archiefvorig nr.lopend nr.

Bezigheden > Ontmoetingen delen printen terug
Avontuur met Prince in Toronto Esther

Prince
Prince?  Ja, dat was het mannetje! ’t Kon niet missen!!
Het was op een steenkoude dag net voor oud en nieuw dat ik via Toronto down town moest reizen om vanaf het treinstation met een hotelshuttle naar het vliegveld te gaan. Om me tegen de strenge Canadese kou te wapenen was ik getooid met een grote zwarte bontmuts.  Mijn hele hebben en houden voor twee weken Canada zat in een  grote knalroze koffer.  In combinatie met mijn lengte was ik zeker geen onopvallende verschijning.
Het was niet de eerste keer dat ik Toronto aandeed, maar ik had nog nooit met de trein door Canada gereisd. Bij aankomst op het station bleek het gelukkig maar een kwestie van de brede avenue oversteken om bij het chique Royal York hotel te komen. Desondanks was het toch nog een gevaarlijke onderneming om al ploeterend door de sneeuw zonder verkeerslichten veilig aan de overkant te komen. De portiers voor de trappen van het hotel moesten lachen om m’n gestuntel.
 
Bij de trappen voor het hotel stond nog een man, of eigenlijk een ventje, naar mijn geploeter door de sneeuw te kijken. Terwijl ik aan een portier vroeg of dit inderdaad het hotel was waarvandaan ik de shuttle naar het vliegveld kon nemen, sprak het mannetje me aan: 'Hey! You’re from Amsterdam, because you’re so tall!' Ik begon te lachen toen ik het mannetje opmerkte. Hij had een knalgroen overhemd aan, een te strakke zwarte broek en schoenen met een hakje eronder. Zijn haar was hoog in de krul opgekamd en hij had zich opgemaakt met lippenstift waarvan minstens de helft op z’n tanden zat. Hij leunde tegen de voorgevel van het hotel met een sigaret in zijn hand.
'Yes, you’re right' was mijn enthousiaste antwoord.  Onmiddellijk stak hij zijn hand omhoog voor een high five.  Dat lukte wonderwel omdat ik drie treden lager onder aan de trap stond, zodat we op gelijke hoogte waren.
 
Het mannetje, die vreemde aandachttrekker, was duidelijk van me onder de indruk en gooide al z’n charmes in de strijd. Hij vroeg me naar mijn reisdoel, hoelang ik in Toronto zou zijn en wat ik die dag allemaal zou gaan doen. Hij wilde me wel rondleiden in de stad. Aangezien ik van plan was om alleen wat te shoppen en een kort bezoek te brengen aan een vestiging van het bedrijf waar ik stage loop, had ik weinig zin om met zo’n snuiter op stap te gaan. Ik zei hem daarom dat hij zoals hij er nu uitzag echt niet mee zou kunnen omdat ik in een veel te chic kantoor moest zijn. Daar had hij wel begrip voor, maar na afloop stond hij erop dat ik koffie met hem zou gaan drinken.
Ondertussen hees ik m’n koffer de treden op en het prachtige hotel in. Binnen moest ik nog een stuk trap op. De portier wilde wel helpen maar dat wees ik, als stoere Hollandse, af. Toen greep het mannetje zijn kans. Samen sjouwden we de koffer naar boven. Hij wees me de weg en stond erop te betalen voor het kaartje voor de shuttlebus en het bewaken van mijn koffer.
Gek vond ik het zeker, maar ja, ik heb wel vaker wat raars met de mannen. Hier zou ik me ook wel weer uit redden. Het enige dat ik nu nog van hem wilde weten was de weg naar de metro om naar het kantoor te gaan. Volgens hem was het metrostation recht onder het hotel. Hij zou me wel even de weg wijzen… Pfff… kwam ik dan nooit van hem af?
 
