archiefvorig nr.lopend nr.

Bezigheden > Lopen delen printen terug
In bed met herinneringen Frits Hoorweg

0205 In bed met herinneringen

Vanwege een verkoudheid (nooit griep zeggen vóór je op apegapen ligt) kan ik er niet op uit. In bed haal ik herinneringen op aan een meerdaagse tocht die ik in 1989 maakte.
Toen liepen mijn vrouw en ik het Coast to coast pad, dat Engeland van oost naar west doorkruist. Achtereenvolgens wandelden we door het Lake District en de Yorkshire Dales en daarna over de North York Moors. We gingen van start op St. Bees Head, het meest westelijke puntje van Noord-Engeland, en het eindpunt was aan Robin Hood’s Bay, vlakbij Whitby. Het pad is 190 mijl lang en wij deden daar 14 dagen over. Wij namen een dag rust en pakten een keer de bus om een saai stuk te overbruggen. Om precies te zijn liepen we in 12 dagen 165 mijl, het grootste deel daarvan berg op berg af; en met een fikse rugzak natuurlijk. Als je je zo uitslooft krijg je licht het gevoel dat je iets groots aan het verrichten bent.

Bij ons duurde dat gevoel tot de 4e of de 5e dag. Toen kwamen we een man tegen op sportschoenen en met niet meer aan dan een hemdje en een sportbroek. Hij deed hardlopend wat wij deden in een tempo dat ineens erg veel weg had van een slakkengang. Bij afdalingen sprong hij dartel van rots op rots. Hij had voor de hele tocht 5 dagen gepland. Het weer moest een beetje mee zitten. Als het regent wordt de rotsachtige ondergrond namelijk glad en dan kun je lelijk vallen. Op zijn rug droeg hij een minuscuul rugzakje waarin wat proviand zat en een safety-blanket, om zichzelf warm te houden als hij een been zou breken of zo.

Eerlijkheidshalve moet ik melden dat mijn vrouw er niet zo zeker van is of dit precies klopt. Zij heeft weliswaar een vage herinnering aan een hardloper, maar ze durft mijn verhaal te bevestigen noch te ontkennen. Als een voorlichter van een ministerie zoiets zegt is dat meestal reden voor groot wantrouwen, maar ik meen echt zeker te weten dat ik ’s avonds in een pension met hem heb zitten praten, nadat ik hem overdag over de bergkammen had zien snellen. Helaas heb ik er geen aantekening van gemaakt in mijn schrift. Daarin heb ik af en toe wat wetenswaardigheden genoteerd, maar dat deed ik alleen als ik nog wat energie over had en dat was dus niet zo vaak. Gelukkig is dat schrift niet de enige bron die ik kan raadplegen. Hier naast me liggen ook nog: een klein boekje met de routebeschrijving van de hand van A.Wainwright, de bedenker van het pad, en een luxe uitgave daarvan, met foto’s. In het kleine boekje was ruimte gelaten voor het bijhouden van een logboek en dat heeft mijn vrouw gedaan met een toewijding die ik nooit op kan brengen.

De foto’s in de luxe uitgave, die door Derry Brabbs zijn gemaakt, ondersteunen de herinnering aan prachtige uitzichten over vrijwel boomloze hellingen. De lucht was meestal rijk aan waterdamp en zorgde voor bijzondere lichteffecten, vooral tegen het eind van de dag als we omkeken naar waar we vandaan kwamen. De resten van loodmijnen, en andere industriële bedrijvigheid die lang geleden werd gestaakt, waren door de natuur al bijna weer ingekapseld. Vrolijke riviertjes mondden uit in prachtige meren of in kunstmatige reservoirs. Wainwright had het op die reservoirs niet zo begrepen. Hij had nog gezien wat daarvoor werd opgeofferd, maar voor ons was het resultaat al vanzelfsprekend geworden. Een apart genoegen was telkens de aankomst in prachtige dorpjes en stadjes, vol met oeroude uit natuursteen opgetrokken huizen. Daar zochten wij een onderkomen voor de nacht en een plek om te eten. Een enkele keer streken we neer op een boerderij in de middle of nowhere als we erg ver van de bewoonde wereld waren.

