archiefvorig nr.lopend nr.

Beschouwingen > Brief uit ... delen printen terug
De kerktoren van Mariaburg Jan Willem Minderhout

1204BS Mariaburg1

In een vorige Leunstoel stond een interview met mijn vader (‘Op dat moment zag ik een parachutist’) over de herinneringen aan zijn geboortedorp Sint-Mariaburg in de oorlog. Zijn herinneringen vormden één van de bronnen voor het boek ‘Valavond’ van Marita de Sterck dat onlangs bij Querido verschenen is. In onderstaande brief aan een jeugdvriend van mijn vader staan de herinneringen aan gebeurtenissen die zich afspeelden rond en in de kerktoren van Sint-Mariaburg centraal. (Willem Minderhout)

Beste Ludo.
Je vroeg me wat herinneringen op te halen over de kerk en de kerktoren van ons dorp. Herinneringen genoeg omdat het Van de Weyngaertplein het centrum vormde van ons jonge leven. We voetbalden er, we beraamden er vechtpartijen met ‘Die van over den ijzeren weg’, we verzamelden er materiaal om te vissen in de Kaartse beek (voornamelijk meervallen) en we scharrelden (het Vlaamse woord kan ik niet meer op komen) met de meisjes van de nonnenschool in de bosjes onder de toren.

In de klas van de school in de Schriek trok de kerktoren onze aandacht door het gelui als er iemand overleden was of begraven werd. Vooral de tijd van luiden bij een begrafenis had onze aandacht. De tijd van luiden vertelde ons hoe duur de begrafenis was. Dit werd aangeduid met de opmerking dat mijnheer Jansens maar een negen uren lijk was terwijl wij hem rijker ingeschat hadden. Het omgekeerde gebeurde natuurlijk ook.
De biecht was ook een belangrijk moment vooral indien men zich geen zonden wist te herinneren. Het kerkplein leende zich er goed voor om nog een paar zonden te doen voordat men ging biechten.

Nu de oorlog.

Zoals je weet woonden we in de Leopoldslei nr.19. Toen de Engelsen begin oktober van over het Albertkanaal optrokken, zaagden SS- soldaten, waaronder zich vele Nederlanders bevonden, grote Esdoorns om aan het begin van de straat aan de kant van de Willy Staeslei en groeven zich daar in.

Op 4 oktober hoorden we vanuit onze schuilplaats - de kolenkelder onder de voordeur waarvan het plafond gestut was door stammen van sparren* - geluiden van een gevecht. Op het rooster waardoor de kolen in de kelder gestort werden, lag ter beschutting een zak zand zodat we niet naar buiten konden kijken. Na een tijdje werd het stil. Het bleef stil zodat mijn vader het rooster met de zak zand voorzichtig naar boven drukte. ‘Canadezen’ was het woord dat hij zacht uitriep.

Hoe we uit de kelder gekomen zijn weet ik niet meer alleen was het nog niet veilig omdat ons verteld werd dat er nog Duitsers in de kerktoren zaten. Dit duurde niet lang waarna we naar de Antwerpse Steenweg gegaan zijn. Hier trokken de eerst Engelse en daarna Canadese soldaten, in lange rijen, op naar Kapellen. Ze werden bedolven onder bloemen en fruit. Op een bepaald moment raakten de mensen dubbel ontroerd omdat er zich  onder de soldaten een jongen uit Mariaburg bevond. Hij woonde, denk ik, in de bocht van de Vrijwilligerslei, het huis aan de buitenkant van de bocht. Hij is daar in ieder geval naar binnen gegaan.

Een paar dagen later ben ik met wat vrienden naar onze oude ontmoetingsplaats, het plein voor de kerk, gegaan. We zagen dat een granaat de kerktoren geraakt had, rechts boven de galmgaten. Een beschadiging die te zien was tot aan de restauratie van de toren. Dichterbij gekomen zagen we dat er ook ruiten van de kerk stuk waren. Toen we op het van de Weyngaertplein aankwamen zagen we dat de school was ingericht als noodhospitaal. Hier speelden zich verschrikkelijke taferelen af. Ziekenwagen na ziekenwagen kwam er aan, afgeladen met gewonden en nog erger als gevolg van de hevige gevechten die plaatsvonden rondom Woensdrecht. Wij kleine kinderen stonden er bij, niemand stuurde ons1204BS Mar1aburg2 weg en kennelijk deed het ons niet veel.

