archiefvorig nr.lopend nr.

Nummer 3
Jaargang 15
9 november 2017
Nummer 4 verschijnt op
30 november 2017
Vermaak en Genot > De wereldliteratuur roept delen printen terug
Ze zijn wat ze zijn Katharina Kouwenhoven

1501VG Wat ze zijnDe perverse aantrekkingskracht die begraafplaatsen, zerken, grafkapellen, verzamelde schedels, botten en de zulke op mij hebben bracht mij er toe het boek Een Paleis Voor De Doden* aan te schaffen. Dat is een goede koop geweest. Niet alleen staat het vol met interessante informatie over megalieten, maar de schrijver geeft blijk van een verhelderende nuchterheid en laat zich niet verleiden tot mystificaties en spirituele verklaringen.

Waar hebben we het over? Megalieten ofwel Grote Stenen en wel speciaal de monumenten die tijdens de prehistorie in Europa uit ruwe stenen werden gehouwen en zonder metselwerk opgetrokken. Grote stenen, die tijdens de IJstijden werden meegevoerd en hier en daar werden achtergelaten, worden niet tot de megalieten gerekend, want daar is geen mensenhand aan te pas gekomen.
Sommige megalieten zijn op zichzelf staande stenen, de zogenaamde ‘menhirs’, het bekende speeltje van Obelix. Wie wel eens in Carnac, in Bretagne is geweest, heeft het veld gezien waar wel duizend van die stenen geplaatst zijn. De menhirs staan soms in rijen en soms in cirkels, zoals op de Orkney Eilanden.

Behalve losse, rechtopstaande stenen zijn er ook monumenten gevormd door tenminste twee draagstenen onder tenminste één deksteen, zogenaamde dolmens. Zo’n dolmen bevat zeker één kamer, of op zijn minst een afgebakende en overdekte ruimte. Wat wij hunebedden noemen zijn dus dolmens.
Het ontstaan van de megalieten wordt gesitueerd in het Neolithicum, de nieuwe steentijd, tussen 5000 en 3000 V.C. Dit is de periode dat de landbouw zijn intrede deed. Dat laat zich raden. Voor jagers/verzamelaars lag het niet voor de hand enorm veel tijd te investeren in het oprichten van zware stenen monumenten. Daar waren ze te mobiel voor.

In het boek wordt gewezen op de ongerijmdheid van de overgang van jagen en verzamelen naar landbouw; de mesolitische jagers hadden een luizenleventje, hun werkweek telde maar 15 uur, terwijl de boeren moesten ploeteren. Maar landbouw biedt voordelen; de grond levert meer op dan wanneer erop wordt gejaagd en meer mensen kunnen op eenzelfde oppervlakte overleven en door de koolhydraten en vetten in het voedsel stijgt de vruchtbaarheid van de vrouwen. Nu zijn wij allemaal landbouwers tot er een algeheel verbod op wordt uitgevaardigd.

Alle plekken in West-Europa waar megalieten worden aangetroffen worden beschreven en er is een heel hoofdstuk gewijd aan onze hunebedden. In Drenthe zijn dat er meer dan vijftig (!). Ik heb wel eens een hunebed gezien in Drenthe, maar het kostte de grootste moeite om dat op te sporen. Het wordt tijd voor een wandelroute langs onze eigen neolithische pracht. Als iemand dat organiseert, ben ik de eerste om me in te schrijven.

De auteur schenkt natuurlijk ook aandacht aan het raadsel van de verplaatsing van die enorme stenen zonder technische hulpmiddelen. Daar is inmiddels veel onderzoek naar gedaan in de vorm van reconstructies en daaruit blijkt dat het mogelijk was (wat natuurlijk ook al blijkt uit het feit dat die stenen verplaatst zijn) en hoe het gegaan zou kunnen zijn.
En dan is er nog het probleem van de betekenis van deze stenen en stenen bouwsels. Gelukkig waagt de auteur zich daar niet echt aan. De voor de hand liggende verklaring is altijd dat het iets met de godsdienst te maken had. Maar die hadden ze misschien wel helemaal niet. De neolithische mens, net boer geworden, had er vast een bedoeling mee. Gelukkig heeft hij die niet onthuld. Nu kun je genieten van de aanblik van iets groots, iets dat de kracht van mensen bijna te boven gaat, zonder gedachten aan triviale interpretaties van hun betekenis als altaren, offerplaatsen, gebedshuizen, tafels, schoolbanken, feestplekken etc. Ze zijn wat ze zijn en daardoor zo indrukwekkend.

De auteur weet een heleboel een heleboel niet. Dingen die wij geen van allen weten. Als hij speculeert geeft hij dat eerlijk toe. En hij kan leuk schrijven.

* Herman Clerinx (2017), Een Paleis voor de Doden, Amsterdam: Atheneum – Polak & Van Gennep

-------
De foto is van Katharina Kouwenhoven
---------
Door de aangekondigde maatregelen van de nieuwe regering dreigen de boeken 'twee kwartjes' duurder te worden. Dat, en meer boekennieuws op: http://www.schimmelpennink.nl/   .
Ton organiseert zondag ook nog een 'salon', maar die zal als u dit leest wel uitverkocht zijn.


