archiefvorig nr.lopend nr.

Nummer 1
Jaargang 16
11 oktober 2018
Nummer 2 verschijnt op
25 oktober 2018
Beschouwingen > Brief uit ... delen printen terug
Groepsreis (2): de Balkan Carlo van Praag

1601BS ZuidoostAltijd gefascineerd geweest door de Balkan. Verslond als adolescent de aldaar spelende boeken van Den Doolaard en herlees ze nu. Dat het geen grote literatuur is, had ik destijds al in de gaten en ik word daar bij herlezing in bevestigd. Hoewel de schrijver ongetwijfeld blijk geeft van talent, is zijn romantisering en heroïsering van de Balkanmens penetrant en zijn taalgebruik in dat verband vaak  gezwollen. Dat zijn verhalen niet kunnen worden afgedaan als complete kitsch komt doordat hij steeds weer ruimte biedt aan personages die een weerwoord bieden aan de stramme ongenaakbaarheid van de volkshelden en aan hun primitieve chauvinisme.

De ratio krijgt een stem naast en tegen die van de verslindende hartstocht, waaraan de schrijver ongetwijfeld zelf leed, maar waarop hij blijkbaar ook kritisch reflecteert. Het etnische chauvinisme is overigens allerminst overwonnen. Het werd in de jaren negentig, zoals u zich herinnert, door de politieke leiders  van Joegoslavië, Miloševic voorop,  op misdadige wijze geëxploiteerd en ook nu leeft het nog volop. Enghartig nationalisme is alom manifest. Middeleeuwse mythen fungeren er nog steeds als rechtvaardiging voor gebiedsaanspraken (In Israël bedient men zich in dat verband overigens van nog oudere mythen).

Mijn nuchtere ik heeft al lang zijn bekomst van de Balkan en zou deze landen buiten de EU willen houden, met inbegrip van de landen die reeds zijn binnengehaald. Maar mijn irrationele fascinatie met het gebied is daarmee nog niet helemaal verdwenen. Het zit hem voor een deel in de muziek met zijn melancholieke intervallen, waaronder de veel gebruikte hidjaz-toonladder, u weet wel, die met de overmatige secunde. Deels is ook het exotische, nog steeds enigszins oosterse karakter van het gebied aansprakelijk. En de onherbergzaamheid: een stukje Afghanistan in Europa. Ach, dat is wat overdreven.

Ik heb Griekenland herhaaldelijk bereisd en spreek zelfs de taal een beetje. Zonder gymnasiumopleiding, mensen, gewoon onderweg geleerd! Op doorreis met de trein of met de auto kwam ik dan ook door Joegoslavië, toenmaals, ik spreek van de jaren zestig, in vergelijking met Griekenland, een land van stilte en duisternis. Had  ik er maar langer verbleven, in het oude Joegoslavië met zijn Habsburgse noorden, zijn Ottomaanse zuiden en zijn Italiaanse kust.

Maar nu de oostelijke Balkan. Die had ik nauwelijks bezocht. Vandaar dat ik mij in de jaren negentig inschreef voor een culturele busreis door Roemenië en Bulgarije, zonder het vrouwtje ditmaal, want die houdt niet van busreizen en ook niet van grote gezelschappen. Over het niveau van de medereizigers: met de koopkracht zat het wel goed, maar het cultureel niveau was niet wat ik verwachtte van de immers als cultureel aangeprezen tocht. Een deel van de groep was verwend en klagerig, zelfs zo, dat ik na afloop van de reis een aardige brief aan de reisorganisatie (de SRC) heb gericht met lof voor de uitstekende gidsen. Zo'n reis is trouwens een belevenis, niet alleen vanwege de vreemde omgeving waarin je terecht komt, maar ook vanwege de groepsdynamiek. Als gehuwde alleengaande ontmoet je wantrouwen. Met een man die zijn vrouw thuislaat moet wel iets mis zijn. Als vermoedelijke schuinsmarcheerder werd ik dus in de snel en informeel geregelde tafelschikking, toegedeeld aan een klein groepje andere paria's: een stotterende weduwnaar en  een opgewekte alcoholist met zijn losbandige, of in elk geval uitbundige, dame. Ik heb mij met deze andere verstotenen redelijk geamuseerd.

De reis was keurig verzorgd, maar in dit soort landen loopt niet alles op rolletjes. Juist van wat er mis ging heb ik het meest genoten. Zo begaf onze bus het in Braila aan de Donau, juist op het moment dat hij de pont op zou rijden.  De chauffeur inspecteerde de motor: ‘oud roest’ volgens een van de passagiers die over zijn schouder meekeek. Een onderdeel moest worden vervangen en de chauffeur zou dat gaan zoeken in het havenkwartier van de stad. Het werd een lange avond in het veerhuiscafé. In dat café werden tegen een schertsbedrag plastic flacons met pruimenbrandy verkocht (en weinig anders dan dat) waarvan de plaatselijke bevolking en sommige toeristen (waaronder ikzelve) zich ruim bedienden. Een totaal bezopen, vertrekkende klant probeerde zijn boerenwagen te bestijgen, en toen dat de derde keer eindelijk lukte, werd hij er prompt weer afgeworpen doordat het ongeduldige paard zich wat al te abrupt in beweging zette, de lallende voerman in de modder achterlatend. Daarentegen was er een kleine jongen die op mijn flesje wees. ‘You must not drink that stuff’ zei hij. Hij maakte zijn huiswerk in het café omdat het thuis (hij wees op een flatgebouw verderop) te klein en te lawaaiig was. We hebben ons samen over zijn sommen gebogen, waarvan hij de Roemeense context (kinderen die knikkers verdelen) in het Engels vertaalde.

