archiefvorig nr.lopend nr.

Nummer 3
Jaargang 16
8 november 2018
Nummer 4 verschijnt op
29 november 2018
Vermaak en Genot > De wereldliteratuur roept delen printen terug
Een heel boek over plaatjes! Frits Hoorweg

1603VG Plaatjesboek‘Het eigenwijze potlood’ is de titel van een interessant boek van de hand van Carel Peeters, bij velen bekend als literatuurredacteur van Vrij Nederland. Hij heeft twintig ‘portretten’ gemaakt van literaire tekenaars die hem na aan het hart liggen. Nou ja, het zijn portretten die voornamelijk uit tekst bestaan. Iedere tekenaar wordt gekarakteriseerd in 10 tot 15 pagina’s tekst, afgewisseld met vijf of zes plaatjes. Het boek heeft niet veel aandacht gekregen, zelfs bij de betere boekhandel ligt het ergens achteraf of (vaker nog) moet het worden besteld.

De omslag wordt gesierd door ‘De beroemde kluwen potloodlijn’ van de hand van Jeroen Henneman, één van de twintig. Het essay dat Peeters over hem schreef (het vierde in de rij) begint met een alinea over juist dit plaatje.
‘De lijnen van Jeroen Henneman willen van het platte vlak loskomen en concreet, driedimensionaal worden.’ Even verder werkt de schrijver dat nog wat uit: ‘… je ziet iets dat driedimensionale diepte lijkt te hebben, maar uiteindelijk plat is. Een staande tekening is een symbiose tussen tekening en object. De ruimte, en niet het papier, is de drager van de lijnen.’

Een ruim citaat omdat een plaatje van de omslag, met die tekening, hiernaast is afgebeeld (hopelijk blijft dat ruimtelijke effect bewaard), maar ook vanwege het inzicht dat u zo kunt krijgen in het soort redeneringen waarin Peeters grossiert. Zelf ben ik eerlijk gezegd niet zo’n liefhebber van dergelijke taal, maar het boek fascineert me zo dat ik het voor lief neem. Vaak heb ik dan wel het gevoel van: laat alsjeblieft liever nog een paar plaatjes zien, dan begrijp ik het waarschijnlijk beter. Gelukkig heb je tegenwoordig internet. Klop de naam van een tekenaar in en je wordt op je wenken bediend.

Van de 20 ‘geportretteerde’ tekenaars zijn er zeven landgenoten. Behalve Henneman zijn dat: Peter Vos, Willem van Malsen, Joost Swarte, Dick Bruna, Siegfried Woldhek en Peter van Straaten. Ik neem aan dat lezers van De Leunstoel deze namen wel kennen en ook wel eens plaatjes van ze gezien hebben. Peeters geeft terloops wel biografische details, maar hij is hoofdzakelijk op zoek naar manieren om hun stijl en de wordingsgeschiedenis daarvan te karakteriseren. Daarbij ontglippen hem natuurlijk generalisaties waarvan een zeikerd als ik dan kan zeggen ‘nou, nou’. Zo blijf ik haken aan de conclusie dat alle tekenaars (niet alleen de Nederlanders) zich op den duur ontwikkelen van illustrator tot verhalenverteller. Ehh? Voor Bruna en Woldhek gaat dat toch slechts in zeer beperkte mate op. Verder zou ik denken dat Peter van Straaten eigenlijk altijd een verhalenverteller is geweest. Maar, eerlijk is eerlijk: die uitspraak mag dan niet 100% juist zijn, er zit wel wat in!

Van de geportretteerde buitenlanders kende ik alleen David Levine wat beter, omdat hij voor de New York Review of Books portretten heeft gemaakt. Net als Siegfried Woldhek nu doet. Anders dan Woldhek had Levine soms de hebbelijkheid om de geportretteerden af te beelden met een nadrukkelijke verwijzing naar één of andere affaire; zie het portret van President Johnson met dat kaartje van Vietnam op z’n buik. Verder worden er vooral ‘buitenlanders’ geportretteerd die ik weleens ben tegengekomen in één of ander boek zonder dat ze me erg hadden gefrappeerd. Daar is dus nu verandering in gekomen.
Ik voel me nu, na het lezen van dit boek, enigszins vertrouwd met het werk en de persoon van: Saul Steinberg, Ever Meulen, Philippe Petit-Roulet, Walter Trier, Wilhelm Busch, Floch, Ernest H.Shepard, Glen Baxter, Benoit, Sempé. Overigens zonder dat ik nu een omweg zal maken om naar een tentoonstelling van hun werk te gaan. Nou ja, vooruit, als het hier om de hoek bij Museum Meermanno is ga ik wel even langs *.