Toch is het gek maar mijn herinneringen worden niet gedomineerd door al dat moois. Eerder door rare dingen zoals zo’n ontmoeting met een hardloper, of door de ruzie die ik kreeg met de man des huizes in een van onze pensions. Hij was parkwachter en begaan met de toestand van de Nationale parken. Om die reden was hij niet blij met de heer A.Wainwright, wiens boekjes veel te veel mensen naar zijn natuurgebieden brachten. Ik vond dat een beetje hypocriet als je goed geld verdient met het onderdak geven aan wandelaars. Op de mij eigen subtiele wijze, gebruikmakend van een voorbeeldige beheersing van de Engelse taal, maakte ik daar een grapje over. Nou toen was de beer los. Zijn vrouw keek erbij zoals vrouwen wel vaker doen als hun echtgenoot een diep gevoelde overtuiging tot uitdrukking probeert te brengen. Wat ook in mijn geheugen gegrift staat zijn slaapkamers die vol hangen met kleren die moesten luchten of drogen. Uit mijn krabbels van toen leid ik de volgende tekst af.

‘Ik lig in bed. De kamer hangt vol met natte kleren. Bij gebrek aan een droogrek hebben de onwaarschijnlijkste dingen die functie gekregen. Aan de deurknop rechts van mij hangen een blouse, die drijfnat is van mijn zweet, en een kiel waarin regen en zweet zich hebben vermengd. Aan een staande spiegel, ik laat mijn ogen tegen de klok in rondgaan, hangt een nog steeds natte regencape. Een openstaande kastdeur is opgesierd met een hemd en een T-shirt. In de kast hangen diverse jassen en blouses. Aan de andere kastdeur hangen een korte broek en een regencape. Op een stoel bij de wastafel links liggen een broek en een vest en op de verwarming tenslotte hangen twee paar sokken.’

Heel wat anders dan de kamer waarin ik deze herinneringen lig op te halen. Alles heeft daar een eigen plaats, hoewel je er als zieke verbazend snel in slaagt een ontiegelijke hoeveelheid troep om je heen te verzamelen: kopje thee, glas water, thermometer, zakdoeken, krantje; en niet te vergeten mijn oude schrift en de boeken over het Coast to coast pad. Nog even en het verschil is niet meer te merken.
Mijn benen voelen net zo aan als toen ik het bovenstaande stukje tekst schreef, maar toen had ik er wel 165 mijl op zitten.











© 2004 Frits Hoorweg meer Frits Hoorweg - meer "Lopen" -
Bezigheden > Lopen
In bed met herinneringen Frits Hoorweg
0205 In bed met herinneringen

Vanwege een verkoudheid (nooit griep zeggen vóór je op apegapen ligt) kan ik er niet op uit. In bed haal ik herinneringen op aan een meerdaagse tocht die ik in 1989 maakte.
Toen liepen mijn vrouw en ik het Coast to coast pad, dat Engeland van oost naar west doorkruist. Achtereenvolgens wandelden we door het Lake District en de Yorkshire Dales en daarna over de North York Moors. We gingen van start op St. Bees Head, het meest westelijke puntje van Noord-Engeland, en het eindpunt was aan Robin Hood’s Bay, vlakbij Whitby. Het pad is 190 mijl lang en wij deden daar 14 dagen over. Wij namen een dag rust en pakten een keer de bus om een saai stuk te overbruggen. Om precies te zijn liepen we in 12 dagen 165 mijl, het grootste deel daarvan berg op berg af; en met een fikse rugzak natuurlijk. Als je je zo uitslooft krijg je licht het gevoel dat je iets groots aan het verrichten bent.

Bij ons duurde dat gevoel tot de 4e of de 5e dag. Toen kwamen we een man tegen op sportschoenen en met niet meer aan dan een hemdje en een sportbroek. Hij deed hardlopend wat wij deden in een tempo dat ineens erg veel weg had van een slakkengang. Bij afdalingen sprong hij dartel van rots op rots. Hij had voor de hele tocht 5 dagen gepland. Het weer moest een beetje mee zitten. Als het regent wordt de rotsachtige ondergrond namelijk glad en dan kun je lelijk vallen. Op zijn rug droeg hij een minuscuul rugzakje waarin wat proviand zat en een safety-blanket, om zichzelf warm te houden als hij een been zou breken of zo.

