archiefvorig nr.lopend nr.

Beschouwingen > Brief uit ... delen printen terug
Gelukkig spreken wij onze talen! Eelkje Colmjon

0717BS Longsheng
Een busje zet ons af in het centrum van Guilin. Het busstation zal vast niet moeilijk te vinden zijn. Het is heet, benauwd en het zweet gutst van onze lijven. Voorbijgangers kijken vreemd op als we ‘bus’ roepen, stuurbewegingen maken en wijzen naar een voorbij rijdende bus. Ze vinden ons achterlijk, dat is duidelijk. Een winkelbediende nodigt ons uit op een comfortabele sofa plaats te nemen en roept haar bazin, die vast zal begrijpen wat we bedoelen. Een vriendelijke dame komt ons tegemoet. De woorden ‘bus’ en ‘station’ komen haar echter niet bekend voor. Ook deze keer biedt een passerende bus geen uitkomst. Alet bedenkt dat we een boekje bij ons hebben met plaatjes.‘Aha!’ roept ze als we de bus aanwijzen. Wij volgen dankbaar haar aanwijzingen en eindelijk vinden we de plek waar alle bussen samenkomen. Nu moeten we nog de bus naar Longsheng zien te vinden.
 
‘Longsheng?’ vragen we beleefd. ‘Longsheng?’ proberen we nogmaals. ‘Longsheng?!’ roepen we uiteindelijk. De Chinezen halen hun schouders op en schenken er verder geen aandacht aan. Ondertussen zijn we zeiknat van het zweet. Het is heet op het busstation in Guilin. ‘Longsheng?’ vraag ik voor de zoveelste keer aan een vrouw die wacht op een bus. Ze kijkt vermoeid op vanuit haar plastic kommetje met rijst en wijst op de voorkant van de wagen. Daar staan alle bestemmingen op, in Chinese tekens. Staat Longsheng erbij? Dat wil ze niet zeggen. ‘Longsheng?!’ roepen we nog maar eens. Hulp komt van een groepje Franse toeristen die ons wijzen naar de plek waar de bus naar Longsheng zal vertrekken. Hoera!
 
De bus slingert door een groen landschap vol rijstvelden omzoomd door prachtige puntige bergen. Onder wijde punthoeden fietsen mensen voorbij, vaak met kippen aan het stuur. We bekijken het traditionele China terwijl in de bus hippe Chinese muziek klinkt en videoclips van het beeldscherm knallen. In een scherpe bocht neemt Alet een slok water. Het water vliegt in de rondte en bezorgt ons een natte broek. Wat mij betreft mogen we er trouwens al zijn, ik ben kotsmisselijk. Na twee uur slingeren stopt de bus. Iedereen stapt uit, dus wij doen dat ook maar. Tot onze verrassing zijn we al in Longsheng. Het eerste de beste hotelletje stappen we binnen. De receptie wordt bemand door een hip ogend meisje met korte, verticale haren en een ernstig kijkend meisje met plakken komkommer op haar gezicht. Het hippe meisje spreekt een beetje Engels. We krijgen een muffe kamer voor dertig yuan (omgerekend drie euro per nacht) en nemen een douche. De gebruiksaanwijzing van de douche staat op de muur geschreven, in het Chinees, maar toch overleven we het doucheavontuur. Even later vragen we het hippe meisje waar het stadscentrum zich schuil houdt.
‘I don’t understand,’ is haar antwoord. Ze doet een verhaal in het Chinees en sluit af met ‘do you understand?’ We laten weten geen Chinees te spreken. Ze belandt in een lachbui. Wat nu?
 
We gaan de straat op en vragen het daar wel aan iemand, terwijl een onweersbui losbarst en regen de straten vult. Voorlopig lijkt er van de weg vragen geen sprake. Iedereen blijft binnen met dit weer. Dan maar even langs een apotheek voor nieuwe reispillen. Het dametje achter de toonbank haalt een doosje tevoorschijn en vertelt waar het allemaal goed voor is, in het Chinees.
Weer op zoek naar het centrum kiezen we de verkeerde richting, zo lijkt het. In een uitgestorven deel van de stad vraag ik de weg aan een vrouw die hurkend voor een teiltje water haar zojuist geslachte vogel aan het plukken is. Ze heeft geen idee wat we bedoelen. Voor een passerende man is het ook een raadsel, ook als we het Chinese woord voor postkantoor laten vallen. Hij kijkt ons bedenkelijk aan. ‘Welcome to China!’ roept hij plots. We keren terug naar wat meer levendigheid. Piepkleine, weinig aanlokkende restaurantjes worden aangeduid met een plaatje van een vrolijke hond op de deur. Naast de ingang staat een kooi met levende kippen. De gasten kunnen hier zelf hun kip uitkiezen. Een wagon vol varkens staat aan de kant van de weg.
 