Het nieuwe onderdeel arriveerde en de bus werd weer bestegen. Met het aldus gerenoveerde voertuig kwamen wij eindelijk op de pont  en slaagden wij er nog net in die aan de andere oever weer te verlaten, maar de steilte was onze bus te machtig en hij kwam op de helling tot stilstand, nu definitief. Daar zaten wij aan gene zijde van de rivier, waar de Dobroedzja begint, nu wachtend op een nieuwe bus die helemaal uit Boekarest moest komen. Best uit te houden op het zachte gras in de lauwe maanverlichte nacht, maar het gemopper was niet van de lucht. Wij kwamen om half vier ’s ochtends aan in Tulcea. In het hotel ging het volgens de regels: wij kregen dus, door begrijpelijkerwijs niet erg goedgehumeurde serveersters, het  diner opgediend waarop wij recht hadden. We konden nog een paar uur slapen voor de tocht weer verder ging.

Wachten was het ook aan de Roemeens-Bulgaarse grens. Doordat de chauffeur de grensbewakers omkocht (bedrag in de reissom opgenomen)  werd de wachttijd echter bekort tot twee uur. Vijf minuten later de eerste Cyrillische letters op de gevels.

Veel toeristische informatie hebt u van mij niet gekregen. Laat ik het zo samenvatten: er waren bezienswaardigheden onderweg. Ga er niet op af! Onthoud u van toerisme. Het is een schadelijke kracht, het verbreedt niet de horizon en brengt volken niet nader tot elkaar.

Zbogom! La rivedere!

-----
Het plaatje is van Han Busstra
--------
Noot van de redactie: helaas lukt het ons niet meer het vereiste accent op de c van Miloševic aan te brengen en ook het omgekeerde dakje op de eerste a van Braila wil niet meer verschijnen. Onze (oude) site kan dat soort dingen niet meer aan.


© 2018 Carlo van Praag meer Carlo van Praag - meer "Brief uit ..." -
Beschouwingen > Brief uit ...
Groepsreis (2): de Balkan Carlo van Praag
1601BS ZuidoostAltijd gefascineerd geweest door de Balkan. Verslond als adolescent de aldaar spelende boeken van Den Doolaard en herlees ze nu. Dat het geen grote literatuur is, had ik destijds al in de gaten en ik word daar bij herlezing in bevestigd. Hoewel de schrijver ongetwijfeld blijk geeft van talent, is zijn romantisering en heroïsering van de Balkanmens penetrant en zijn taalgebruik in dat verband vaak  gezwollen. Dat zijn verhalen niet kunnen worden afgedaan als complete kitsch komt doordat hij steeds weer ruimte biedt aan personages die een weerwoord bieden aan de stramme ongenaakbaarheid van de volkshelden en aan hun primitieve chauvinisme.

De ratio krijgt een stem naast en tegen die van de verslindende hartstocht, waaraan de schrijver ongetwijfeld zelf leed, maar waarop hij blijkbaar ook kritisch reflecteert. Het etnische chauvinisme is overigens allerminst overwonnen. Het werd in de jaren negentig, zoals u zich herinnert, door de politieke leiders  van Joegoslavië, Miloševic voorop,  op misdadige wijze geëxploiteerd en ook nu leeft het nog volop. Enghartig nationalisme is alom manifest. Middeleeuwse mythen fungeren er nog steeds als rechtvaardiging voor gebiedsaanspraken (In Israël bedient men zich in dat verband overigens van nog oudere mythen).

Mijn nuchtere ik heeft al lang zijn bekomst van de Balkan en zou deze landen buiten de EU willen houden, met inbegrip van de landen die reeds zijn binnengehaald. Maar mijn irrationele fascinatie met het gebied is daarmee nog niet helemaal verdwenen. Het zit hem voor een deel in de muziek met zijn melancholieke intervallen, waaronder de veel gebruikte hidjaz-toonladder, u weet wel, die met de overmatige secunde. Deels is ook het exotische, nog steeds enigszins oosterse karakter van het gebied aansprakelijk. En de onherbergzaamheid: een stukje Afghanistan in Europa. Ach, dat is wat overdreven.