Op weg naar de lift vroeg ik wat voor werk hij deed. Hij was artiest, zanger en hij speelde piano, vertelde hij mij. Hij vroeg naar mijn werk en naar welk kantoor ik op weg was. Ik vertelde dat ik onderzoeker was voor de publieke sector maar dat ik ook van zingen hield en dat ik vroeger operazangeres wilde worden.
Op hoop van zegen stapte ik met hem in de prachtige lift, afgezet met in rozenhout uitgesneden patronen en schilderingen. Tot mijn schrik ging de lift niet naar beneden maar naar boven! Geschrokken zei ik dat dit niet de bedoeling was! Het mannetje zei dat hij alleen wat van zijn kamer op moest halen. Hij vroeg er direct erachteraan of ik het Ave Maria voor hem kon zingen. Ik antwoordde dat ik dat wel wilde maar niet naar zijn kamer wilde. Dat was oké dan en ik begon een paar regels van Bachs meesterwerkje te galmen in de lift. Prachtig vond hij het. Hij zou ook wat zingen voor mij.
De lift stopte op een verdieping met aan de linkerkant een brede overloop met dikke rode tapijten en aan de andere kant een soort portaal waarachter ik een enorme balzaal zag met gigantische kristallen kroonluchters en ronde prachtig opgedekte tafels. Midden in de balzaal zat een gezelschap te ontbijten. Het was een gemengde groep van keurige zakenmensen, artistiekelingen, en mannen in pak met gespierde nekken.
 
Het mannetje van wie ik nog steeds de naam niet wist stelde me voor als zijn ‘beautifull friend from Amsterdam. She’s an opera singer’. Beduusd over de prachtige entourage van het hotel schudde ik handen en stamelde dat ik ook allemaal niet wist wat me overkwam.  Het mannetje nam me weer mee de zaal uit waar hij achter de vleugel in het portaal plaats nam en een liedje voor me ging zingen. Mooi vond ik het niet. Ik vroeg hem of hij het Largo van Händel niet kon spelen, dan kon ik met hem mee zingen. Maar nee, daar had hij nog nooit van gehoord.
Z’n piepstem werd ruw verstoord door een enorm stevig Afro-Amerikaans kamermeisje die ons sommeerde om nu direct te stoppen omdat het slapende gasten zou storen in de naastgelegen kamers. Het mannetje antwoordde met: ‘Do you know who I am?’, waarop het kamermeisje woedend antwoordde dat ze daar niets mee te maken had maar dat we nu direct weg moesten gaan. Nu ja, het mannetje zou dan wel een andere vleugel opzoeken om de rest van het liedje voor me te zingen.
 
Weer gingen we de lift in. Weer naar boven. De lift stopte op de bovenste etage. Toen de deur openging bleken we midden in een vergadering terecht te zijn gekomen. Het hele gezelschap keek verstoord op van ons enthousiaste gepraat. Ook op andere verdiepingen troffen we geen vleugel aan. Ik vond het zo langzamerhand wel welletjes.  Teleurgesteld berustte het mannetje erin om mij zonder eerst gezongen te hebben naar de metro te brengen.  
Onderweg spraken we over mijn toekomstplannen. Hij vroeg me of ik niet in Toronto wilde komen werken. Hij had hier nog wel een appartement voor me. Ik wuifde het aanbod beleefd af.  Op de derde verdieping stapten er nog twee vrouwen de lift in. Het mannetje vond dat het haar van de mevrouw zo leuk zat. Ik vond het gek dat ze zo verschrikt reageerden en niet enthousiast voor het compliment bedankten.
Eindelijk stopte de lift dan ondergronds zoals oorspronkelijk de bedoeling was geweest. Door gangen met talloze verlaten winkeltjes onder het hotel daalden we af naar het metrostatiom. Natuurlijk moest ik nog een kaartje hebben. De rij was lang maar tot mijn verbazing liet iedereen het mannetje, met mij in zijn kielzog, zo naar voren lopen waar hij een kaartje voor me kocht. ‘’t Komt vast door m’n grote bontmuts’, dacht ik nog naïef als ik was. We namen afscheid en ik beloofde om kwart over 1 weer voor het hotel te staan om samen koffie te gaan drinken. Nu ja, ik zou nog wel zien of ik daar zo’n behoefte aan had met die rare knakker…
 
Het bezoek aan het bedrijf duurde iets langer dan gepland door de hartelijke ontvangst van m’n internationale collega’s. Hoewel ik echt mijn best gedaan had om op tijd te komen was er om half twee geen spoor meer van het mannetje bekennen. Ik vroeg een portier of hij dat aparte type had gezien. Lachend vertelde hij me dat hij een kwartier op me had staan wachten. Hij was net weer naar binnen gegaan. Omdat ik toch moest wachten op het vertrek van de shuttlebus besloot ik maar zelf koffie te gaan drinken in de bar van het hotel en wat rond te kijken. Helaas was mijn vreemde vriend spoorloos verdwenen.
 
