archiefvorig nr.lopend nr.

Bezigheden > Ontmoetingen delen printen terug
In een voetbalkantine op zijn best Joop Quint

0811BZ Voetbalkantine
Alle diersoorten hebben hun eigen habitat; de omgeving waarin ze het best tot hun recht komen en de grootste overlevingskansen hebben. Na bijna 69 jaar ben ik er eindelijk achter wat mijn ideale habitat is: dat is de voetbalkantine. (Nog net voor het café.) Ik heb mezelf de vraag gesteld hoe dat toch komt. Zou het aan mijn jeugd liggen?

Ik had ook kunnen gaan lezen, of kruiswoordpuzzels oplossen. Maar daar komen de genen. Ik ben redelijk sociaal. Ik kan het goed vinden met andere mensen. Zo waren mijn ouders ook. En mijn ouders waren behoorlijk sportief. Mijn vader had goed gevoetbald. En mijn moeder is, geloof ik, kampioen op de honderd meter hardlopen van de provincie Utrecht geweest. Dus ik had weinig keus. Ik moest naar buiten en gaan voetballen; in Nunspeet meest met mijn vriendjes van school, want ik was te jong om lid te worden van een club. De jochies (en meisjes) van tegenwoordig spelen al op hun zesde bij AFC.
 
Op mijn twaalfde verhuisde ik naar Texel en werd lid van SV Texel in Den Burg, de absolute top. Bijna elk van de zeven dorpen op Texel heeft een eigen voetbalvereniging. Maar SV Texel speelde in de hoogste afdeling, vierde klasse KNVB. En ik was linksbuiten in de A1, later in het eerste. (Dat was maar een jaar, omdat mijn ouders weer verhuisden.) Als je in het eerste van SV Texel speelt, dan ben je wereldberoemd op Texel. Ik was 16. Het warme gevoel dat ik krijg als ik een voetbalkantine binnen kom, zou verklaard kunnen worden door de associatie met die heldenstatus van vroeger.
Maar dat verhaal gaat niet helemaal op. SV Texel had geen kantine. Er was wel een mooie houten tribune, maar dat was het. We voetbalden in de kop van Noord-Holland. Daar waren wel kantines. Ik denk aan: Hyppolitushoef (Succes), Breezand (BKC), Schagen (Schagen), Tuitjehorn (Hollandia T., niet te verwarren met Hollandia, Hoorn), Watervogels en Helder (Den Helder).

Later ging ik in Utrecht voetballen bij Kampong. (Het is een misverstand dat Kampong een hockeyclub is. Kampong is ouder en groter als voetbalclub.) Kampong had/heeft ook geen kantine. Kampong heeft een clubhuis, dat komt door die hockeyers. Maar onze tegenstanders in de buurt hadden natuurlijk wel een kantine. De jongens in Odijk hadden hun eigen clubhuis gebouwd. Dat is niet zo gek, want voetballers zijn natuurlijk aannemers, tegelzetters en metselaars. Heel wat anders dan die juristen, dokters en wetenschappelijk medewerkers bij Kampong. En dan waren er natuurlijk nog de kantines bij onze ‘vrienden’ in Bunnik, Houten, Soesterberg, Vleuten en Hoogland (bij Amersfoort). Ik heb het woord vrienden tussen aanhalingstekens geplaatst, omdat het er soms ruig aan toe kon gaan. In Soesterberg moest de scheidrechter een keer in zijn auto vluchten terwijl hij met stenen werd bekogeld. Echt voetbal.
Nog weer later, toen ik bij de veteranen voetbalde, kwam ik in kantines die bijna een clubhuis waren. Dat kwam doordat we toen in een competitie speelden met alleen maar oude, een beetje nette, clubs. Ik noem HVV (Den Haag), Concordia (Delft), KHFC (Haarlem) en AFC (Amsterdam). Bij de jaarlijkse toernooien deed UD (Deventer) ook mee.

