archiefvorig nr.lopend nr.

Beschouwingen > Brief uit ... delen printen terug
Hotel Bolivia Hans Meijer

0502BS Brief
Wat zou je met je meenemen als je hals over kop je land moet verlaten en het allemaal in één enkele koffer moet passen? Op de vlucht voor wat komen gaat en met een visum voor Bolivia in je paspoort moet je beslissen wat mee te nemen en wat achter te laten. Ik laat mijn gedachten dwalen over hetgeen ikzelf in mijn koffer mee zou nemen. Ik lees nog eens op het internet wat blogger Riverbend uit Bagdad begin september in haar blog schreef over die ene koffer die ze van haar vader mee mocht nemen naar Syrië. Huilend zat ze op haar koffer; inpakkend, uitpakkend. ‘Mission impossible,’ schreef ze in haar weblog Baghdad Burning. ‘Hoe beslis je wat je kunt missen van alles wat je in bijna drie decennia hebt verzameld?’

In 1939 stond de negentien jaar oude Werner Guttentag uit Breslau voor de vraag wat hij moest meenemen toen hij vanuit Nederland naar Bolivia vertrok. Hitler was zijn reisagent. Zijn vader Erich, die in concentratiekamp Buchenwald gezeten had, en zijn moeder Margareth waren een jaar eerder naar Bolivia afgereisd. In Cochabamba zouden ze op hem wachten. In Bolivia bewoog zijn moeder hemel en aarde om een visum voor haar zoon te bemachtigen. Pas toen ze zich in La Paz rechtstreeks tot president Germán Busch, een grote man in een uniform met veel versierselen, wendde lukte het haar een visum voor haar zoon los te peuteren. Na twee jaar in Nederland gewoond te hebben vertrok Werner per boot, derde klas met hangmatten, via Spanje en Chili naar Bolivia. Hij nam één boek, ´De Idioot´ van Fjodor Dostojevski, zijn schrijfmachine en zijn fiets mee. Van zijn oom kreeg hij een stropdas en vijf dollar mee. Vooral de fiets doet mij goed. Iets van de Nederlandse identiteit was in die twee jaar aan de jonge Werner blijven kleven!

Leo Spitzer schat in zijn boek ‘Hotel Bolivia’ (1998) dat er zo´n 20.000 joodse vluchtelingen in Bolivia terecht gekomen zijn. Dit aantal baseert Spitzer op een census uit 1940 van de Boliviaanse overheid onder de immigranten. De vluchtelingen die naar Bolivia reisden hadden geen flauw idee in wat voor land ze terecht zouden komen. De kennismaking kwam als een schok. De hoogte, het landschap, de indianen, de lama´s, de geuren, het Spaans, het Quechua, alles bleek er anders te zijn. Niets behalve de wolken kwam hen bekend voor. Ze waren vreemdelingen in een vreemd land. Het is dan ook niet verwonderlijk dat velen van hen Bolivia als tussenstop beschouwden. Een aantal van hen vertrok al tijdens de oorlog naar de buurlanden. Anderen, zoals de familie Spitzer, vertrokken na de oorlog naar de Verenigde Staten. Sommigen bleven.