Eenmaal terug in Nederland vertelde ik al m’n Canadese avonturen aan mijn vrienden. Natuurlijk sloeg ik de episode in dat chique hotel met het vreemde artiestenventje niet over. Mijn vrienden moesten lachten om mijn bijzondere belevenissen. Een vriend vroeg me het mannetje gedetailleerd te beschrijven. ‘Een klein mannetje, leeftijd moeilijk te schatten, hakjes aan, artiest, met een soort gezelschap mee, een aparte hoge piepstem en lage galmen, zwart krulhaar, pruillippen en ook nog eens geïnteresseerd in grote blonde vrouwen…’, somde ik op.  Er verscheen een steeds grotere glimlach om zijn mond. Op z’n telefoon liet hij een foto van een zekere Prince zien. Tot mijn grote verbazing zag ik mijn ‘vriend’ op die foto staan.  Ja, dat was het mannetje! ’t Kon niet missen!!
 
Hij bleek de avond ervoor een concert te hebben gegeven met het filharmonisch orkest van Toronto. Ik herinnerde me weer dat hij me vertelde dat hij nog niet veel geslapen had maar op deze vroege morgen (rond negen uur) eerst wat wilde eten voordat hij ging slapen.
Naïef als ik ben – door m’n ietwat conservatieve opvoeding en door gebrek aan interesse in popmuziek – had ik nog nooit van deze grootheid gehoord. Nu pas snap ik waarom de portier voor het hotel zo moest lachen, de vrouwen in de lift zo verschrikt reageerden en we zomaar voor mochten gaan in de rij voor een metrokaartje. Nee dat was niet om m’n mooie bontmuts maar alleen voor ‘het mannetje’.
Nu speelt mijn mannetje op North Sea Jazz… Best leuk hoor, maar om nu 70 euro voor een kaartje te dokken? Nee, ’t was grappig, maar ik  hoef hem niet meer te zien. Misschien heeft hij in Amsterdam een andere ‘tall girl form Amsterdam’ aan de haak kunnen slaan.


© 2011 Esther meer Esther - meer "Ontmoetingen"
Bezigheden > Ontmoetingen
Avontuur met Prince in Toronto Esther
Prince
Prince?  Ja, dat was het mannetje! ’t Kon niet missen!!
Het was op een steenkoude dag net voor oud en nieuw dat ik via Toronto down town moest reizen om vanaf het treinstation met een hotelshuttle naar het vliegveld te gaan. Om me tegen de strenge Canadese kou te wapenen was ik getooid met een grote zwarte bontmuts.  Mijn hele hebben en houden voor twee weken Canada zat in een  grote knalroze koffer.  In combinatie met mijn lengte was ik zeker geen onopvallende verschijning.
Het was niet de eerste keer dat ik Toronto aandeed, maar ik had nog nooit met de trein door Canada gereisd. Bij aankomst op het station bleek het gelukkig maar een kwestie van de brede avenue oversteken om bij het chique Royal York hotel te komen. Desondanks was het toch nog een gevaarlijke onderneming om al ploeterend door de sneeuw zonder verkeerslichten veilig aan de overkant te komen. De portiers voor de trappen van het hotel moesten lachen om m’n gestuntel.
 
Bij de trappen voor het hotel stond nog een man, of eigenlijk een ventje, naar mijn geploeter door de sneeuw te kijken. Terwijl ik aan een portier vroeg of dit inderdaad het hotel was waarvandaan ik de shuttle naar het vliegveld kon nemen, sprak het mannetje me aan: 'Hey! You’re from Amsterdam, because you’re so tall!' Ik begon te lachen toen ik het mannetje opmerkte. Hij had een knalgroen overhemd aan, een te strakke zwarte broek en schoenen met een hakje eronder. Zijn haar was hoog in de krul opgekamd en hij had zich opgemaakt met lippenstift waarvan minstens de helft op z’n tanden zat. Hij leunde tegen de voorgevel van het hotel met een sigaret in zijn hand.
'Yes, you’re right' was mijn enthousiaste antwoord.  Onmiddellijk stak hij zijn hand omhoog voor een high five.  Dat lukte wonderwel omdat ik drie treden lager onder aan de trap stond, zodat we op gelijke hoogte waren.
 