We stellen ons tevreden met een noodlesoepje op onze muffe en geurige kamer. Ik plof neer op de zachte, groezelige stoel, die bijna inzakt tot aan de vloer. De vloer zelf ziet er uit alsof er al jaren niet is gestofzuigd. Door het vloerkleed kom je iets te weten over vorige gasten, zo ligt er een gebruikte pleister naast het bed. De lakens zijn helaas niet frisser dan de rest van de kamer. Er op liggen is al een gewetensvraag. Met het laken dat bedoeld is als deken bedekken we alleen onze benen. Het is warm op de kamer. Een ventilator verplaatst langzaam de penetrante lucht. In slaap komen is moeilijk, zeker omdat ik het idee heb dat er een dode rat onder mijn bed ligt. De stank komt duidelijk vanonder mijn bed vandaan. Ik durf niet te kijken.
 
De volgende ochtend pakken we een busje naar Longji, oftewel het dorpje Ping’An. Groene bergen vullen het landschap, de wind waait door onze haren. De overige passagiers zijn allen Chinezen, veelal handelaren. Gillende varkens in zakken worden uit de goot gehaald en in het achterruim geladen. Een vrouw draagt een tas waar een witte klauw van een vogel uitsteekt. Misschien gaat ze bij iemand op bezoek en geeft ze een dode vogel cadeau. Ping’An bestaat uit houten huizen op palen. De bewoners houden varkens en kippen en verbouwen rijst op de omliggende rijstvelden. In dit dorp mogen de vrouwen na hun achttiende jaar hun haar niet knippen. In het rijstveld poseren de dames met de lange haren in klederdracht met Chinese toeristen.
 
In de verte zien we een nog kleiner dorpje liggen. ‘Odl Villang’ staat er op de kaart. We volgen een verlaten paadje door rijstvelden. De rijstvelden strekken zich voor ons uit en worden omzoomd door groene bergen. Af en toe slentert een zwijgzame dorpsbewoner voorbij. Als er een donkere wolk onze kant op komt veranderen de frisgroene heuvels in een donkergroen geheel. De ‘Odl Villang’ laten we voor wat het is, we keren terug naar Ping’An.
Een grote, groene sprinkhaan zit op Alets broek en besluit omhoog te klimmen. De sprinkhaan kruipt in Alets nek en beëindigt de wandeling op haar schouder. Terwijl mijn hand in de tas zoekt naar de camera bekijk ik het beest van dichtbij. ‘Wat een joekel!’ roep ik verwonderd. De sprinkhaan draait zijn hoofd, kijkt me aan en springt recht in mijn oog! Ons geschater moet in de Odl Villang te horen zijn.
 
In Ping’An is het stil in de druilerige steegjes. Af en toe tokt er een kip of horen we een varken knorren. We stappen in een bus die ons terug zal brengen naar Longsheng. We zijn tien minuten onderweg als de bus tot stilstand komt, we staan in een heuse file. De opstopping is veroorzaakt door een lawine van stenen. De berg is deels afgebroken en ook nu is er nog gevaar. Het zal nog uren, zo niet dagen duren voordat de weg is vrijgemaakt. We besluiten de stabielere delen van de berg te beklimmen, op weg naar de overkant. De helling is steil en glibberig. Een lange Spanjaard gaat onderuit en besluit kruipend verder te gaan, onder luid gelach van de Chinezen.
Weer beneden staat een busje klaar dat op weg was naar Ping’An, maar terug zal rijden naar Longsheng. Dat is geluk hebben. Naast ons zit een Fransoos, die in Guangzou woont en nog altijd niet is gewend aan de Chinese gewoonten. Op zijn eerste werkdag snoot een collega in zijn eigen hand. Als we Longsheng inrijden wordt een Chinese nachtmerrie waarheid. Je weet dat het gebeurt, maar je hoopt het nooit te zien te krijgen. Een hond ligt luid kermend op straat, een vrouw hakt er vrolijk op in met een bijl. Ik doe mijn ogen en oren dicht. Hoe zal dat gegaan zijn? ‘Schat, zullen we vanavond de hond opeten?’ Ik word niet goed.
 
De stank in onze kamer lijkt erger te worden. Gister hebben we met waspoeder onze vuilste kleren gewassen en de kleren te drogen gehangen in de badkamer. Nu we terug zijn uit Ping’An merken we dat ook de badkamer is gevuld met een nare lucht. De putlucht is in onze kleren gaan zitten. De volgende ochtend, vlak voordat we weggaan, durf ik pas een kijkje te nemen onder het bed. Er ligt een dikke laag stof. Van een dode rat is geen sprake.
 
