archiefvorig nr.lopend nr.

Bezigheden > Ontmoetingen delen printen terug
Kijk uit, daar wonen Ambonezen Willem Minderhout

1205BZ Ambon‘Inwoners van de Molukse wijk in het Drentse Hoogeveen willen dat hun wijk 100 procent Moluks blijft’, stond in de krant. Mijn gedachten dwaalden onmiddellijk af naar Middelburg in de jaren zestig en zeventig. We woonden in de Stromenwijk. Dat was destijds – ik kwam er op driejarige leeftijd in de strenge winter van ’63 wonen – een nieuwbouwwijk. Een gedeelte van de wijk werd bewoond door Molukkers, die toen nog ‘Ambonezen’ genoemd werden. Ze werden daar gehuisvest nadat de speciale Ambonezenkampen op Walcheren waren opgeheven. Hoewel de wijk gemengd was, was er een aantal straten dat geheel door Molukse gezinnen bewoond werd. Een aantal herinneringen.

Perry en Ricardo
Ik heb een dubbeltje gekregen van mijn moeder om snoepjes te kopen. Snel loop ik naar Jan Laban op het pleintje. (Wat ik er kocht weet ik niet meer, maar alleen van de naam ‘Jan Laban’ loopt het water me al door de mond.) Als ik terug naar huis loop zie ik Wim. Wim is een Ambonees jongetje waarmee ik wel eens speel. Ik bied hem een snoepje aan. Verderop lopen nog een paar Ambonezen. Bij het zien van de snoepjes komen ze op me afgevlogen en ze pakken ze allemaal af. Wim zegt niets, maar loopt samen met de anderen weg. Ik ben onthutst. Bij mijn huis kom ik mijn buurjongen tegen. Ik vertel hem mijn verhaal. ‘Dat waren zeker Perry en Ricardo’,  zegt hij. ‘Dat zijn rotzakken.’ In het vervolg mijd ik groepen Amboneesjes. Je weet nooit of Perry en Ricardo er bij zijn.

Soumokil
Mijn vriendjes en ik willen voetballen. Het hek staat open bij het sportveldje van de Soumokilstichting bij Park Toorenvliedt. Er is niemand te zien. De grasmat ziet er schitterend uit. Nauwelijks zijn we aan het voetballen of een groepje Ambonezen komt op ons afrennen. ‘Ga weg! Dit is van ons land!’ Van hun land? Ik begrijp er niets van. De sfeer is grimmig en we besluiten om het hazenpad te kiezen.

Madame Jeannette
Mijn vader is terug van zee. Hij heeft van mijn tante in Suriname een grote pot Madame Jeannette gekregen, Surinaamse pepers die nog scherper zijn dan rawit. Wij eten dat niet. ‘Kom we gaan het naar de Ambonezen brengen’, zegt hij. We lopen naar het rijtje huizen in de Oosterscheldestraat dat door Ambonezen wordt bewoond. Er doet een meisje open aan wie mijn vader, een beetje schutterig, de reden van zijn bezoek uitlegt. Ze roept iets in het Maleis en uit de keuken komt een klein oud vrouwtje in sarong aangelopen. Ze doet de pot open en haar ogen beginnen te glimmen. Ze steekt een handvol pepers in haar mond en begint te kraaien van genot. ‘Lekkerrr, lekkerrr frissss, meneeerrrr!’

Astrid
Astrid zit bij mij in de klas. Haar broer en zij zijn de enige Ambonezen op onze school. Alle andere Ambonezen zitten op de school naast ons. Die is Christelijk en wij zijn Openbaar. De kinderen van die andere school noemen ons ‘openbare stinksigaren’. Dat pikken we natuurlijk niet. De kluiten vliegen heen en weer. Totdat er een muur tussen de twee scholen wordt gebouwd. Nu kunnen we elkaar niet meer zien. Astrid kan ik gelukkig wel zien. Ze heeft dikke gitzwarte vlechten en ze lacht altijd heel lief. Ik ben op haar, maar dat mag niemand weten. Zeker zij zelf niet.
Op een dag tref ik haar bij de berg op het braakliggende terrein tussen ‘mijn’ Mastgatstraat en haar Oosterscheldestraat. Het ruikt er lekker. Het gras is pas gemaaid. Ik fantaseer dat de berg een ruimteschip is. Astrid en ik vliegen ermee door het heelal en beleven allemaal avonturen. Astrid lacht. Ik geef haar een bosje madeliefjes. Daar blijft het bij.