© 2017 Katharina Kouwenhoven meer Katharina Kouwenhoven - meer "De wereldliteratuur roept" -
Vermaak en Genot > De wereldliteratuur roept
Ze zijn wat ze zijn Katharina Kouwenhoven
1501VG Wat ze zijnDe perverse aantrekkingskracht die begraafplaatsen, zerken, grafkapellen, verzamelde schedels, botten en de zulke op mij hebben bracht mij er toe het boek Een Paleis Voor De Doden* aan te schaffen. Dat is een goede koop geweest. Niet alleen staat het vol met interessante informatie over megalieten, maar de schrijver geeft blijk van een verhelderende nuchterheid en laat zich niet verleiden tot mystificaties en spirituele verklaringen.

Waar hebben we het over? Megalieten ofwel Grote Stenen en wel speciaal de monumenten die tijdens de prehistorie in Europa uit ruwe stenen werden gehouwen en zonder metselwerk opgetrokken. Grote stenen, die tijdens de IJstijden werden meegevoerd en hier en daar werden achtergelaten, worden niet tot de megalieten gerekend, want daar is geen mensenhand aan te pas gekomen.
Sommige megalieten zijn op zichzelf staande stenen, de zogenaamde ‘menhirs’, het bekende speeltje van Obelix. Wie wel eens in Carnac, in Bretagne is geweest, heeft het veld gezien waar wel duizend van die stenen geplaatst zijn. De menhirs staan soms in rijen en soms in cirkels, zoals op de Orkney Eilanden.

Behalve losse, rechtopstaande stenen zijn er ook monumenten gevormd door tenminste twee draagstenen onder tenminste één deksteen, zogenaamde dolmens. Zo’n dolmen bevat zeker één kamer, of op zijn minst een afgebakende en overdekte ruimte. Wat wij hunebedden noemen zijn dus dolmens.
Het ontstaan van de megalieten wordt gesitueerd in het Neolithicum, de nieuwe steentijd, tussen 5000 en 3000 V.C. Dit is de periode dat de landbouw zijn intrede deed. Dat laat zich raden. Voor jagers/verzamelaars lag het niet voor de hand enorm veel tijd te investeren in het oprichten van zware stenen monumenten. Daar waren ze te mobiel voor.

In het boek wordt gewezen op de ongerijmdheid van de overgang van jagen en verzamelen naar landbouw; de mesolitische jagers hadden een luizenleventje, hun werkweek telde maar 15 uur, terwijl de boeren moesten ploeteren. Maar landbouw biedt voordelen; de grond levert meer op dan wanneer erop wordt gejaagd en meer mensen kunnen op eenzelfde oppervlakte overleven en door de koolhydraten en vetten in het voedsel stijgt de vruchtbaarheid van de vrouwen. Nu zijn wij allemaal landbouwers tot er een algeheel verbod op wordt uitgevaardigd.

Alle plekken in West-Europa waar megalieten worden aangetroffen worden beschreven en er is een heel hoofdstuk gewijd aan onze hunebedden. In Drenthe zijn dat er meer dan vijftig (!). Ik heb wel eens een hunebed gezien in Drenthe, maar het kostte de grootste moeite om dat op te sporen. Het wordt tijd voor een wandelroute langs onze eigen neolithische pracht. Als iemand dat organiseert, ben ik de eerste om me in te schrijven.

De auteur schenkt natuurlijk ook aandacht aan het raadsel van de verplaatsing van die enorme stenen zonder technische hulpmiddelen. Daar is inmiddels veel onderzoek naar gedaan in de vorm van reconstructies en daaruit blijkt dat het mogelijk was (wat natuurlijk ook al blijkt uit het feit dat die stenen verplaatst zijn) en hoe het gegaan zou kunnen zijn.
En dan is er nog het probleem van de betekenis van deze stenen en stenen bouwsels. Gelukkig waagt de auteur zich daar niet echt aan. De voor de hand liggende verklaring is altijd dat het iets met de godsdienst te maken had. Maar die hadden ze misschien wel helemaal niet. De neolithische mens, net boer geworden, had er vast een bedoeling mee. Gelukkig heeft hij die niet onthuld. Nu kun je genieten van de aanblik van iets groots, iets dat de kracht van mensen bijna te boven gaat, zonder gedachten aan triviale interpretaties van hun betekenis als altaren, offerplaatsen, gebedshuizen, tafels, schoolbanken, feestplekken etc. Ze zijn wat ze zijn en daardoor zo indrukwekkend.

De auteur weet een heleboel een heleboel niet. Dingen die wij geen van allen weten. Als hij speculeert geeft hij dat eerlijk toe. En hij kan leuk schrijven.

* Herman Clerinx (2017), Een Paleis voor de Doden, Amsterdam: Atheneum – Polak & Van Gennep

-------
De foto is van Katharina Kouwenhoven
---------
Door de aangekondigde maatregelen van de nieuwe regering dreigen de boeken 'twee kwartjes' duurder te worden. Dat, en meer boekennieuws op: http://www.schimmelpennink.nl/   .
Ton organiseert zondag ook nog een 'salon', maar die zal als u dit leest wel uitverkocht zijn.
© 2017 Katharina Kouwenhoven
powered by CJ2