Eerlijkheidshalve moet ik melden dat mijn vrouw er niet zo zeker van is of dit precies klopt. Zij heeft weliswaar een vage herinnering aan een hardloper, maar ze durft mijn verhaal te bevestigen noch te ontkennen. Als een voorlichter van een ministerie zoiets zegt is dat meestal reden voor groot wantrouwen, maar ik meen echt zeker te weten dat ik ’s avonds in een pension met hem heb zitten praten, nadat ik hem overdag over de bergkammen had zien snellen. Helaas heb ik er geen aantekening van gemaakt in mijn schrift. Daarin heb ik af en toe wat wetenswaardigheden genoteerd, maar dat deed ik alleen als ik nog wat energie over had en dat was dus niet zo vaak. Gelukkig is dat schrift niet de enige bron die ik kan raadplegen. Hier naast me liggen ook nog: een klein boekje met de routebeschrijving van de hand van A.Wainwright, de bedenker van het pad, en een luxe uitgave daarvan, met foto’s. In het kleine boekje was ruimte gelaten voor het bijhouden van een logboek en dat heeft mijn vrouw gedaan met een toewijding die ik nooit op kan brengen.

De foto’s in de luxe uitgave, die door Derry Brabbs zijn gemaakt, ondersteunen de herinnering aan prachtige uitzichten over vrijwel boomloze hellingen. De lucht was meestal rijk aan waterdamp en zorgde voor bijzondere lichteffecten, vooral tegen het eind van de dag als we omkeken naar waar we vandaan kwamen. De resten van loodmijnen, en andere industriële bedrijvigheid die lang geleden werd gestaakt, waren door de natuur al bijna weer ingekapseld. Vrolijke riviertjes mondden uit in prachtige meren of in kunstmatige reservoirs. Wainwright had het op die reservoirs niet zo begrepen. Hij had nog gezien wat daarvoor werd opgeofferd, maar voor ons was het resultaat al vanzelfsprekend geworden. Een apart genoegen was telkens de aankomst in prachtige dorpjes en stadjes, vol met oeroude uit natuursteen opgetrokken huizen. Daar zochten wij een onderkomen voor de nacht en een plek om te eten. Een enkele keer streken we neer op een boerderij in de middle of nowhere als we erg ver van de bewoonde wereld waren.

Toch is het gek maar mijn herinneringen worden niet gedomineerd door al dat moois. Eerder door rare dingen zoals zo’n ontmoeting met een hardloper, of door de ruzie die ik kreeg met de man des huizes in een van onze pensions. Hij was parkwachter en begaan met de toestand van de Nationale parken. Om die reden was hij niet blij met de heer A.Wainwright, wiens boekjes veel te veel mensen naar zijn natuurgebieden brachten. Ik vond dat een beetje hypocriet als je goed geld verdient met het onderdak geven aan wandelaars. Op de mij eigen subtiele wijze, gebruikmakend van een voorbeeldige beheersing van de Engelse taal, maakte ik daar een grapje over. Nou toen was de beer los. Zijn vrouw keek erbij zoals vrouwen wel vaker doen als hun echtgenoot een diep gevoelde overtuiging tot uitdrukking probeert te brengen. Wat ook in mijn geheugen gegrift staat zijn slaapkamers die vol hangen met kleren die moesten luchten of drogen. Uit mijn krabbels van toen leid ik de volgende tekst af.

‘Ik lig in bed. De kamer hangt vol met natte kleren. Bij gebrek aan een droogrek hebben de onwaarschijnlijkste dingen die functie gekregen. Aan de deurknop rechts van mij hangen een blouse, die drijfnat is van mijn zweet, en een kiel waarin regen en zweet zich hebben vermengd. Aan een staande spiegel, ik laat mijn ogen tegen de klok in rondgaan, hangt een nog steeds natte regencape. Een openstaande kastdeur is opgesierd met een hemd en een T-shirt. In de kast hangen diverse jassen en blouses. Aan de andere kastdeur hangen een korte broek en een regencape. Op een stoel bij de wastafel links liggen een broek en een vest en op de verwarming tenslotte hangen twee paar sokken.’

Heel wat anders dan de kamer waarin ik deze herinneringen lig op te halen. Alles heeft daar een eigen plaats, hoewel je er als zieke verbazend snel in slaagt een ontiegelijke hoeveelheid troep om je heen te verzamelen: kopje thee, glas water, thermometer, zakdoeken, krantje; en niet te vergeten mijn oude schrift en de boeken over het Coast to coast pad. Nog even en het verschil is niet meer te merken.
Mijn benen voelen net zo aan als toen ik het bovenstaande stukje tekst schreef, maar toen had ik er wel 165 mijl op zitten.









© 2004 Frits Hoorweg
powered by CJ2