Slagbal
Ik speel slagbal met de Ambonezen achter de flat in de Maasstraat. Het is spannend. Ik doe mijn uiterste best en weet de bal af en toe een flinke knal te geven. Ineens herinner ik me dat ik naar muziekles moet. Als ik dat vertel worden ze allemaal boos. Ik kan niet tegen mijn verlies, zeggen ze. Ik ga toch en krijg een regen aan kluiten achter me aan.
Muziekles is stom. We moeten handzingen. Van ‘do, re, mi’ en dan weer terug. En noten op een balk tekenen. Als we heel goed ons best hebben gedaan mogen we op een klankstaaf slaan. Was ik maar blijven slagballen. Muziek maken heb ik nooit geleerd.

Bert Pentury
Ik ga met mijn vader naar het voetbal. Naar mijn club MV & AV Middelburg. Ik speel bij de pupillen. Mijn team heet ‘Aston Villa’, een prachtige naam. Ik ben apetrots op mijn groenwitte helden. Al twee keer werden ze algemeen landskampioen bij de amateurs! Ze werden in een koets door de stad gereden.

Eerst gaan we warme worst eten bij Bostelaar en Van der Giessen. Zij zijn door de week stoffeerders, maar op zondag doen ze de kraam met warme worst en kroketten in het stadionnetje aan de Nadorstweg. Het zijn vrienden van mijn oma en tante Co. Ik heb al vaak aan mijn oma, die weduwe is, gevraagd waarom tante Co en zij niet met Bostelaar en Van der Giessen trouwen. Mijn oma lacht dan wat scheef. Pas jaren later ontdek ik dat de heren aan elkaar genoeg hebben.

De neef van Bostelaar, Jan, is de spits van Middelburg. Volgens mij kan er niemand zo hard schieten als hij. Daarnaast hebben we met Johnny But de beste keeper van de wereld en Arie Delmotte speelt zo goed dat er wordt gefluisterd dat hij bij NAC gaat voetballen. Maar de allerbeste is Bert Pentury. Als Bert de bal krijgt passeert hij met gemak drie man. En kijk eens hoe fanatiek hij jaagt als de tegenstander de bal heeft! Zo’n voetballer wil ik ook worden! Helaas. Door gebrek aan techniek en door een vroeg inzicht dat voetbal meer is dan met zijn tienen achter een bal aanrennen beland ik in de achterhoede. Een Bert Pentury zal ik nooit worden. Rinus Israel wordt mijn rolmodel.

Zinken Bak
We staan te swingen in ’t Sincken Toogje. Heel stoer noemen we dat de Zinken Bak. Alleen Annemarie Goedbloed niet. Die denkt dat die kroeg ‘’t Zinkend Oogje’ heet. Nog niet eens zo’n rare gedachte. Er zitten Ambonezen aan de kant van de dansvloer. Ze hebben een bierglas op de dansvloer gezet. Wie het om trapt nemen ze te grazen. Ik let niet op ze. Ik let helemaal nergens op. Ik dans. Op een gegeven moment moet ik naar de WC. Als ik terug kom is de zaak in rep en roer. Mijn vriend Marijn heeft een blauw oog en roept ‘wegwezen’. Blijkbaar had ik dat glas omgetrapt. Maar ik wist van niks en zat veilig op het toilet. Toen hebben ze Marijn maar geslagen. Daar ben ik dus weer goed vanaf gekomen.
Ik vermoed dat het Perry en Ricardo waren.

Zeeuwse Ankers - Verhaal Molukkerkamp Westkapelle
------------------------------------------
De tekening is van Annemiek Meijer
-------------------------------------------
Bestel uw boeken, CD's en nog veel meer
bij bolcom, via de banner rechts.
Dan steunt u De Leunstoel!


