archiefvorig nr.lopend nr.

Nummer 3
Jaargang 15
9 november 2017
Nummer 4 verschijnt op
30 november 2017
Beschouwingen > In de polder delen printen terug
Het wonder van de waterschappen Frits Hoorweg

1414BS WittfogelOoit heb ik een tijdje rondgelopen met het idee te gaan promoveren. Niet vanwege de titel maar uit belangstelling voor een specifiek onderwerp: de geschiedenis van de waterschappen. Zo’n promotie leek mij de manier om aan die, voorlopig vage, interesse structuur te geven.
Mijn belangstelling was al wandelend ontstaan. Bij tochten door onze polders werden mij flarden van de geschiedenis ervan duidelijk en ik wilde meer weten, liefst alles! Ik zocht de bibliotheek af en kocht ook het een en ander. Vervolgens dacht ik na en schreef een paar ideetjes op. Met het resultaat meldde ik mij in Wageningen bij Professor dr. A.T.J. Nooij. Bij hem was ik – min of meer – afgestudeerd, hoewel hij toentertijd nog geen hoogleraar was.

Hij reageerde positief en moedigde mij aan om m’n ideeën verder uit te werken. Daarbij zou ik ook aandacht moeten besteden aan het ‘theoretisch kader’. Ach ja, het theoretisch kader, natuurlijk, want het moest wel een sociologisch proefschrift worden. Hij herinnerde zich ongetwijfeld maar al te goed dat dat nu juist niet mijn liefhebberij was. Daarom kwam hij zelf al met een idee in welke richting ik het moest zoeken en attendeerde mij op ‘Oriental despotism’, een monumentaal werk van ene Karl Wittfogel.

Met enige moeite (internet bestond toen nog niet) lukte het mij de hand te leggen op een exemplaar van dat boek. Vervolgens bleek mij dat die Wittfogel een typisch marxistisch ‘angehauchte’ theoreticus was. Hij meende de maatschappijinrichting te kunnen verklaren uit de wijze waarop de essentiële productieprocessen georganiseerd zijn. Volgens mijn bescheiden mening is dat in het algemeen veel te hoog gegrepen, maar het bracht hem wel tot een voor mijn doel zeer interessante observatie. Hij constateerde namelijk dat beschavingen die gebouwd waren op waterbeheersing in het algemeen een despotische regeringsvorm ontwikkelden. Bekende voorbeelden die hij aanhaalde zijn Egypte en China, maar hij zag er veel meer, vooral in de Oriënt, vandaar de titel van zijn levenswerk. De enige uitzondering op die regel was volgens hem de Delta waarin wij toevallig wonen. Aan een verklaring daarvoor waagde hij zich niet.

Hoewel ik, dat klonk waarschijnlijk al door, niet zo onder de indruk ben van die theorie van Wittfogel, levert zijn laatste observatie wel een aardig startpunt op voor een studie naar de oorsprong van waterschappen. Hoe is die merkwaardige mix van ‘collegiaal’ bestuur en een beetje sturing van bovenaf toch ontstaan? Het zal iedereen duidelijk zijn dat de ene vorm van agrarische productie meer coördinatie vraagt dan de andere. De zompige veengronden in het westen van ons land, waar de eerste waterschappen vermoedelijk ontstaan zijn, schreeuwden om afstemming. Zouden de mensen die zich daar vestigden dat van meet af aan hebben beseft? Waarschijnlijk niet, maar dan werd het ze snel genoeg duidelijk.

Waar kwamen die mensen vandaan? Misschien waren het vrijgemaakte horigen waarvoor geen plek meer was op de landgoederen waar ze waren opgegroeid. Misschien was er in de nieuwe situatie ook nog wel sprake van enige horigheid en waren het ondernemende landheren die leiding geven aan wat je dan gewoon ontginningen zou kunnen noemen. Hier en daar, dat was al langer bekend, is er vanuit kloosters leiding gegeven aan dat proces.
Afijn, dat theoretische kader schemerde mij wel zo’n beetje voor de geest. Maar toen diende het volgende probleem zich aan: ik moest1414BS Nieuwenhuijsen de archieven in, niet één, maar meerdere, en om mijn weg daarin te vinden moest ik mij allerlei vaardigheden eigen maken. Het werd mij alras duidelijk dat ik dat niet op zou kunnen brengen; einde promotieplannen.