Het mannetje, die vreemde aandachttrekker, was duidelijk van me onder de indruk en gooide al z’n charmes in de strijd. Hij vroeg me naar mijn reisdoel, hoelang ik in Toronto zou zijn en wat ik die dag allemaal zou gaan doen. Hij wilde me wel rondleiden in de stad. Aangezien ik van plan was om alleen wat te shoppen en een kort bezoek te brengen aan een vestiging van het bedrijf waar ik stage loop, had ik weinig zin om met zo’n snuiter op stap te gaan. Ik zei hem daarom dat hij zoals hij er nu uitzag echt niet mee zou kunnen omdat ik in een veel te chic kantoor moest zijn. Daar had hij wel begrip voor, maar na afloop stond hij erop dat ik koffie met hem zou gaan drinken.
Ondertussen hees ik m’n koffer de treden op en het prachtige hotel in. Binnen moest ik nog een stuk trap op. De portier wilde wel helpen maar dat wees ik, als stoere Hollandse, af. Toen greep het mannetje zijn kans. Samen sjouwden we de koffer naar boven. Hij wees me de weg en stond erop te betalen voor het kaartje voor de shuttlebus en het bewaken van mijn koffer.
Gek vond ik het zeker, maar ja, ik heb wel vaker wat raars met de mannen. Hier zou ik me ook wel weer uit redden. Het enige dat ik nu nog van hem wilde weten was de weg naar de metro om naar het kantoor te gaan. Volgens hem was het metrostation recht onder het hotel. Hij zou me wel even de weg wijzen… Pfff… kwam ik dan nooit van hem af?
 
Op weg naar de lift vroeg ik wat voor werk hij deed. Hij was artiest, zanger en hij speelde piano, vertelde hij mij. Hij vroeg naar mijn werk en naar welk kantoor ik op weg was. Ik vertelde dat ik onderzoeker was voor de publieke sector maar dat ik ook van zingen hield en dat ik vroeger operazangeres wilde worden.
Op hoop van zegen stapte ik met hem in de prachtige lift, afgezet met in rozenhout uitgesneden patronen en schilderingen. Tot mijn schrik ging de lift niet naar beneden maar naar boven! Geschrokken zei ik dat dit niet de bedoeling was! Het mannetje zei dat hij alleen wat van zijn kamer op moest halen. Hij vroeg er direct erachteraan of ik het Ave Maria voor hem kon zingen. Ik antwoordde dat ik dat wel wilde maar niet naar zijn kamer wilde. Dat was oké dan en ik begon een paar regels van Bachs meesterwerkje te galmen in de lift. Prachtig vond hij het. Hij zou ook wat zingen voor mij.
De lift stopte op een verdieping met aan de linkerkant een brede overloop met dikke rode tapijten en aan de andere kant een soort portaal waarachter ik een enorme balzaal zag met gigantische kristallen kroonluchters en ronde prachtig opgedekte tafels. Midden in de balzaal zat een gezelschap te ontbijten. Het was een gemengde groep van keurige zakenmensen, artistiekelingen, en mannen in pak met gespierde nekken.
 
Het mannetje van wie ik nog steeds de naam niet wist stelde me voor als zijn ‘beautifull friend from Amsterdam. She’s an opera singer’. Beduusd over de prachtige entourage van het hotel schudde ik handen en stamelde dat ik ook allemaal niet wist wat me overkwam.  Het mannetje nam me weer mee de zaal uit waar hij achter de vleugel in het portaal plaats nam en een liedje voor me ging zingen. Mooi vond ik het niet. Ik vroeg hem of hij het Largo van Händel niet kon spelen, dan kon ik met hem mee zingen. Maar nee, daar had hij nog nooit van gehoord.
Z’n piepstem werd ruw verstoord door een enorm stevig Afro-Amerikaans kamermeisje die ons sommeerde om nu direct te stoppen omdat het slapende gasten zou storen in de naastgelegen kamers. Het mannetje antwoordde met: ‘Do you know who I am?’, waarop het kamermeisje woedend antwoordde dat ze daar niets mee te maken had maar dat we nu direct weg moesten gaan. Nu ja, het mannetje zou dan wel een andere vleugel opzoeken om de rest van het liedje voor me te zingen.
 