Een van de blijvers was Kurt Ehrenfried die ik in 1971 op de schaakclub ontmoette. Zo af en toe schaakte ik bij hem thuis. Aan het eind van een van die schaakavonden vroeg hij mij of ik tijdens de partij iets gehoord had. Ik antwoordde van niet. Of ik de klok in het huis ernaast niet had horen slaan en of ik er niet iemand de trap op had horen lopen. We keken elkaar zwijgend aan. Ik besefte dat de oorlog nog altijd in zijn hoofd rondspookte. Hij vertelde me over Berlijn waar hij wanhopig naar een land gezocht had dat bereid was hem een visum te verstrekken. Nog steeds wist hij niet waarom de Boliviaanse consul hem er een verstrekt had. Alleen was hij naar Bolivia gereisd waar hij platzak arriveerde. Toen ik hem leerde kennen was hij de eigenaar van casa Lima, een winkeltje waar je elke knoop die je kwijt was kon kopen. Hij was duidelijk geen echte Boliviaan want op de prijzen van zijn knopen viel niet af te dingen. Om hem te plagen deed ik het met opzet toch een keer. Het zijn vaste prijzen zei hij terwijl hij mij doordringend aankeek. Later schaakten we per post. Vanwege parkinson tikte hij korte briefjes waar hij zo af en toe in een bibberig handschrift iets bijschreef. In 1991 stuurde hij mij zijn laatste zet: 1.e4. Zijn enige kleindochter, haar man en hun twee dochtertjes wonen nu in zijn oude huis.

Een ander die bleef was Alfredo Weiss die ik op de bridgeclub ontmoette. Een Nederlandse vriend vertelde me dat hij op een van de beruchte vluchtelingenboten gezeten had. Als joodse vluchteling mocht hij 25 Reichsmark en een koffer meenemen. De rest moest hij achterlaten. Mexico, de VS, Venezuela en Argentinië weigerden hem de toegang. Bolivia liet hem toe. Op zijn sterfbed vroeg Weiss mijn vriend om voor zijn vrouw te zorgen. Dat had hij toegezegd vertelde hij mij, waarna hij er lachend aan toevoegde dat mevrouw Weiss 100.5 jaar oud geworden was.

Na de oorlog kwam een tweede, veel kleinere groep, Duitsers naar Bolivia. De meesten van hen zochten hun toevlucht in afgelegen ontoegankelijke tropische gebieden zoals de Yungas bij La Paz, de Beni en het oosten van Santa Cruz. Ze hielden zich er schuil voor de nazi-jagers. Mijn eerste en enige kennismaking met een van hen, of eigenlijk een van hun kinderen, was begin jaren zeventig op het Instituto Tecnológico. Deze hoogblonde leerling uit de Beni viel nogal op tussen de donkere Bolivianen. Op een dag zag ik hem met een jack met achterop een groot hakenkruis rondlopen. Een eigenaardige gewaarwording. Ik liep naar hem toe en tikte hem op zijn schouder. We hadden in Europa bijzonder slechte herinneringen aan dat kruis vertelde ik hem. Geschrokken keek hij mij aan, trok zijn jas uit, vouwde hem op en liep er die dag onder zijn arm mee rond.

De bekendste van de tweede groep is Klaus Barbie die zich tijdens de tweede wereldoorlog als Gestapo chef de veelzeggende bijnaam ‘de slager van Lyon’ verwierf. Een van de velen die Barbie's arresteerde en martelde was Jean Moulin, een leider van het Franse verzet. Moulin overleefde het niet. Ook Nederland maakte kennis met Barbie. In het begin van de oorlog organiseerde hij op brute wijze de deportatie van de joodse inwoners van Amsterdam. Zijn talenten bleken na de oorlog in de smaak te vallen van de Amerikaanse inlichtingendienst CIC. Vijf jaar lang maakten ze van zijn diensten gebruik. Voorzien van een nieuwe identiteit, die van Klaus Altmann, dook hij daarna in Bolivia op. Altmann werd in 1972 door Beate Klarsfeld als Barbie ontmaskerd. In ruil voor hand- en spandiensten werd hij door de opeenvolgende militaire dictatoren beschermd. Toen de militairen in 1983 gedwongen werden de macht over te dragen werd Barbie kort daarna door president Hernán Siles Zuazo zonder veel juridische plichtplegingen op het vliegtuig naar Frankrijk gezet. In Lyon werd hij in 1987 voor zijn misdaden tegen de menselijkheid tot levenslang veroordeeld. De verdediging van Jacques Vergès mocht hem niet baten. De onlangs uitgebrachte film van Kevin Macdonald's ‘My Enemy´s Enemy’ (2007) werpt meer licht op Barbie´s activiteiten na de oorlog in Europa en Zuid Amerika. Macdonald heeft in zijn film geen goed woord over voor de rol die de Verenigde Staten al die jaren speelde. Ook het ‘Ryan report’ van het U.S. Department of Justice over Barbie uit 1983 bekritiseerde deze rol met de woorden: `Justice delayed is justice denied. We have delayed justice in Lyon for 33 years´. Naar aanleiding van dit rapport boden de Verenigde Staten in 1983 Frankrijk hun excuses aan voor het beschermen van Barbie. Bolivia wacht nog op excuses.