Weer later ben ik met mijn vriend, Hugo van Ravensteyn, op die toren geklommen. We hadden gezien dat een klein ruitje in de kerktoren, boven het kleine uitbouwtje tegenover het drukkerijtje, gebroken was. Via een regenpijp kropen we op het dak en wrongen ons naar binnen. Wringen omdat (ga maar kijken) de raampjes als schietgaten gebouwd zijn. Breed aan de buitenkant en smaller wordend naar binnen.

We zijn eerst naar beneden gegaan en vonden de plaatst waar de wijn bewaard werd. Onze opvoeding was van dien aard geweest dat we de volle flessen ongemoeid lieten maar ons de restjes, de kletskes***, uit de lege flessen goed lieten smaken.

Overmoedig geworden door de doorgegiste wijn beklommen we de toren. Tot aan de galmgaten was de toren schaars verlicht, vanaf de ladder die voorbij de galmgaten gaat keken we schuin naar beneden de diepte in waardoor we angstig werden. Hugo zette echter door zodat we verder klommen in de steeds donker wordende torenspits. Ergens passeerden we een platform met lege bierflessen en Duitse kranten.

Nog hoger kwamen we bij een luik** met twee grendels. We ontgrendelden het luik, wat scheef wegzakte. We konden het nog net met moeite vasthouden. Wat bleek, het luik had geen twee grendels en twee scharnieren, maar vier grendels. Met veel moeite konden we de grendels weer dicht schuiven.

Erg geschrokken en erg stil zijn we weer naar beneden gegaan. Bij het raampje,  waardoor we naar binnen gekomen waren, stapte Hugo die toen veel kleiner was dan ik, naar buiten. Mij lukte het niet om door het raampje te klimmen. Er restte mij slechts één oplossing; mijn kleren uittrekken. Deze gooide ik naar buiten en Hugo wierp ze, om tijd te winnen, alvast van het dak op de grond.

De oplossing was goed maar inmiddels had de drukker, mijnheer van Verbeke, ons gezien. Onder aan de regenpijp stond hij ons op te wachten, met mijn kleren in zijn handen. Hugo wist te ontglippen maar ik moest mijn kleren terug krijgen. Mijnheer was een ware kinderpsycholoog, hij sprak mij streng toe, gaf mij mijn kleren terug en is kennelijk niet naar mijn ouders gegaan want ik heb er nooit meer iets van gehoord.
Ik woon nu ver van mijn kerktoren vandaan. Toch richt mijn blik zich vanaf de snelweg altijd op die toren als ik van Vlissingen naar Frankrijk op vakantie ga. En onder die toren vier ik nog altijd de Mariaburgse feesten mee.

-------------------------------------------
* Mijn vader was een gevoelsmens. Hij vertelde ons dat we geen takken van bomen moesten kraken, om bogen te maken, omdat niemand weet of bomen geen gevoel hebben. Op een dag leende hij een steekwagen van Keske Keepers, de vader van de meubelmaker aan de Schriek. We gingen in schemerduister naar het eind van de Alfredlei, waar mijn vader 6 sparren omzaagde. Nood breekt wetten!

** Het luik is goed zichtbaar vanaf het Noorden

*** Met kletskes, de restjes drank die in de fles overblijven, was ik bekend omdat ik één maal per week de kletskes bier uit de bierflessen haalde bij het duivenlokaal van Meyvis. Het bier, meestal twee emmers, was bestemd voor het varken van de familie Moons.  Met Willie Moons was ik bevriend.

‘Valavond’ van Marita de Sterck is uitgegeven bij Querido Valavond in de categorie ‘Kinder- en Jeugdboeken’. Ik vind het echter een zeer ‘volwassen’ boek. Een aanrader!

Aan het boek is ook een Facebook-pagina gewijd FacebookValavond

-------------------------------------------------
Het plaatje is gemaakt door Henk Klaren
---------------------------------------------------
Bestel uw boeken, CD's en nog veel meer
bij bolcom, via de banner rechts.
Dan steunt u De Leunstoel!