De belangstelling voor het onderwerp bleef natuurlijk en daarom kocht ik verwachtingsvol een betrekkelijk recent boek over ‘de ontstaansgeschiedenis van het Graafschap Holland: 900–1100’. Aanvankelijk viel het boek mij niet mee. Er wordt wel erg veel aandacht besteed aan allerlei onmin en strijd tussen graven, hertogen, leenheren en bisschoppen. Ik was regelmatig de draad kwijt en dacht met grote waardering terug aan de samenvatting van mijn vroegere geschiedenisleraar: ‘Na Karel de Grote brak er een periode aan van versplintering en zwak centraal gezag’. Zouden de waterschappen, aannemend dat ze toen zijn ontstaan, hun typische vorm juist te danken hebben aan dat relatief zwakke centrale gezag? De theorie van Wittfogel op z’n kop gezet, als het ware.

Echt interessant werd het boek voor mij pas in Hoofstuk 7: ‘Veenontginningen’. Daar doet de schrijver een verdienstelijke poging om duidelijk te maken hoe die ontginningen in hun werk zijn gegaan. Ze zijn begonnen rond het jaar 800 in Noord-Holland en een paar honderd jaar later is Zuid-Holland gevolgd. Het verwarrende voor ons is dat die benamingen toen nog niet in zwang waren. Men sprak over West-Frisia en over ‘Vrije Friezen’ die zich daar vestigden. Maar laten ze in Leeuwarden toch vooral niet naast hun schoenen gaan lopen. Het waren waarschijnlijk geen Friezen in de betekenis die wij daar nu aan geven en ‘vrij’ betekende toen ook iets anders dan nu.

Hoe de eerste ontginningen, in Noord-Holland, in z’n werk gingen kunnen we enigszins afleiden uit de structuren die nog te herkennen zijn in het land. De kavels zijn onregelmatig, omdat waarschijnlijk van natuurlijke stroompjes is uitgegaan. Pas later zie je het systeem van haaks op de hoofdstroom gegraven afwateringssloten ontstaan. Van de latere ontginningen is, in tegenstelling tot de vroegste, wel wat archiefmateriaal voorhanden (of in ieder geval ergens te vinden). Tot mijn verrassing komt daaruit naar voren dat ‘horigheid’ misschien wel aan slijtage onderhevig was, maar nog lang niet afgeschaft. Misschien is een geleidelijke aanpassing van die horigheid wel de voedingsbodem geweest voor de in zo’n waterschap noodzakelijke gemeenschapszin. Wie weet?

Op bladzijde 128 trekt de schrijver een heldere conclusie:
‘De veenontginningen vergden dus nogal wat organisatie en leiding van bovenaf. Het romantische idee dat vrije boeren op eigen initiatief een collectief vormden en het veen in trokken, stemt waarschijnlijk niet overeen met de middeleeuwse werkelijkheid. Aannemelijker is dat een kleine elite de dienst uitmaakte.’

Dat lijkt mij een onweerlegbare conclusie. Maar ach, waarschijnlijk werd de situatie die ontstond door de boeren ervaren als een verbetering en hebben ze van daaruit nog meer vrijheden weten te realiseren, zonder het gemeenschappelijke doel uit het oog te verliezen! De landheren en aanverwanten kregen daardoor nog meer de handen vrij voor hun onderlinge ruzies.

