok in Marten Toonders vervolgverhaal Panda en de meester-kok, dat eind jaren veertig in Het Leidsch Dagblad verscheen. Eten moest niet te vreten zijn. We hebben daar toen erg om gelachen en dat is ook nu misschien maar het beste om te doen. Al zouden we natuurlijk eigenlijk woedend moeten zijn. Want hoe lang zadelt de maffiose kunstwereld ons nu al niet op met die eindeloos saaie en duffe bedenksels? Kan dit nu eindelijk niet eens ophouden?

Nu zegt u dat u een boomstronk met een spijker erin waaraan een bruine broekriem hangt best mooi vindt en vraagt me wat ik dan eigenlijk wél wil. Twaalf jaar geleden schreef ik in ditzelfde tijdschrift: ‘Wat een feest zou het zijn in de zalen van het Stedelijk of van het Gemeentemuseum werk te zien van Jörg Remé, Rik Lina, Jan Schlechter en van nog zo veel andere door de officiële kunstwereld veronachtzaamde uitzonderlijke kunstenaars!’ In een volgend stukje kom ik daarop terug.

Recensies in NRC-Handelsblad van Den Hartog Jager 16 januari, 8 februari, 6 maart en 3 april 2019; Toef Jaeger 24 april 2019, Janneke Wesseling 8 mei 2019.

---------
De inspiratie voor deze tirade werd gevormd door een foto van het atelier van Alex Verduijn den Boer (zie plaatje rechtsboven). Laatstgenoemde had de boel een beetje opgeruimd om de leden van het Genootschap De Leunstoel netjes te ontvangen (voor de jaarvergadering). Via een plaatje op WhatsApp stelde hij ons (de redactie) daarvan trots in kennis. Ongeveer tegelijkertijd vroeg Gerbrand ons om zomaar een plaatje, om weer eens een 'beeldverhaal' te kunnen maken. Zo is het dus gekomen. De wordingsgeschiedenis kende Gerbrand natuurlijk niet, maar ja zo kan dat gaan met een verhaal dat geïnspireerd is op een beeld zonder toelichting.
Nummer 1703, verschijningsdatum 14 november a.s., zal weer een beeldennummer zijn, waarin diverse schrijvers zich wagen aan het maken van een beeldverhaal.
© 2019 Gerbrand Muller
powered by CJ2