archiefvorig nr.lopend nr.

Nummer 3
Jaargang 15
9 november 2017
Nummer 4 verschijnt op
30 november 2017
Vermaak en Genot > Naar de film delen printen terug
Ondervraging in Detroit Hans Knegtmans

1501VG Detroit1Kathryn Bigelow behoort tot de top van de vrouwelijke filmregisseurs in Amerika. Voor The Hurt Locker (2008) over de Iraakse oorlog ontving ze, als eerste vrouw, twee Oscars, een voor beste regie en een voor beste film. Voor Zero Dark Thirty (2012) kreeg ze een Oscarnominatie in de categorie beste film. En nu scoort ze bij de pers weer duchtig met het docudrama Detroit. (Een publieksfavoriet is ze nooit geweest, daarvoor zijn haar films niet toegankelijk genoeg.)

De film beschrijft een aantal incidenten in de stad Detroit (Michigan), in 1967. Deze culmineerden in een rechtszaak, waarin drie lokale politieagenten (blank, zoals vrijwel de gehele toenmalige politiemacht) beschuldigd werden van de moord op drie zwarte mannelijke adolescenten. Dat die beschuldiging terecht was, blijkt in de film zonneklaar. Detroit is dan ook geen thriller met een geheimzinnige intrige: ‘what you see is what you get’. Het is de enormiteit van de misdaad die de kijker naar adem doet happen.

De directe aanleiding tot de plaatselijke onlusten was voor die tijd betrekkelijk gewoontjes. De politie ontruimt een clandestiene kroeg. Ongelukkig genoeg gebeurt dit door de voordeur, duidelijk zichtbaar voor alle voorbijgangers. Dat schiet het zwarte deel van de bevolking in het verkeerde keelgat en de hel breekt los. Deze beelden mogen nog zo realistisch lijken, de kijker kan er vooralsnog weinig structuur in ontdekken. Die komt pas wanneer de regisseur en scenarist Mark Boal hun aandacht nagenoeg exclusief richten op de hoofdpersonen van het drama.

Zo maken we mee hoe op 25 juli de jeugdige Motownzanger in spe ‘Cleveland’ Larry Reed (Algee Smith) zijn aanstaande optreden in de Fox Music Hall door de politie afgelast ziet worden. Samen met zijn nog jongere vriendje Fred (Jacob Latimore) komen ze, op weg naar wat verstrooiing, terecht in het bescheiden maar gezellige Motel Algiers, waar ze twee blanke meisjes ontmoeten.

Via hen leren ze een aantal zwarte jongens kennen die daar ook logeren. Een van de nieuwe vrienden lost in zijn baldadigheid een schot met een startpistool. Dat had hij beter niet kunnen doen, met al die politie op de been. Een van de agenten identificeert de knal abusievelijk als afkomstig van een sluipschutter. In een mum van tijd staat Motel Algiers op zijn kop met zwarte mannelijke1501VG Detroit2 en witte vrouwelijke bezoekers en een politiemacht, gesecondeerd door de National Guard.

Nog steeds hoeft dit geen ramp in te luiden. Maar dan werpt agent Krauss zich op als voorman (de kijker herkent Will Poulter), die heeft kort daarvoor een zwarte plunderaar (de buit: een zak chips) doodgeschoten. Vreemd genoeg mag hij ondanks zijn naderende straf frank en vrij een glansrol vervullen bij het ontmaskeren van de niet-bestaande sluipschutter en het wapen waarmee deze zijn aanslag gepleegd heeft.

Krauss ontpopt zich als een psychopaat van het zuiverste water. De ‘ondervragingen’ waaraan de zwarte jongeren en hun twee vriendinnen zich moeten onderwerpen, zijn pervers, mensonterend en zo walgelijk als je je maar kunt voorstellen. Het enige ‘correcte’ antwoord van iedere verdachte is, zijn misdrijf te bekennen. Zo niet, dan wordt hij meegenomen naar een andere ruimte en daar doodgeschoten. (De twee vrouwen zijn alleen maar hoeren en die komen niet voor een serieus misdrijf in aanmerking.)

Het afsluitende deel van de film is verhoudingsgewijs een anticlimax. De overgang van onuitsprekelijke horror naar een rechtszaak, met openbare aanklager, advocaten en een jury, is te gewoontjes. Niet alleen thematisch, maar ook in het brein van de suf gebeukte kijker. Bigelow heeft haar punt gemaakt en de toeschouwer die meende dat de Amerikaanse maatschappij rechtschapen ingezetenen beloont en overtreders straft, zal – beter laat dan nooit – zijn oordeel moeten bijstellen.

Gelukkig maakt de regisseur ons tot slot deelgenoot van een paar momenten die in al hun bescheidenheid suggereren dat het leven niet uitsluitend een aaneenschakeling van tegenslagen en ellende hoeft te zijn. Larry Reed heeft zijn vocale Motown-aspiraties opgegeven, maar zijn tegenwoordige rol als voorzanger van het swingende kerkkoor maakt voor de parochianen het kerkbezoek niet alleen spiritueel verrijkend, maar ook muzikaal interessant.

De oudere jazzfans onder de kijkers zullen genoegen beleven aan een discussie tussen twee zwarte jongeren over de dood van de zopas overleden (17 juli 1967) jazzgigant John Coltrane. Op de soundtrack klinkt I Want to Talk About You, van de LP Soultrane.       