Weer gingen we de lift in. Weer naar boven. De lift stopte op de bovenste etage. Toen de deur openging bleken we midden in een vergadering terecht te zijn gekomen. Het hele gezelschap keek verstoord op van ons enthousiaste gepraat. Ook op andere verdiepingen troffen we geen vleugel aan. Ik vond het zo langzamerhand wel welletjes.  Teleurgesteld berustte het mannetje erin om mij zonder eerst gezongen te hebben naar de metro te brengen.  
Onderweg spraken we over mijn toekomstplannen. Hij vroeg me of ik niet in Toronto wilde komen werken. Hij had hier nog wel een appartement voor me. Ik wuifde het aanbod beleefd af.  Op de derde verdieping stapten er nog twee vrouwen de lift in. Het mannetje vond dat het haar van de mevrouw zo leuk zat. Ik vond het gek dat ze zo verschrikt reageerden en niet enthousiast voor het compliment bedankten.
Eindelijk stopte de lift dan ondergronds zoals oorspronkelijk de bedoeling was geweest. Door gangen met talloze verlaten winkeltjes onder het hotel daalden we af naar het metrostatiom. Natuurlijk moest ik nog een kaartje hebben. De rij was lang maar tot mijn verbazing liet iedereen het mannetje, met mij in zijn kielzog, zo naar voren lopen waar hij een kaartje voor me kocht. ‘’t Komt vast door m’n grote bontmuts’, dacht ik nog naïef als ik was. We namen afscheid en ik beloofde om kwart over 1 weer voor het hotel te staan om samen koffie te gaan drinken. Nu ja, ik zou nog wel zien of ik daar zo’n behoefte aan had met die rare knakker…
 
Het bezoek aan het bedrijf duurde iets langer dan gepland door de hartelijke ontvangst van m’n internationale collega’s. Hoewel ik echt mijn best gedaan had om op tijd te komen was er om half twee geen spoor meer van het mannetje bekennen. Ik vroeg een portier of hij dat aparte type had gezien. Lachend vertelde hij me dat hij een kwartier op me had staan wachten. Hij was net weer naar binnen gegaan. Omdat ik toch moest wachten op het vertrek van de shuttlebus besloot ik maar zelf koffie te gaan drinken in de bar van het hotel en wat rond te kijken. Helaas was mijn vreemde vriend spoorloos verdwenen.
 
Eenmaal terug in Nederland vertelde ik al m’n Canadese avonturen aan mijn vrienden. Natuurlijk sloeg ik de episode in dat chique hotel met het vreemde artiestenventje niet over. Mijn vrienden moesten lachten om mijn bijzondere belevenissen. Een vriend vroeg me het mannetje gedetailleerd te beschrijven. ‘Een klein mannetje, leeftijd moeilijk te schatten, hakjes aan, artiest, met een soort gezelschap mee, een aparte hoge piepstem en lage galmen, zwart krulhaar, pruillippen en ook nog eens geïnteresseerd in grote blonde vrouwen…’, somde ik op.  Er verscheen een steeds grotere glimlach om zijn mond. Op z’n telefoon liet hij een foto van een zekere Prince zien. Tot mijn grote verbazing zag ik mijn ‘vriend’ op die foto staan.  Ja, dat was het mannetje! ’t Kon niet missen!!
 
Hij bleek de avond ervoor een concert te hebben gegeven met het filharmonisch orkest van Toronto. Ik herinnerde me weer dat hij me vertelde dat hij nog niet veel geslapen had maar op deze vroege morgen (rond negen uur) eerst wat wilde eten voordat hij ging slapen.
Naïef als ik ben – door m’n ietwat conservatieve opvoeding en door gebrek aan interesse in popmuziek – had ik nog nooit van deze grootheid gehoord. Nu pas snap ik waarom de portier voor het hotel zo moest lachen, de vrouwen in de lift zo verschrikt reageerden en we zomaar voor mochten gaan in de rij voor een metrokaartje. Nee dat was niet om m’n mooie bontmuts maar alleen voor ‘het mannetje’.
Nu speelt mijn mannetje op North Sea Jazz… Best leuk hoor, maar om nu 70 euro voor een kaartje te dokken? Nee, ’t was grappig, maar ik  hoef hem niet meer te zien. Misschien heeft hij in Amsterdam een andere ‘tall girl form Amsterdam’ aan de haak kunnen slaan.
© 2011 Esther
powered by Peppered