Een ander lid van de tweede groep was Hans Ertl die in 1951 naar Bolivia uitweek. Hij woonde in San Javier in het oosten van Santa Cruz op de hacienda ‘La Dolorida’. Ertl was cameraman van Leni Riefenstahl met wie hij de film ‘Olympia’ (1936) maakte. Tijdens de oorlog trok hij in Noord-Afrika op met veldmaarschalk Erwin Rommel. Hij was een vakman. Op de Filmfestspiele van Berlijn 1954 kreeg hij uit handen van Gerhard Schröder, toen de minister van Binnenlandse Zaken, een eervolle vermelding voor zijn camerawerk voor de film ´Nanga Parbat’ (1953) over de eerste beklimming van de negende hoogste berg van de wereld. In Bolivia ging zijn belangstelling vooral uit naar de oorspronkelijke volkeren zoals de Sirionó indianen die hij filmde, ‘Hito Hito’ (1958), en fotografeerde. Zijn dochter Mónika assisteerde hem hierbij.

Hoe verging het Werner Guttentag in Bolivia? In Cochabamba realiseerde hij na de oorlog zijn grote ideaal. Hij werd de trotse eigenaar van boekhandel ‘Los Amigos del Libro’ en ging boeken uitgeven. Zijn uit Nederland meegenomen schrijfmachine en fiets kwamen hem hierbij goed van pas. Een herdruk van ‘Surumi’ (1943) van Jesus Lara, een van Bolivia´s bekendste schrijvers, gaf zijn boekhandel een vliegende start. Zijn motto: Niet lezen wat Bolivia voortbrengt, is negeren wat Bolivia is. De daad bij het woord voegend publiceerde hij van 1962 tot 2002 de (Bio-) Bibliografía Boliviana. Een ander belangrijk initiatief was het stimuleren van het werk van Boliviaanse schrijvers voor wie hij in 1966 de ‘Premio Nacional de Novela Erich Guttentag’ in het leven riep. Door deze en zijn vele andere literaire activiteiten is hij in Bolivia een bekendheid. Onlangs liep ik hem weer eens tegen het lijf. Steunend op zijn stok stond hij voor zijn boekhandel in de España. Een fragiele oude man. Ik maakte een praatje met hem. Of hij nog Nederlands sprak? Hij was een slechte leerling geweest zei hij glimlachend. Ik vertelde hem dat Ehrenfried zich altijd afgevraagd had waarom de Duitse gezant in Berlijn hem een visum gegeven had. Men betaalde ervoor was zijn antwoord. Op mijn vraag waarom hij zijn Cóndor de los Andes medaille nooit opspelde reageerde hij met een verontschuldigend gebaar. Hij kreeg deze onderscheiding in 1987 van het Boliviaanse parlement. Alle parlementariërs, van uiterst links tot uiterst rechts, stemden in met het voorstel om Werner Guttentag Tichauer uit Cochabamba de hoogste onderscheiding van Bolivia toe te kennen. Van gast was hij mede-eigenaar van Hotel Bolivia geworden.
 
****************************************
Literatuur en beeldende kunst onder één dak
bij Buddenbrooks aan het Noordeinde in Den Haag.