****************************


© 2010 Eelkje Colmjon meer Eelkje Colmjon - meer "Brief uit ..."
Beschouwingen > Brief uit ...
Gelukkig spreken wij onze talen! Eelkje Colmjon
0717BS Longsheng
Een busje zet ons af in het centrum van Guilin. Het busstation zal vast niet moeilijk te vinden zijn. Het is heet, benauwd en het zweet gutst van onze lijven. Voorbijgangers kijken vreemd op als we ‘bus’ roepen, stuurbewegingen maken en wijzen naar een voorbij rijdende bus. Ze vinden ons achterlijk, dat is duidelijk. Een winkelbediende nodigt ons uit op een comfortabele sofa plaats te nemen en roept haar bazin, die vast zal begrijpen wat we bedoelen. Een vriendelijke dame komt ons tegemoet. De woorden ‘bus’ en ‘station’ komen haar echter niet bekend voor. Ook deze keer biedt een passerende bus geen uitkomst. Alet bedenkt dat we een boekje bij ons hebben met plaatjes.‘Aha!’ roept ze als we de bus aanwijzen. Wij volgen dankbaar haar aanwijzingen en eindelijk vinden we de plek waar alle bussen samenkomen. Nu moeten we nog de bus naar Longsheng zien te vinden.
 
‘Longsheng?’ vragen we beleefd. ‘Longsheng?’ proberen we nogmaals. ‘Longsheng?!’ roepen we uiteindelijk. De Chinezen halen hun schouders op en schenken er verder geen aandacht aan. Ondertussen zijn we zeiknat van het zweet. Het is heet op het busstation in Guilin. ‘Longsheng?’ vraag ik voor de zoveelste keer aan een vrouw die wacht op een bus. Ze kijkt vermoeid op vanuit haar plastic kommetje met rijst en wijst op de voorkant van de wagen. Daar staan alle bestemmingen op, in Chinese tekens. Staat Longsheng erbij? Dat wil ze niet zeggen. ‘Longsheng?!’ roepen we nog maar eens. Hulp komt van een groepje Franse toeristen die ons wijzen naar de plek waar de bus naar Longsheng zal vertrekken. Hoera!
 
De bus slingert door een groen landschap vol rijstvelden omzoomd door prachtige puntige bergen. Onder wijde punthoeden fietsen mensen voorbij, vaak met kippen aan het stuur. We bekijken het traditionele China terwijl in de bus hippe Chinese muziek klinkt en videoclips van het beeldscherm knallen. In een scherpe bocht neemt Alet een slok water. Het water vliegt in de rondte en bezorgt ons een natte broek. Wat mij betreft mogen we er trouwens al zijn, ik ben kotsmisselijk. Na twee uur slingeren stopt de bus. Iedereen stapt uit, dus wij doen dat ook maar. Tot onze verrassing zijn we al in Longsheng. Het eerste de beste hotelletje stappen we binnen. De receptie wordt bemand door een hip ogend meisje met korte, verticale haren en een ernstig kijkend meisje met plakken komkommer op haar gezicht. Het hippe meisje spreekt een beetje Engels. We krijgen een muffe kamer voor dertig yuan (omgerekend drie euro per nacht) en nemen een douche. De gebruiksaanwijzing van de douche staat op de muur geschreven, in het Chinees, maar toch overleven we het doucheavontuur. Even later vragen we het hippe meisje waar het stadscentrum zich schuil houdt.
‘I don’t understand,’ is haar antwoord. Ze doet een verhaal in het Chinees en sluit af met ‘do you understand?’ We laten weten geen Chinees te spreken. Ze belandt in een lachbui. Wat nu?
 
We gaan de straat op en vragen het daar wel aan iemand, terwijl een onweersbui losbarst en regen de straten vult. Voorlopig lijkt er van de weg vragen geen sprake. Iedereen blijft binnen met dit weer. Dan maar even langs een apotheek voor nieuwe reispillen. Het dametje achter de toonbank haalt een doosje tevoorschijn en vertelt waar het allemaal goed voor is, in het Chinees.
Weer op zoek naar het centrum kiezen we de verkeerde richting, zo lijkt het. In een uitgestorven deel van de stad vraag ik de weg aan een vrouw die hurkend voor een teiltje water haar zojuist geslachte vogel aan het plukken is. Ze heeft geen idee wat we bedoelen. Voor een passerende man is het ook een raadsel, ook als we het Chinese woord voor postkantoor laten vallen. Hij kijkt ons bedenkelijk aan. ‘Welcome to China!’ roept hij plots. We keren terug naar wat meer levendigheid. Piepkleine, weinig aanlokkende restaurantjes worden aangeduid met een plaatje van een vrolijke hond op de deur. Naast de ingang staat een kooi met levende kippen. De gasten kunnen hier zelf hun kip uitkiezen. Een wagon vol varkens staat aan de kant van de weg.
 