Karl A.Wittfogel, Oriental despotism, Vintage 1981 (herdruk van de editie van 1957, uitgegeven door Yale University)
Kees Nieuwenhuijsen, Strijd om West Frisia, De ontstaansgeschiedenis van het Graafschap Holland: 900–1100, 2016, Omniboek Utrecht


© 2017 Frits Hoorweg meer Frits Hoorweg - meer "In de polder" -
Beschouwingen > In de polder
Het wonder van de waterschappen Frits Hoorweg
1414BS WittfogelOoit heb ik een tijdje rondgelopen met het idee te gaan promoveren. Niet vanwege de titel maar uit belangstelling voor een specifiek onderwerp: de geschiedenis van de waterschappen. Zo’n promotie leek mij de manier om aan die, voorlopig vage, interesse structuur te geven.
Mijn belangstelling was al wandelend ontstaan. Bij tochten door onze polders werden mij flarden van de geschiedenis ervan duidelijk en ik wilde meer weten, liefst alles! Ik zocht de bibliotheek af en kocht ook het een en ander. Vervolgens dacht ik na en schreef een paar ideetjes op. Met het resultaat meldde ik mij in Wageningen bij Professor dr. A.T.J. Nooij. Bij hem was ik – min of meer – afgestudeerd, hoewel hij toentertijd nog geen hoogleraar was.

Hij reageerde positief en moedigde mij aan om m’n ideeën verder uit te werken. Daarbij zou ik ook aandacht moeten besteden aan het ‘theoretisch kader’. Ach ja, het theoretisch kader, natuurlijk, want het moest wel een sociologisch proefschrift worden. Hij herinnerde zich ongetwijfeld maar al te goed dat dat nu juist niet mijn liefhebberij was. Daarom kwam hij zelf al met een idee in welke richting ik het moest zoeken en attendeerde mij op ‘Oriental despotism’, een monumentaal werk van ene Karl Wittfogel.

Met enige moeite (internet bestond toen nog niet) lukte het mij de hand te leggen op een exemplaar van dat boek. Vervolgens bleek mij dat die Wittfogel een typisch marxistisch ‘angehauchte’ theoreticus was. Hij meende de maatschappijinrichting te kunnen verklaren uit de wijze waarop de essentiële productieprocessen georganiseerd zijn. Volgens mijn bescheiden mening is dat in het algemeen veel te hoog gegrepen, maar het bracht hem wel tot een voor mijn doel zeer interessante observatie. Hij constateerde namelijk dat beschavingen die gebouwd waren op waterbeheersing in het algemeen een despotische regeringsvorm ontwikkelden. Bekende voorbeelden die hij aanhaalde zijn Egypte en China, maar hij zag er veel meer, vooral in de Oriënt, vandaar de titel van zijn levenswerk. De enige uitzondering op die regel was volgens hem de Delta waarin wij toevallig wonen. Aan een verklaring daarvoor waagde hij zich niet.

Hoewel ik, dat klonk waarschijnlijk al door, niet zo onder de indruk ben van die theorie van Wittfogel, levert zijn laatste observatie wel een aardig startpunt op voor een studie naar de oorsprong van waterschappen. Hoe is die merkwaardige mix van ‘collegiaal’ bestuur en een beetje sturing van bovenaf toch ontstaan? Het zal iedereen duidelijk zijn dat de ene vorm van agrarische productie meer coördinatie vraagt dan de andere. De zompige veengronden in het westen van ons land, waar de eerste waterschappen vermoedelijk ontstaan zijn, schreeuwden om afstemming. Zouden de mensen die zich daar vestigden dat van meet af aan hebben beseft? Waarschijnlijk niet, maar dan werd het ze snel genoeg duidelijk.

Waar kwamen die mensen vandaan? Misschien waren het vrijgemaakte horigen waarvoor geen plek meer was op de landgoederen waar ze waren opgegroeid. Misschien was er in de nieuwe situatie ook nog wel sprake van enige horigheid en waren het ondernemende landheren die leiding geven aan wat je dan gewoon ontginningen zou kunnen noemen. Hier en daar, dat was al langer bekend, is er vanuit kloosters leiding gegeven aan dat proces.
Afijn, dat theoretische kader schemerde mij wel zo’n beetje voor de geest. Maar toen diende het volgende probleem zich aan: ik moest1414BS Nieuwenhuijsen de archieven in, niet één, maar meerdere, en om mijn weg daarin te vinden moest ik mij allerlei vaardigheden eigen maken. Het werd mij alras duidelijk dat ik dat niet op zou kunnen brengen; einde promotieplannen.