Twee buitenlandse kunstenaars springen er wat mij betreft uit: Hans Traxler en Henry Darger. Over eerstgenoemde wordt gemeld: ‘Traxler kent de eigenaardigheden van zijn legendarische personen en weet uit hun biografie het detail te lichten waarmee ze zichzelf het meest blootgeven’. Als voorbeeld wordt genoemd: ‘Geassisteerd door Albert Speer bouwt Hitler met Ankersteentjes de stad Londen opnieuw’. Verder is hij gespecialiseerd in een soort verknipte humor: zo tekent hij ‘een vis die op de oever klautert in de richting van een vissen-wc omdat het water van de zee niet meer vervuild mag worden’. Ja, het is bijna te flauw voor woorden, maar in een tekening op een bijzondere manier grappig. Bijzonder aan Traxler is dat hij volgens Peeters ‘niet met een tekenpen, maar met een penseel tekent. De penseel verleent elke tekening een onnadrukkelijke zwier … ’.

Een wel heel apart geval is Henry Darger. Peeters ontdekte hem in het American Folk Art Museum in New York. Daar kwam hij ‘oog in oog te staan met een reeks tekeningen van een breedte van zeker drie meter’. Darger leefde van 1892 tot 1973 in totale afzondering, hij werkte als bordenwasser en schoonmaker in diverse ziekenhuizen in Chicago. De verhuurders van zijn kleine woning troffen, nadat hij kort voor zijn dood in het ziekenhuis was opgenomen, driehonderd grote tekeningen aan die horen bij een vijftiendelig manuscript van bij elkaar meer dan vijftienduizend dicht op elkaar getypte pagina’s, getiteld The Story of the Vivian Girls in What is Known als the Realms of the Unreal’. Darger lijkt een beetje verdwaald in dit boek, maar ik kan mij voorstellen dat Peeters er iets mee wilde doen. Als ik ooit nog eens in New York zou komen ging ik zeker naar dat museum.

Carel Peeters, Het eigenwijze potlood, 20 literaire tekenaars, De Harmonie 2018

-----
* Over Museum Meermanno gesproken: daar is op het moment een tentoonstelling van werk van Quentin Blake, vooral bekend van zijn illustraties van kinderboeken van Roald Dahl.


© 2018 Frits Hoorweg meer Frits Hoorweg - meer "De wereldliteratuur roept" -
Vermaak en Genot > De wereldliteratuur roept
Een heel boek over plaatjes! Frits Hoorweg
1603VG Plaatjesboek‘Het eigenwijze potlood’ is de titel van een interessant boek van de hand van Carel Peeters, bij velen bekend als literatuurredacteur van Vrij Nederland. Hij heeft twintig ‘portretten’ gemaakt van literaire tekenaars die hem na aan het hart liggen. Nou ja, het zijn portretten die voornamelijk uit tekst bestaan. Iedere tekenaar wordt gekarakteriseerd in 10 tot 15 pagina’s tekst, afgewisseld met vijf of zes plaatjes. Het boek heeft niet veel aandacht gekregen, zelfs bij de betere boekhandel ligt het ergens achteraf of (vaker nog) moet het worden besteld.

De omslag wordt gesierd door ‘De beroemde kluwen potloodlijn’ van de hand van Jeroen Henneman, één van de twintig. Het essay dat Peeters over hem schreef (het vierde in de rij) begint met een alinea over juist dit plaatje.
‘De lijnen van Jeroen Henneman willen van het platte vlak loskomen en concreet, driedimensionaal worden.’ Even verder werkt de schrijver dat nog wat uit: ‘… je ziet iets dat driedimensionale diepte lijkt te hebben, maar uiteindelijk plat is. Een staande tekening is een symbiose tussen tekening en object. De ruimte, en niet het papier, is de drager van de lijnen.’

Een ruim citaat omdat een plaatje van de omslag, met die tekening, hiernaast is afgebeeld (hopelijk blijft dat ruimtelijke effect bewaard), maar ook vanwege het inzicht dat u zo kunt krijgen in het soort redeneringen waarin Peeters grossiert. Zelf ben ik eerlijk gezegd niet zo’n liefhebber van dergelijke taal, maar het boek fascineert me zo dat ik het voor lief neem. Vaak heb ik dan wel het gevoel van: laat alsjeblieft liever nog een paar plaatjes zien, dan begrijp ik het waarschijnlijk beter. Gelukkig heb je tegenwoordig internet. Klop de naam van een tekenaar in en je wordt op je wenken bediend.