© 2014 Willem Minderhout meer Willem Minderhout - meer "Ontmoetingen" -
Bezigheden > Ontmoetingen
Kijk uit, daar wonen Ambonezen Willem Minderhout
1205BZ Ambon‘Inwoners van de Molukse wijk in het Drentse Hoogeveen willen dat hun wijk 100 procent Moluks blijft’, stond in de krant. Mijn gedachten dwaalden onmiddellijk af naar Middelburg in de jaren zestig en zeventig. We woonden in de Stromenwijk. Dat was destijds – ik kwam er op driejarige leeftijd in de strenge winter van ’63 wonen – een nieuwbouwwijk. Een gedeelte van de wijk werd bewoond door Molukkers, die toen nog ‘Ambonezen’ genoemd werden. Ze werden daar gehuisvest nadat de speciale Ambonezenkampen op Walcheren waren opgeheven. Hoewel de wijk gemengd was, was er een aantal straten dat geheel door Molukse gezinnen bewoond werd. Een aantal herinneringen.

Perry en Ricardo
Ik heb een dubbeltje gekregen van mijn moeder om snoepjes te kopen. Snel loop ik naar Jan Laban op het pleintje. (Wat ik er kocht weet ik niet meer, maar alleen van de naam ‘Jan Laban’ loopt het water me al door de mond.) Als ik terug naar huis loop zie ik Wim. Wim is een Ambonees jongetje waarmee ik wel eens speel. Ik bied hem een snoepje aan. Verderop lopen nog een paar Ambonezen. Bij het zien van de snoepjes komen ze op me afgevlogen en ze pakken ze allemaal af. Wim zegt niets, maar loopt samen met de anderen weg. Ik ben onthutst. Bij mijn huis kom ik mijn buurjongen tegen. Ik vertel hem mijn verhaal. ‘Dat waren zeker Perry en Ricardo’,  zegt hij. ‘Dat zijn rotzakken.’ In het vervolg mijd ik groepen Amboneesjes. Je weet nooit of Perry en Ricardo er bij zijn.

Soumokil
Mijn vriendjes en ik willen voetballen. Het hek staat open bij het sportveldje van de Soumokilstichting bij Park Toorenvliedt. Er is niemand te zien. De grasmat ziet er schitterend uit. Nauwelijks zijn we aan het voetballen of een groepje Ambonezen komt op ons afrennen. ‘Ga weg! Dit is van ons land!’ Van hun land? Ik begrijp er niets van. De sfeer is grimmig en we besluiten om het hazenpad te kiezen.

Madame Jeannette
Mijn vader is terug van zee. Hij heeft van mijn tante in Suriname een grote pot Madame Jeannette gekregen, Surinaamse pepers die nog scherper zijn dan rawit. Wij eten dat niet. ‘Kom we gaan het naar de Ambonezen brengen’, zegt hij. We lopen naar het rijtje huizen in de Oosterscheldestraat dat door Ambonezen wordt bewoond. Er doet een meisje open aan wie mijn vader, een beetje schutterig, de reden van zijn bezoek uitlegt. Ze roept iets in het Maleis en uit de keuken komt een klein oud vrouwtje in sarong aangelopen. Ze doet de pot open en haar ogen beginnen te glimmen. Ze steekt een handvol pepers in haar mond en begint te kraaien van genot. ‘Lekkerrr, lekkerrr frissss, meneeerrrr!’

Astrid
Astrid zit bij mij in de klas. Haar broer en zij zijn de enige Ambonezen op onze school. Alle andere Ambonezen zitten op de school naast ons. Die is Christelijk en wij zijn Openbaar. De kinderen van die andere school noemen ons ‘openbare stinksigaren’. Dat pikken we natuurlijk niet. De kluiten vliegen heen en weer. Totdat er een muur tussen de twee scholen wordt gebouwd. Nu kunnen we elkaar niet meer zien. Astrid kan ik gelukkig wel zien. Ze heeft dikke gitzwarte vlechten en ze lacht altijd heel lief. Ik ben op haar, maar dat mag niemand weten. Zeker zij zelf niet.
Op een dag tref ik haar bij de berg op het braakliggende terrein tussen ‘mijn’ Mastgatstraat en haar Oosterscheldestraat. Het ruikt er lekker. Het gras is pas gemaaid. Ik fantaseer dat de berg een ruimteschip is. Astrid en ik vliegen ermee door het heelal en beleven allemaal avonturen. Astrid lacht. Ik geef haar een bosje madeliefjes. Daar blijft het bij.