© 2007 Hans Meijer meer Hans Meijer - meer "Brief uit ..."
Beschouwingen > Brief uit ...
Hotel Bolivia Hans Meijer
0502BS Brief
Wat zou je met je meenemen als je hals over kop je land moet verlaten en het allemaal in één enkele koffer moet passen? Op de vlucht voor wat komen gaat en met een visum voor Bolivia in je paspoort moet je beslissen wat mee te nemen en wat achter te laten. Ik laat mijn gedachten dwalen over hetgeen ikzelf in mijn koffer mee zou nemen. Ik lees nog eens op het internet wat blogger Riverbend uit Bagdad begin september in haar blog schreef over die ene koffer die ze van haar vader mee mocht nemen naar Syrië. Huilend zat ze op haar koffer; inpakkend, uitpakkend. ‘Mission impossible,’ schreef ze in haar weblog Baghdad Burning. ‘Hoe beslis je wat je kunt missen van alles wat je in bijna drie decennia hebt verzameld?’

In 1939 stond de negentien jaar oude Werner Guttentag uit Breslau voor de vraag wat hij moest meenemen toen hij vanuit Nederland naar Bolivia vertrok. Hitler was zijn reisagent. Zijn vader Erich, die in concentratiekamp Buchenwald gezeten had, en zijn moeder Margareth waren een jaar eerder naar Bolivia afgereisd. In Cochabamba zouden ze op hem wachten. In Bolivia bewoog zijn moeder hemel en aarde om een visum voor haar zoon te bemachtigen. Pas toen ze zich in La Paz rechtstreeks tot president Germán Busch, een grote man in een uniform met veel versierselen, wendde lukte het haar een visum voor haar zoon los te peuteren. Na twee jaar in Nederland gewoond te hebben vertrok Werner per boot, derde klas met hangmatten, via Spanje en Chili naar Bolivia. Hij nam één boek, ´De Idioot´ van Fjodor Dostojevski, zijn schrijfmachine en zijn fiets mee. Van zijn oom kreeg hij een stropdas en vijf dollar mee. Vooral de fiets doet mij goed. Iets van de Nederlandse identiteit was in die twee jaar aan de jonge Werner blijven kleven!

Leo Spitzer schat in zijn boek ‘Hotel Bolivia’ (1998) dat er zo´n 20.000 joodse vluchtelingen in Bolivia terecht gekomen zijn. Dit aantal baseert Spitzer op een census uit 1940 van de Boliviaanse overheid onder de immigranten. De vluchtelingen die naar Bolivia reisden hadden geen flauw idee in wat voor land ze terecht zouden komen. De kennismaking kwam als een schok. De hoogte, het landschap, de indianen, de lama´s, de geuren, het Spaans, het Quechua, alles bleek er anders te zijn. Niets behalve de wolken kwam hen bekend voor. Ze waren vreemdelingen in een vreemd land. Het is dan ook niet verwonderlijk dat velen van hen Bolivia als tussenstop beschouwden. Een aantal van hen vertrok al tijdens de oorlog naar de buurlanden. Anderen, zoals de familie Spitzer, vertrokken na de oorlog naar de Verenigde Staten. Sommigen bleven.