© 2014 Jan Willem Minderhout meer Jan Willem Minderhout - meer "Brief uit ..."
Beschouwingen > Brief uit ...
De kerktoren van Mariaburg Jan Willem Minderhout
1204BS Mariaburg1

In een vorige Leunstoel stond een interview met mijn vader (‘Op dat moment zag ik een parachutist’) over de herinneringen aan zijn geboortedorp Sint-Mariaburg in de oorlog. Zijn herinneringen vormden één van de bronnen voor het boek ‘Valavond’ van Marita de Sterck dat onlangs bij Querido verschenen is. In onderstaande brief aan een jeugdvriend van mijn vader staan de herinneringen aan gebeurtenissen die zich afspeelden rond en in de kerktoren van Sint-Mariaburg centraal. (Willem Minderhout)

Beste Ludo.
Je vroeg me wat herinneringen op te halen over de kerk en de kerktoren van ons dorp. Herinneringen genoeg omdat het Van de Weyngaertplein het centrum vormde van ons jonge leven. We voetbalden er, we beraamden er vechtpartijen met ‘Die van over den ijzeren weg’, we verzamelden er materiaal om te vissen in de Kaartse beek (voornamelijk meervallen) en we scharrelden (het Vlaamse woord kan ik niet meer op komen) met de meisjes van de nonnenschool in de bosjes onder de toren.

In de klas van de school in de Schriek trok de kerktoren onze aandacht door het gelui als er iemand overleden was of begraven werd. Vooral de tijd van luiden bij een begrafenis had onze aandacht. De tijd van luiden vertelde ons hoe duur de begrafenis was. Dit werd aangeduid met de opmerking dat mijnheer Jansens maar een negen uren lijk was terwijl wij hem rijker ingeschat hadden. Het omgekeerde gebeurde natuurlijk ook.
De biecht was ook een belangrijk moment vooral indien men zich geen zonden wist te herinneren. Het kerkplein leende zich er goed voor om nog een paar zonden te doen voordat men ging biechten.

Nu de oorlog.

Zoals je weet woonden we in de Leopoldslei nr.19. Toen de Engelsen begin oktober van over het Albertkanaal optrokken, zaagden SS- soldaten, waaronder zich vele Nederlanders bevonden, grote Esdoorns om aan het begin van de straat aan de kant van de Willy Staeslei en groeven zich daar in.

Op 4 oktober hoorden we vanuit onze schuilplaats - de kolenkelder onder de voordeur waarvan het plafond gestut was door stammen van sparren* - geluiden van een gevecht. Op het rooster waardoor de kolen in de kelder gestort werden, lag ter beschutting een zak zand zodat we niet naar buiten konden kijken. Na een tijdje werd het stil. Het bleef stil zodat mijn vader het rooster met de zak zand voorzichtig naar boven drukte. ‘Canadezen’ was het woord dat hij zacht uitriep.

Hoe we uit de kelder gekomen zijn weet ik niet meer alleen was het nog niet veilig omdat ons verteld werd dat er nog Duitsers in de kerktoren zaten. Dit duurde niet lang waarna we naar de Antwerpse Steenweg gegaan zijn. Hier trokken de eerst Engelse en daarna Canadese soldaten, in lange rijen, op naar Kapellen. Ze werden bedolven onder bloemen en fruit. Op een bepaald moment raakten de mensen dubbel ontroerd omdat er zich  onder de soldaten een jongen uit Mariaburg bevond. Hij woonde, denk ik, in de bocht van de Vrijwilligerslei, het huis aan de buitenkant van de bocht. Hij is daar in ieder geval naar binnen gegaan.

Een paar dagen later ben ik met wat vrienden naar onze oude ontmoetingsplaats, het plein voor de kerk, gegaan. We zagen dat een granaat de kerktoren geraakt had, rechts boven de galmgaten. Een beschadiging die te zien was tot aan de restauratie van de toren. Dichterbij gekomen zagen we dat er ook ruiten van de kerk stuk waren. Toen we op het van de Weyngaertplein aankwamen zagen we dat de school was ingericht als noodhospitaal. Hier speelden zich verschrikkelijke taferelen af. Ziekenwagen na ziekenwagen kwam er aan, afgeladen met gewonden en nog erger als gevolg van de hevige gevechten die plaatsvonden rondom Woensdrecht. Wij kleine kinderen stonden er bij, niemand stuurde ons1204BS Mar1aburg2 weg en kennelijk deed het ons niet veel.