Slagbal
Ik speel slagbal met de Ambonezen achter de flat in de Maasstraat. Het is spannend. Ik doe mijn uiterste best en weet de bal af en toe een flinke knal te geven. Ineens herinner ik me dat ik naar muziekles moet. Als ik dat vertel worden ze allemaal boos. Ik kan niet tegen mijn verlies, zeggen ze. Ik ga toch en krijg een regen aan kluiten achter me aan.
Muziekles is stom. We moeten handzingen. Van ‘do, re, mi’ en dan weer terug. En noten op een balk tekenen. Als we heel goed ons best hebben gedaan mogen we op een klankstaaf slaan. Was ik maar blijven slagballen. Muziek maken heb ik nooit geleerd.

Bert Pentury
Ik ga met mijn vader naar het voetbal. Naar mijn club MV & AV Middelburg. Ik speel bij de pupillen. Mijn team heet ‘Aston Villa’, een prachtige naam. Ik ben apetrots op mijn groenwitte helden. Al twee keer werden ze algemeen landskampioen bij de amateurs! Ze werden in een koets door de stad gereden.

Eerst gaan we warme worst eten bij Bostelaar en Van der Giessen. Zij zijn door de week stoffeerders, maar op zondag doen ze de kraam met warme worst en kroketten in het stadionnetje aan de Nadorstweg. Het zijn vrienden van mijn oma en tante Co. Ik heb al vaak aan mijn oma, die weduwe is, gevraagd waarom tante Co en zij niet met Bostelaar en Van der Giessen trouwen. Mijn oma lacht dan wat scheef. Pas jaren later ontdek ik dat de heren aan elkaar genoeg hebben.

De neef van Bostelaar, Jan, is de spits van Middelburg. Volgens mij kan er niemand zo hard schieten als hij. Daarnaast hebben we met Johnny But de beste keeper van de wereld en Arie Delmotte speelt zo goed dat er wordt gefluisterd dat hij bij NAC gaat voetballen. Maar de allerbeste is Bert Pentury. Als Bert de bal krijgt passeert hij met gemak drie man. En kijk eens hoe fanatiek hij jaagt als de tegenstander de bal heeft! Zo’n voetballer wil ik ook worden! Helaas. Door gebrek aan techniek en door een vroeg inzicht dat voetbal meer is dan met zijn tienen achter een bal aanrennen beland ik in de achterhoede. Een Bert Pentury zal ik nooit worden. Rinus Israel wordt mijn rolmodel.

Zinken Bak
We staan te swingen in ’t Sincken Toogje. Heel stoer noemen we dat de Zinken Bak. Alleen Annemarie Goedbloed niet. Die denkt dat die kroeg ‘’t Zinkend Oogje’ heet. Nog niet eens zo’n rare gedachte. Er zitten Ambonezen aan de kant van de dansvloer. Ze hebben een bierglas op de dansvloer gezet. Wie het om trapt nemen ze te grazen. Ik let niet op ze. Ik let helemaal nergens op. Ik dans. Op een gegeven moment moet ik naar de WC. Als ik terug kom is de zaak in rep en roer. Mijn vriend Marijn heeft een blauw oog en roept ‘wegwezen’. Blijkbaar had ik dat glas omgetrapt. Maar ik wist van niks en zat veilig op het toilet. Toen hebben ze Marijn maar geslagen. Daar ben ik dus weer goed vanaf gekomen.
Ik vermoed dat het Perry en Ricardo waren.

Zeeuwse Ankers - Verhaal Molukkerkamp Westkapelle
------------------------------------------
De tekening is van Annemiek Meijer
-------------------------------------------
Bestel uw boeken, CD's en nog veel meer
bij bolcom, via de banner rechts.
Dan steunt u De Leunstoel!
© 2014 Willem Minderhout
powered by Peppered