Een van de blijvers was Kurt Ehrenfried die ik in 1971 op de schaakclub ontmoette. Zo af en toe schaakte ik bij hem thuis. Aan het eind van een van die schaakavonden vroeg hij mij of ik tijdens de partij iets gehoord had. Ik antwoordde van niet. Of ik de klok in het huis ernaast niet had horen slaan en of ik er niet iemand de trap op had horen lopen. We keken elkaar zwijgend aan. Ik besefte dat de oorlog nog altijd in zijn hoofd rondspookte. Hij vertelde me over Berlijn waar hij wanhopig naar een land gezocht had dat bereid was hem een visum te verstrekken. Nog steeds wist hij niet waarom de Boliviaanse consul hem er een verstrekt had. Alleen was hij naar Bolivia gereisd waar hij platzak arriveerde. Toen ik hem leerde kennen was hij de eigenaar van casa Lima, een winkeltje waar je elke knoop die je kwijt was kon kopen. Hij was duidelijk geen echte Boliviaan want op de prijzen van zijn knopen viel niet af te dingen. Om hem te plagen deed ik het met opzet toch een keer. Het zijn vaste prijzen zei hij terwijl hij mij doordringend aankeek. Later schaakten we per post. Vanwege parkinson tikte hij korte briefjes waar hij zo af en toe in een bibberig handschrift iets bijschreef. In 1991 stuurde hij mij zijn laatste zet: 1.e4. Zijn enige kleindochter, haar man en hun twee dochtertjes wonen nu in zijn oude huis.

Een ander die bleef was Alfredo Weiss die ik op de bridgeclub ontmoette. Een Nederlandse vriend vertelde me dat hij op een van de beruchte vluchtelingenboten gezeten had. Als joodse vluchteling mocht hij 25 Reichsmark en een koffer meenemen. De rest moest hij achterlaten. Mexico, de VS, Venezuela en Argentinië weigerden hem de toegang. Bolivia liet hem toe. Op zijn sterfbed vroeg Weiss mijn vriend om voor zijn vrouw te zorgen. Dat had hij toegezegd vertelde hij mij, waarna hij er lachend aan toevoegde dat mevrouw Weiss 100.5 jaar oud geworden was.

Na de oorlog kwam een tweede, veel kleinere groep, Duitsers naar Bolivia. De meesten van hen zochten hun toevlucht in afgelegen ontoegankelijke tropische gebieden zoals de Yungas bij La Paz, de Beni en het oosten van Santa Cruz. Ze hielden zich er schuil voor de nazi-jagers. Mijn eerste en enige kennismaking met een van hen, of eigenlijk een van hun kinderen, was begin jaren zeventig op het Instituto Tecnológico. Deze hoogblonde leerling uit de Beni viel nogal op tussen de donkere Bolivianen. Op een dag zag ik hem met een jack met achterop een groot hakenkruis rondlopen. Een eigenaardige gewaarwording. Ik liep naar hem toe en tikte hem op zijn schouder. We hadden in Europa bijzonder slechte herinneringen aan dat kruis vertelde ik hem. Geschrokken keek hij mij aan, trok zijn jas uit, vouwde hem op en liep er die dag onder zijn arm mee rond.

De bekendste van de tweede groep is Klaus Barbie die zich tijdens de tweede wereldoorlog als Gestapo chef de veelzeggende bijnaam ‘de slager van Lyon’ verwierf. Een van de velen die Barbie's arresteerde en martelde was Jean Moulin, een leider van het Franse verzet. Moulin overleefde het niet. Ook Nederland maakte kennis met Barbie. In het begin van de oorlog organiseerde hij op brute wijze de deportatie van de joodse inwoners van Amsterdam. Zijn talenten bleken na de oorlog in de smaak te vallen van de Amerikaanse inlichtingendienst CIC. Vijf jaar lang maakten ze van zijn diensten gebruik. Voorzien van een nieuwe identiteit, die van Klaus Altmann, dook hij daarna in Bolivia op. Altmann werd in 1972 door Beate Klarsfeld als Barbie ontmaskerd. In ruil voor hand- en spandiensten werd hij door de opeenvolgende militaire dictatoren beschermd. Toen de militairen in 1983 gedwongen werden de macht over te dragen werd Barbie kort daarna door president Hernán Siles Zuazo zonder veel juridische plichtplegingen op het vliegtuig naar Frankrijk gezet. In Lyon werd hij in 1987 voor zijn misdaden tegen de menselijkheid tot levenslang veroordeeld. De verdediging van Jacques Vergès mocht hem niet baten. De onlangs uitgebrachte film van Kevin Macdonald's ‘My Enemy´s Enemy’ (2007) werpt meer licht op Barbie´s activiteiten na de oorlog in Europa en Zuid Amerika. Macdonald heeft in zijn film geen goed woord over voor de rol die de Verenigde Staten al die jaren speelde. Ook het ‘Ryan report’ van het U.S. Department of Justice over Barbie uit 1983 bekritiseerde deze rol met de woorden: `Justice delayed is justice denied. We have delayed justice in Lyon for 33 years´. Naar aanleiding van dit rapport boden de Verenigde Staten in 1983 Frankrijk hun excuses aan voor het beschermen van Barbie. Bolivia wacht nog op excuses.