Ik heb Griekenland herhaaldelijk bereisd en spreek zelfs de taal een beetje. Zonder gymnasiumopleiding, mensen, gewoon onderweg geleerd! Op doorreis met de trein of met de auto kwam ik dan ook door Joegoslavië, toenmaals, ik spreek van de jaren zestig, in vergelijking met Griekenland, een land van stilte en duisternis. Had  ik er maar langer verbleven, in het oude Joegoslavië met zijn Habsburgse noorden, zijn Ottomaanse zuiden en zijn Italiaanse kust.

Maar nu de oostelijke Balkan. Die had ik nauwelijks bezocht. Vandaar dat ik mij in de jaren negentig inschreef voor een culturele busreis door Roemenië en Bulgarije, zonder het vrouwtje ditmaal, want die houdt niet van busreizen en ook niet van grote gezelschappen. Over het niveau van de medereizigers: met de koopkracht zat het wel goed, maar het cultureel niveau was niet wat ik verwachtte van de immers als cultureel aangeprezen tocht. Een deel van de groep was verwend en klagerig, zelfs zo, dat ik na afloop van de reis een aardige brief aan de reisorganisatie (de SRC) heb gericht met lof voor de uitstekende gidsen. Zo'n reis is trouwens een belevenis, niet alleen vanwege de vreemde omgeving waarin je terecht komt, maar ook vanwege de groepsdynamiek. Als gehuwde alleengaande ontmoet je wantrouwen. Met een man die zijn vrouw thuislaat moet wel iets mis zijn. Als vermoedelijke schuinsmarcheerder werd ik dus in de snel en informeel geregelde tafelschikking, toegedeeld aan een klein groepje andere paria's: een stotterende weduwnaar en  een opgewekte alcoholist met zijn losbandige, of in elk geval uitbundige, dame. Ik heb mij met deze andere verstotenen redelijk geamuseerd.

De reis was keurig verzorgd, maar in dit soort landen loopt niet alles op rolletjes. Juist van wat er mis ging heb ik het meest genoten. Zo begaf onze bus het in Braila aan de Donau, juist op het moment dat hij de pont op zou rijden.  De chauffeur inspecteerde de motor: ‘oud roest’ volgens een van de passagiers die over zijn schouder meekeek. Een onderdeel moest worden vervangen en de chauffeur zou dat gaan zoeken in het havenkwartier van de stad. Het werd een lange avond in het veerhuiscafé. In dat café werden tegen een schertsbedrag plastic flacons met pruimenbrandy verkocht (en weinig anders dan dat) waarvan de plaatselijke bevolking en sommige toeristen (waaronder ikzelve) zich ruim bedienden. Een totaal bezopen, vertrekkende klant probeerde zijn boerenwagen te bestijgen, en toen dat de derde keer eindelijk lukte, werd hij er prompt weer afgeworpen doordat het ongeduldige paard zich wat al te abrupt in beweging zette, de lallende voerman in de modder achterlatend. Daarentegen was er een kleine jongen die op mijn flesje wees. ‘You must not drink that stuff’ zei hij. Hij maakte zijn huiswerk in het café omdat het thuis (hij wees op een flatgebouw verderop) te klein en te lawaaiig was. We hebben ons samen over zijn sommen gebogen, waarvan hij de Roemeense context (kinderen die knikkers verdelen) in het Engels vertaalde.

Het nieuwe onderdeel arriveerde en de bus werd weer bestegen. Met het aldus gerenoveerde voertuig kwamen wij eindelijk op de pont  en slaagden wij er nog net in die aan de andere oever weer te verlaten, maar de steilte was onze bus te machtig en hij kwam op de helling tot stilstand, nu definitief. Daar zaten wij aan gene zijde van de rivier, waar de Dobroedzja begint, nu wachtend op een nieuwe bus die helemaal uit Boekarest moest komen. Best uit te houden op het zachte gras in de lauwe maanverlichte nacht, maar het gemopper was niet van de lucht. Wij kwamen om half vier ’s ochtends aan in Tulcea. In het hotel ging het volgens de regels: wij kregen dus, door begrijpelijkerwijs niet erg goedgehumeurde serveersters, het  diner opgediend waarop wij recht hadden. We konden nog een paar uur slapen voor de tocht weer verder ging.

Wachten was het ook aan de Roemeens-Bulgaarse grens. Doordat de chauffeur de grensbewakers omkocht (bedrag in de reissom opgenomen)  werd de wachttijd echter bekort tot twee uur. Vijf minuten later de eerste Cyrillische letters op de gevels.

Veel toeristische informatie hebt u van mij niet gekregen. Laat ik het zo samenvatten: er waren bezienswaardigheden onderweg. Ga er niet op af! Onthoud u van toerisme. Het is een schadelijke kracht, het verbreedt niet de horizon en brengt volken niet nader tot elkaar.

Zbogom! La rivedere!

-----
Het plaatje is van Han Busstra
--------
Noot van de redactie: helaas lukt het ons niet meer het vereiste accent op de c van Miloševic aan te brengen en ook het omgekeerde dakje op de eerste a van Braila wil niet meer verschijnen. Onze (oude) site kan dat soort dingen niet meer aan.
© 2018 Carlo van Praag
powered by CJ2