We stellen ons tevreden met een noodlesoepje op onze muffe en geurige kamer. Ik plof neer op de zachte, groezelige stoel, die bijna inzakt tot aan de vloer. De vloer zelf ziet er uit alsof er al jaren niet is gestofzuigd. Door het vloerkleed kom je iets te weten over vorige gasten, zo ligt er een gebruikte pleister naast het bed. De lakens zijn helaas niet frisser dan de rest van de kamer. Er op liggen is al een gewetensvraag. Met het laken dat bedoeld is als deken bedekken we alleen onze benen. Het is warm op de kamer. Een ventilator verplaatst langzaam de penetrante lucht. In slaap komen is moeilijk, zeker omdat ik het idee heb dat er een dode rat onder mijn bed ligt. De stank komt duidelijk vanonder mijn bed vandaan. Ik durf niet te kijken.
 
De volgende ochtend pakken we een busje naar Longji, oftewel het dorpje Ping’An. Groene bergen vullen het landschap, de wind waait door onze haren. De overige passagiers zijn allen Chinezen, veelal handelaren. Gillende varkens in zakken worden uit de goot gehaald en in het achterruim geladen. Een vrouw draagt een tas waar een witte klauw van een vogel uitsteekt. Misschien gaat ze bij iemand op bezoek en geeft ze een dode vogel cadeau. Ping’An bestaat uit houten huizen op palen. De bewoners houden varkens en kippen en verbouwen rijst op de omliggende rijstvelden. In dit dorp mogen de vrouwen na hun achttiende jaar hun haar niet knippen. In het rijstveld poseren de dames met de lange haren in klederdracht met Chinese toeristen.
 
In de verte zien we een nog kleiner dorpje liggen. ‘Odl Villang’ staat er op de kaart. We volgen een verlaten paadje door rijstvelden. De rijstvelden strekken zich voor ons uit en worden omzoomd door groene bergen. Af en toe slentert een zwijgzame dorpsbewoner voorbij. Als er een donkere wolk onze kant op komt veranderen de frisgroene heuvels in een donkergroen geheel. De ‘Odl Villang’ laten we voor wat het is, we keren terug naar Ping’An.
Een grote, groene sprinkhaan zit op Alets broek en besluit omhoog te klimmen. De sprinkhaan kruipt in Alets nek en beëindigt de wandeling op haar schouder. Terwijl mijn hand in de tas zoekt naar de camera bekijk ik het beest van dichtbij. ‘Wat een joekel!’ roep ik verwonderd. De sprinkhaan draait zijn hoofd, kijkt me aan en springt recht in mijn oog! Ons geschater moet in de Odl Villang te horen zijn.
 
In Ping’An is het stil in de druilerige steegjes. Af en toe tokt er een kip of horen we een varken knorren. We stappen in een bus die ons terug zal brengen naar Longsheng. We zijn tien minuten onderweg als de bus tot stilstand komt, we staan in een heuse file. De opstopping is veroorzaakt door een lawine van stenen. De berg is deels afgebroken en ook nu is er nog gevaar. Het zal nog uren, zo niet dagen duren voordat de weg is vrijgemaakt. We besluiten de stabielere delen van de berg te beklimmen, op weg naar de overkant. De helling is steil en glibberig. Een lange Spanjaard gaat onderuit en besluit kruipend verder te gaan, onder luid gelach van de Chinezen.
Weer beneden staat een busje klaar dat op weg was naar Ping’An, maar terug zal rijden naar Longsheng. Dat is geluk hebben. Naast ons zit een Fransoos, die in Guangzou woont en nog altijd niet is gewend aan de Chinese gewoonten. Op zijn eerste werkdag snoot een collega in zijn eigen hand. Als we Longsheng inrijden wordt een Chinese nachtmerrie waarheid. Je weet dat het gebeurt, maar je hoopt het nooit te zien te krijgen. Een hond ligt luid kermend op straat, een vrouw hakt er vrolijk op in met een bijl. Ik doe mijn ogen en oren dicht. Hoe zal dat gegaan zijn? ‘Schat, zullen we vanavond de hond opeten?’ Ik word niet goed.
 
De stank in onze kamer lijkt erger te worden. Gister hebben we met waspoeder onze vuilste kleren gewassen en de kleren te drogen gehangen in de badkamer. Nu we terug zijn uit Ping’An merken we dat ook de badkamer is gevuld met een nare lucht. De putlucht is in onze kleren gaan zitten. De volgende ochtend, vlak voordat we weggaan, durf ik pas een kijkje te nemen onder het bed. Er ligt een dikke laag stof. Van een dode rat is geen sprake.
 
****************************
© 2010 Eelkje Colmjon
powered by CJ2