Van de 20 ‘geportretteerde’ tekenaars zijn er zeven landgenoten. Behalve Henneman zijn dat: Peter Vos, Willem van Malsen, Joost Swarte, Dick Bruna, Siegfried Woldhek en Peter van Straaten. Ik neem aan dat lezers van De Leunstoel deze namen wel kennen en ook wel eens plaatjes van ze gezien hebben. Peeters geeft terloops wel biografische details, maar hij is hoofdzakelijk op zoek naar manieren om hun stijl en de wordingsgeschiedenis daarvan te karakteriseren. Daarbij ontglippen hem natuurlijk generalisaties waarvan een zeikerd als ik dan kan zeggen ‘nou, nou’. Zo blijf ik haken aan de conclusie dat alle tekenaars (niet alleen de Nederlanders) zich op den duur ontwikkelen van illustrator tot verhalenverteller. Ehh? Voor Bruna en Woldhek gaat dat toch slechts in zeer beperkte mate op. Verder zou ik denken dat Peter van Straaten eigenlijk altijd een verhalenverteller is geweest. Maar, eerlijk is eerlijk: die uitspraak mag dan niet 100% juist zijn, er zit wel wat in!

Van de geportretteerde buitenlanders kende ik alleen David Levine wat beter, omdat hij voor de New York Review of Books portretten heeft gemaakt. Net als Siegfried Woldhek nu doet. Anders dan Woldhek had Levine soms de hebbelijkheid om de geportretteerden af te beelden met een nadrukkelijke verwijzing naar één of andere affaire; zie het portret van President Johnson met dat kaartje van Vietnam op z’n buik. Verder worden er vooral ‘buitenlanders’ geportretteerd die ik weleens ben tegengekomen in één of ander boek zonder dat ze me erg hadden gefrappeerd. Daar is dus nu verandering in gekomen.
Ik voel me nu, na het lezen van dit boek, enigszins vertrouwd met het werk en de persoon van: Saul Steinberg, Ever Meulen, Philippe Petit-Roulet, Walter Trier, Wilhelm Busch, Floch, Ernest H.Shepard, Glen Baxter, Benoit, Sempé. Overigens zonder dat ik nu een omweg zal maken om naar een tentoonstelling van hun werk te gaan. Nou ja, vooruit, als het hier om de hoek bij Museum Meermanno is ga ik wel even langs *.

Twee buitenlandse kunstenaars springen er wat mij betreft uit: Hans Traxler en Henry Darger. Over eerstgenoemde wordt gemeld: ‘Traxler kent de eigenaardigheden van zijn legendarische personen en weet uit hun biografie het detail te lichten waarmee ze zichzelf het meest blootgeven’. Als voorbeeld wordt genoemd: ‘Geassisteerd door Albert Speer bouwt Hitler met Ankersteentjes de stad Londen opnieuw’. Verder is hij gespecialiseerd in een soort verknipte humor: zo tekent hij ‘een vis die op de oever klautert in de richting van een vissen-wc omdat het water van de zee niet meer vervuild mag worden’. Ja, het is bijna te flauw voor woorden, maar in een tekening op een bijzondere manier grappig. Bijzonder aan Traxler is dat hij volgens Peeters ‘niet met een tekenpen, maar met een penseel tekent. De penseel verleent elke tekening een onnadrukkelijke zwier … ’.

Een wel heel apart geval is Henry Darger. Peeters ontdekte hem in het American Folk Art Museum in New York. Daar kwam hij ‘oog in oog te staan met een reeks tekeningen van een breedte van zeker drie meter’. Darger leefde van 1892 tot 1973 in totale afzondering, hij werkte als bordenwasser en schoonmaker in diverse ziekenhuizen in Chicago. De verhuurders van zijn kleine woning troffen, nadat hij kort voor zijn dood in het ziekenhuis was opgenomen, driehonderd grote tekeningen aan die horen bij een vijftiendelig manuscript van bij elkaar meer dan vijftienduizend dicht op elkaar getypte pagina’s, getiteld The Story of the Vivian Girls in What is Known als the Realms of the Unreal’. Darger lijkt een beetje verdwaald in dit boek, maar ik kan mij voorstellen dat Peeters er iets mee wilde doen. Als ik ooit nog eens in New York zou komen ging ik zeker naar dat museum.

Carel Peeters, Het eigenwijze potlood, 20 literaire tekenaars, De Harmonie 2018

-----
* Over Museum Meermanno gesproken: daar is op het moment een tentoonstelling van werk van Quentin Blake, vooral bekend van zijn illustraties van kinderboeken van Roald Dahl.
© 2018 Frits Hoorweg
powered by CJ2