De belangstelling voor het onderwerp bleef natuurlijk en daarom kocht ik verwachtingsvol een betrekkelijk recent boek over ‘de ontstaansgeschiedenis van het Graafschap Holland: 900–1100’. Aanvankelijk viel het boek mij niet mee. Er wordt wel erg veel aandacht besteed aan allerlei onmin en strijd tussen graven, hertogen, leenheren en bisschoppen. Ik was regelmatig de draad kwijt en dacht met grote waardering terug aan de samenvatting van mijn vroegere geschiedenisleraar: ‘Na Karel de Grote brak er een periode aan van versplintering en zwak centraal gezag’. Zouden de waterschappen, aannemend dat ze toen zijn ontstaan, hun typische vorm juist te danken hebben aan dat relatief zwakke centrale gezag? De theorie van Wittfogel op z’n kop gezet, als het ware.

Echt interessant werd het boek voor mij pas in Hoofstuk 7: ‘Veenontginningen’. Daar doet de schrijver een verdienstelijke poging om duidelijk te maken hoe die ontginningen in hun werk zijn gegaan. Ze zijn begonnen rond het jaar 800 in Noord-Holland en een paar honderd jaar later is Zuid-Holland gevolgd. Het verwarrende voor ons is dat die benamingen toen nog niet in zwang waren. Men sprak over West-Frisia en over ‘Vrije Friezen’ die zich daar vestigden. Maar laten ze in Leeuwarden toch vooral niet naast hun schoenen gaan lopen. Het waren waarschijnlijk geen Friezen in de betekenis die wij daar nu aan geven en ‘vrij’ betekende toen ook iets anders dan nu.

Hoe de eerste ontginningen, in Noord-Holland, in z’n werk gingen kunnen we enigszins afleiden uit de structuren die nog te herkennen zijn in het land. De kavels zijn onregelmatig, omdat waarschijnlijk van natuurlijke stroompjes is uitgegaan. Pas later zie je het systeem van haaks op de hoofdstroom gegraven afwateringssloten ontstaan. Van de latere ontginningen is, in tegenstelling tot de vroegste, wel wat archiefmateriaal voorhanden (of in ieder geval ergens te vinden). Tot mijn verrassing komt daaruit naar voren dat ‘horigheid’ misschien wel aan slijtage onderhevig was, maar nog lang niet afgeschaft. Misschien is een geleidelijke aanpassing van die horigheid wel de voedingsbodem geweest voor de in zo’n waterschap noodzakelijke gemeenschapszin. Wie weet?

Op bladzijde 128 trekt de schrijver een heldere conclusie:
‘De veenontginningen vergden dus nogal wat organisatie en leiding van bovenaf. Het romantische idee dat vrije boeren op eigen initiatief een collectief vormden en het veen in trokken, stemt waarschijnlijk niet overeen met de middeleeuwse werkelijkheid. Aannemelijker is dat een kleine elite de dienst uitmaakte.’

Dat lijkt mij een onweerlegbare conclusie. Maar ach, waarschijnlijk werd de situatie die ontstond door de boeren ervaren als een verbetering en hebben ze van daaruit nog meer vrijheden weten te realiseren, zonder het gemeenschappelijke doel uit het oog te verliezen! De landheren en aanverwanten kregen daardoor nog meer de handen vrij voor hun onderlinge ruzies.

Karl A.Wittfogel, Oriental despotism, Vintage 1981 (herdruk van de editie van 1957, uitgegeven door Yale University)
Kees Nieuwenhuijsen, Strijd om West Frisia, De ontstaansgeschiedenis van het Graafschap Holland: 900–1100, 2016, Omniboek Utrecht
© 2017 Frits Hoorweg
powered by CJ2