------
De plaatjes zijn uitgezocht door de schrijver


© 2017 Hans Knegtmans meer Hans Knegtmans - meer "Naar de film"
Vermaak en Genot > Naar de film
Ondervraging in Detroit Hans Knegtmans
1501VG Detroit1Kathryn Bigelow behoort tot de top van de vrouwelijke filmregisseurs in Amerika. Voor The Hurt Locker (2008) over de Iraakse oorlog ontving ze, als eerste vrouw, twee Oscars, een voor beste regie en een voor beste film. Voor Zero Dark Thirty (2012) kreeg ze een Oscarnominatie in de categorie beste film. En nu scoort ze bij de pers weer duchtig met het docudrama Detroit. (Een publieksfavoriet is ze nooit geweest, daarvoor zijn haar films niet toegankelijk genoeg.)

De film beschrijft een aantal incidenten in de stad Detroit (Michigan), in 1967. Deze culmineerden in een rechtszaak, waarin drie lokale politieagenten (blank, zoals vrijwel de gehele toenmalige politiemacht) beschuldigd werden van de moord op drie zwarte mannelijke adolescenten. Dat die beschuldiging terecht was, blijkt in de film zonneklaar. Detroit is dan ook geen thriller met een geheimzinnige intrige: ‘what you see is what you get’. Het is de enormiteit van de misdaad die de kijker naar adem doet happen.

De directe aanleiding tot de plaatselijke onlusten was voor die tijd betrekkelijk gewoontjes. De politie ontruimt een clandestiene kroeg. Ongelukkig genoeg gebeurt dit door de voordeur, duidelijk zichtbaar voor alle voorbijgangers. Dat schiet het zwarte deel van de bevolking in het verkeerde keelgat en de hel breekt los. Deze beelden mogen nog zo realistisch lijken, de kijker kan er vooralsnog weinig structuur in ontdekken. Die komt pas wanneer de regisseur en scenarist Mark Boal hun aandacht nagenoeg exclusief richten op de hoofdpersonen van het drama.

Zo maken we mee hoe op 25 juli de jeugdige Motownzanger in spe ‘Cleveland’ Larry Reed (Algee Smith) zijn aanstaande optreden in de Fox Music Hall door de politie afgelast ziet worden. Samen met zijn nog jongere vriendje Fred (Jacob Latimore) komen ze, op weg naar wat verstrooiing, terecht in het bescheiden maar gezellige Motel Algiers, waar ze twee blanke meisjes ontmoeten.

Via hen leren ze een aantal zwarte jongens kennen die daar ook logeren. Een van de nieuwe vrienden lost in zijn baldadigheid een schot met een startpistool. Dat had hij beter niet kunnen doen, met al die politie op de been. Een van de agenten identificeert de knal abusievelijk als afkomstig van een sluipschutter. In een mum van tijd staat Motel Algiers op zijn kop met zwarte mannelijke1501VG Detroit2 en witte vrouwelijke bezoekers en een politiemacht, gesecondeerd door de National Guard.

Nog steeds hoeft dit geen ramp in te luiden. Maar dan werpt agent Krauss zich op als voorman (de kijker herkent Will Poulter), die heeft kort daarvoor een zwarte plunderaar (de buit: een zak chips) doodgeschoten. Vreemd genoeg mag hij ondanks zijn naderende straf frank en vrij een glansrol vervullen bij het ontmaskeren van de niet-bestaande sluipschutter en het wapen waarmee deze zijn aanslag gepleegd heeft.

Krauss ontpopt zich als een psychopaat van het zuiverste water. De ‘ondervragingen’ waaraan de zwarte jongeren en hun twee vriendinnen zich moeten onderwerpen, zijn pervers, mensonterend en zo walgelijk als je je maar kunt voorstellen. Het enige ‘correcte’ antwoord van iedere verdachte is, zijn misdrijf te bekennen. Zo niet, dan wordt hij meegenomen naar een andere ruimte en daar doodgeschoten. (De twee vrouwen zijn alleen maar hoeren en die komen niet voor een serieus misdrijf in aanmerking.)

Het afsluitende deel van de film is verhoudingsgewijs een anticlimax. De overgang van onuitsprekelijke horror naar een rechtszaak, met openbare aanklager, advocaten en een jury, is te gewoontjes. Niet alleen thematisch, maar ook in het brein van de suf gebeukte kijker. Bigelow heeft haar punt gemaakt en de toeschouwer die meende dat de Amerikaanse maatschappij rechtschapen ingezetenen beloont en overtreders straft, zal – beter laat dan nooit – zijn oordeel moeten bijstellen.

Gelukkig maakt de regisseur ons tot slot deelgenoot van een paar momenten die in al hun bescheidenheid suggereren dat het leven niet uitsluitend een aaneenschakeling van tegenslagen en ellende hoeft te zijn. Larry Reed heeft zijn vocale Motown-aspiraties opgegeven, maar zijn tegenwoordige rol als voorzanger van het swingende kerkkoor maakt voor de parochianen het kerkbezoek niet alleen spiritueel verrijkend, maar ook muzikaal interessant.

De oudere jazzfans onder de kijkers zullen genoegen beleven aan een discussie tussen twee zwarte jongeren over de dood van de zopas overleden (17 juli 1967) jazzgigant John Coltrane. Op de soundtrack klinkt I Want to Talk About You, van de LP Soultrane.       

------
De plaatjes zijn uitgezocht door de schrijver
© 2017 Hans Knegtmans
powered by CJ2