En nu kom ik weer in die heerlijke kantines. Mijn kleinzoons voetballen. Pim woont in Bilthoven. Maar daar hebben ze geen voetbalclub. Daar wordt alleen maar gehockeyd, bij SCHC (Stichtse). Pim is dus in Den Dolder(DOSC) gaan voetballen. Daar hebben ze een mooie voetbalkantine. Maar Pim is overgelopen. Al zijn vriendjes van school spelen bij SCHC. Dus hij is daar gaan hockeyen. Pim is een lieve jongen, die ik nog steeds heel blij kan maken met een Ajax-dekbed voor zijn verjaardag, maar het is beter dat ik het hier verder niet over hem heb.
Mijn kleinzoon Willem woont in Landsmeer. Hij keept in D4 van IVV. Toen ik hem vroeg wat dat betekende zei hij: ‘In Vriendschap Verbonden, Joopa. Ik vind het ook niet zo’n bijzondere naam.’ Bij IVV hebben ze een echte voetbalkantine.
 
Wat is een echte voetbalkantine? Hij ruikt naar zware shag. Nu mag er natuurlijk niet meer worden gerookt, maar voor mij ruikt hij nog steeds naar zware shag. En naar kroketten. Achter de bar, de voetbalkantine heeft altijd een grote bar, meestal in een L-vorm, is een keukentje. En daar is een frituur. En daar worden de kroketten gemaakt. Tegenwoordig ook wel frikadellen (heerlijk!) en frites. Daar is ook een elektrisch plaatje, vroeger een petroleumstelletje, waarop de gehaktballen liggen te sudderen. (Mijn dochter, de moeder van Willem, de keeper van D4, denkt dat ze daar vorige week ook al lagen te sudderen.)
Een hoek van de bar is voor de kinderen. Soms is de bar zo hoog dat de kinderen er bijna niet bij kunnen. Dan kruipen ze op een barkruk. Want daar, in hun hoekje, kunnen ze koeken en snoep kopen. Niemand in de kantine lijkt zich te bekommeren om gezond of ongezond. Iedereen snoept en neemt vette happen.
 
Een feest in elke voetbalkantine zijn de dames achter de bar en in de keuken. Dat zijn de moeders. De moeders doen alles. Ze frituren de kroketten. Ze verkopen snoep. Ze zetten de koffie. Ze ruimen op in de zaal. Ze doen de afwas. Ze troosten hun zoontje dat heeft verloren. Ze tappen het bier. (Soms staat er een vader bier te tappen. Maar een voetbalkantine had, in ieder geval vroeger, nooit een tap. Er waren alleen maar flesjes.) De moeders zijn altijd blond en vrolijk. Vroeger hadden ze hun haar heel hoog op hun hoofd, met een soort tennisbal eronder, nu is het ook wel gegelled piekhaar met een coupe-soleil.

De vaders doen niets. Die zitten aan een tafeltje met een shagje en een flesje bier. Ze bespreken de wedstrijd. Een paar oudere vaders zitten in een hoek te kaarten. Sommige vaders zie je niet. Dat zijn de belangrijke vaders. Die zitten in de bestuurskamer. Want naast elke kantine is een kleine bestuurskamer. Die vaders doen ook niets. Ze zitten aan de bestuurstafel met een shagje en een flesje bier. Ze bespreken de wedstrijd. De vloer is zanderig of modderig, al naar gelang het seizoen. Er is altijd een bordje waarop staat dat je je voetbalschoenen moet uittrekken, maar daar houdt niemand zich aan. Er is een prijzenkast, die soms ongelooflijk groot is, er zijn altijd foto’s van het eerste dat kampioen werd. Soms van twintig jaar geleden. En er is ook altijd een ingewikkeld schema waaruit blijkt dat het eerste nu op de vijfde plaats staat.
 