Weer later ben ik met mijn vriend, Hugo van Ravensteyn, op die toren geklommen. We hadden gezien dat een klein ruitje in de kerktoren, boven het kleine uitbouwtje tegenover het drukkerijtje, gebroken was. Via een regenpijp kropen we op het dak en wrongen ons naar binnen. Wringen omdat (ga maar kijken) de raampjes als schietgaten gebouwd zijn. Breed aan de buitenkant en smaller wordend naar binnen.

We zijn eerst naar beneden gegaan en vonden de plaatst waar de wijn bewaard werd. Onze opvoeding was van dien aard geweest dat we de volle flessen ongemoeid lieten maar ons de restjes, de kletskes***, uit de lege flessen goed lieten smaken.

Overmoedig geworden door de doorgegiste wijn beklommen we de toren. Tot aan de galmgaten was de toren schaars verlicht, vanaf de ladder die voorbij de galmgaten gaat keken we schuin naar beneden de diepte in waardoor we angstig werden. Hugo zette echter door zodat we verder klommen in de steeds donker wordende torenspits. Ergens passeerden we een platform met lege bierflessen en Duitse kranten.

Nog hoger kwamen we bij een luik** met twee grendels. We ontgrendelden het luik, wat scheef wegzakte. We konden het nog net met moeite vasthouden. Wat bleek, het luik had geen twee grendels en twee scharnieren, maar vier grendels. Met veel moeite konden we de grendels weer dicht schuiven.

Erg geschrokken en erg stil zijn we weer naar beneden gegaan. Bij het raampje,  waardoor we naar binnen gekomen waren, stapte Hugo die toen veel kleiner was dan ik, naar buiten. Mij lukte het niet om door het raampje te klimmen. Er restte mij slechts één oplossing; mijn kleren uittrekken. Deze gooide ik naar buiten en Hugo wierp ze, om tijd te winnen, alvast van het dak op de grond.

De oplossing was goed maar inmiddels had de drukker, mijnheer van Verbeke, ons gezien. Onder aan de regenpijp stond hij ons op te wachten, met mijn kleren in zijn handen. Hugo wist te ontglippen maar ik moest mijn kleren terug krijgen. Mijnheer was een ware kinderpsycholoog, hij sprak mij streng toe, gaf mij mijn kleren terug en is kennelijk niet naar mijn ouders gegaan want ik heb er nooit meer iets van gehoord.
Ik woon nu ver van mijn kerktoren vandaan. Toch richt mijn blik zich vanaf de snelweg altijd op die toren als ik van Vlissingen naar Frankrijk op vakantie ga. En onder die toren vier ik nog altijd de Mariaburgse feesten mee.

-------------------------------------------
* Mijn vader was een gevoelsmens. Hij vertelde ons dat we geen takken van bomen moesten kraken, om bogen te maken, omdat niemand weet of bomen geen gevoel hebben. Op een dag leende hij een steekwagen van Keske Keepers, de vader van de meubelmaker aan de Schriek. We gingen in schemerduister naar het eind van de Alfredlei, waar mijn vader 6 sparren omzaagde. Nood breekt wetten!

** Het luik is goed zichtbaar vanaf het Noorden

*** Met kletskes, de restjes drank die in de fles overblijven, was ik bekend omdat ik één maal per week de kletskes bier uit de bierflessen haalde bij het duivenlokaal van Meyvis. Het bier, meestal twee emmers, was bestemd voor het varken van de familie Moons.  Met Willie Moons was ik bevriend.

‘Valavond’ van Marita de Sterck is uitgegeven bij Querido Valavond in de categorie ‘Kinder- en Jeugdboeken’. Ik vind het echter een zeer ‘volwassen’ boek. Een aanrader!

Aan het boek is ook een Facebook-pagina gewijd FacebookValavond

-------------------------------------------------
Het plaatje is gemaakt door Henk Klaren
---------------------------------------------------
Bestel uw boeken, CD's en nog veel meer
bij bolcom, via de banner rechts.
Dan steunt u De Leunstoel!

© 2014 Jan Willem Minderhout
powered by CJ2