Een ander lid van de tweede groep was Hans Ertl die in 1951 naar Bolivia uitweek. Hij woonde in San Javier in het oosten van Santa Cruz op de hacienda ‘La Dolorida’. Ertl was cameraman van Leni Riefenstahl met wie hij de film ‘Olympia’ (1936) maakte. Tijdens de oorlog trok hij in Noord-Afrika op met veldmaarschalk Erwin Rommel. Hij was een vakman. Op de Filmfestspiele van Berlijn 1954 kreeg hij uit handen van Gerhard Schröder, toen de minister van Binnenlandse Zaken, een eervolle vermelding voor zijn camerawerk voor de film ´Nanga Parbat’ (1953) over de eerste beklimming van de negende hoogste berg van de wereld. In Bolivia ging zijn belangstelling vooral uit naar de oorspronkelijke volkeren zoals de Sirionó indianen die hij filmde, ‘Hito Hito’ (1958), en fotografeerde. Zijn dochter Mónika assisteerde hem hierbij.

Hoe verging het Werner Guttentag in Bolivia? In Cochabamba realiseerde hij na de oorlog zijn grote ideaal. Hij werd de trotse eigenaar van boekhandel ‘Los Amigos del Libro’ en ging boeken uitgeven. Zijn uit Nederland meegenomen schrijfmachine en fiets kwamen hem hierbij goed van pas. Een herdruk van ‘Surumi’ (1943) van Jesus Lara, een van Bolivia´s bekendste schrijvers, gaf zijn boekhandel een vliegende start. Zijn motto: Niet lezen wat Bolivia voortbrengt, is negeren wat Bolivia is. De daad bij het woord voegend publiceerde hij van 1962 tot 2002 de (Bio-) Bibliografía Boliviana. Een ander belangrijk initiatief was het stimuleren van het werk van Boliviaanse schrijvers voor wie hij in 1966 de ‘Premio Nacional de Novela Erich Guttentag’ in het leven riep. Door deze en zijn vele andere literaire activiteiten is hij in Bolivia een bekendheid. Onlangs liep ik hem weer eens tegen het lijf. Steunend op zijn stok stond hij voor zijn boekhandel in de España. Een fragiele oude man. Ik maakte een praatje met hem. Of hij nog Nederlands sprak? Hij was een slechte leerling geweest zei hij glimlachend. Ik vertelde hem dat Ehrenfried zich altijd afgevraagd had waarom de Duitse gezant in Berlijn hem een visum gegeven had. Men betaalde ervoor was zijn antwoord. Op mijn vraag waarom hij zijn Cóndor de los Andes medaille nooit opspelde reageerde hij met een verontschuldigend gebaar. Hij kreeg deze onderscheiding in 1987 van het Boliviaanse parlement. Alle parlementariërs, van uiterst links tot uiterst rechts, stemden in met het voorstel om Werner Guttentag Tichauer uit Cochabamba de hoogste onderscheiding van Bolivia toe te kennen. Van gast was hij mede-eigenaar van Hotel Bolivia geworden.
 
****************************************
Literatuur en beeldende kunst onder één dak
bij Buddenbrooks aan het Noordeinde in Den Haag.
© 2007 Hans Meijer
powered by CJ2