Na de wedstrijd zat ik in zo’n clubhuis met een kratje bier. En nog een kratje bier. Met mijn vrienden. Om over de overwinning te praten. (In mijn herinnering hebben we natuurlijk altijd gewonnen.) En met de vrouwen en vriendinnen die ons naar de overwinning hadden geschreeuwd en hun hart hadden vastgehouden uit angst voor een gebroken been bij een te laat ingezette sliding. Nog iets later, bij de veteranen, krioelden de kinderen om ons heen om te zeuren om een Mars. Ze wisten, als Papa gewonnen had, en Papa won dus altijd, kon je alles krijgen.
Nu is de voetbalkantine een prachtige ontmoetingsplaats. Ik kan met iedereen over de wedstrijd praten. Van onze zoons of kleinzoons. Of over vroeger. Want Opa, heeft natuurlijk net als ik, gevoetbald. Dat geldt overigens ook voor Marokkaanse of Turkse vaders. Daarvan zijn er in Landsmeer niet zoveel. Maar in de buurt van Utrecht wel. Dat gaat door alle rangen en standen heen. Mannen van mijn leeftijd zijn in dienst geweest en ze hebben gevoetbald. Daar kan je het altijd over hebben.
 
************************************
Pepijn Lampe is product & grafisch ontwerper.
Informatie op: www.pepdesign.be


© 2011 Joop Quint meer Joop Quint - meer "Ontmoetingen" -
Bezigheden > Ontmoetingen
In een voetbalkantine op zijn best Joop Quint
0811BZ Voetbalkantine
Alle diersoorten hebben hun eigen habitat; de omgeving waarin ze het best tot hun recht komen en de grootste overlevingskansen hebben. Na bijna 69 jaar ben ik er eindelijk achter wat mijn ideale habitat is: dat is de voetbalkantine. (Nog net voor het café.) Ik heb mezelf de vraag gesteld hoe dat toch komt. Zou het aan mijn jeugd liggen?

Ik had ook kunnen gaan lezen, of kruiswoordpuzzels oplossen. Maar daar komen de genen. Ik ben redelijk sociaal. Ik kan het goed vinden met andere mensen. Zo waren mijn ouders ook. En mijn ouders waren behoorlijk sportief. Mijn vader had goed gevoetbald. En mijn moeder is, geloof ik, kampioen op de honderd meter hardlopen van de provincie Utrecht geweest. Dus ik had weinig keus. Ik moest naar buiten en gaan voetballen; in Nunspeet meest met mijn vriendjes van school, want ik was te jong om lid te worden van een club. De jochies (en meisjes) van tegenwoordig spelen al op hun zesde bij AFC.
 
Op mijn twaalfde verhuisde ik naar Texel en werd lid van SV Texel in Den Burg, de absolute top. Bijna elk van de zeven dorpen op Texel heeft een eigen voetbalvereniging. Maar SV Texel speelde in de hoogste afdeling, vierde klasse KNVB. En ik was linksbuiten in de A1, later in het eerste. (Dat was maar een jaar, omdat mijn ouders weer verhuisden.) Als je in het eerste van SV Texel speelt, dan ben je wereldberoemd op Texel. Ik was 16. Het warme gevoel dat ik krijg als ik een voetbalkantine binnen kom, zou verklaard kunnen worden door de associatie met die heldenstatus van vroeger.
Maar dat verhaal gaat niet helemaal op. SV Texel had geen kantine. Er was wel een mooie houten tribune, maar dat was het. We voetbalden in de kop van Noord-Holland. Daar waren wel kantines. Ik denk aan: Hyppolitushoef (Succes), Breezand (BKC), Schagen (Schagen), Tuitjehorn (Hollandia T., niet te verwarren met Hollandia, Hoorn), Watervogels en Helder (Den Helder).

Later ging ik in Utrecht voetballen bij Kampong. (Het is een misverstand dat Kampong een hockeyclub is. Kampong is ouder en groter als voetbalclub.) Kampong had/heeft ook geen kantine. Kampong heeft een clubhuis, dat komt door die hockeyers. Maar onze tegenstanders in de buurt hadden natuurlijk wel een kantine. De jongens in Odijk hadden hun eigen clubhuis gebouwd. Dat is niet zo gek, want voetballers zijn natuurlijk aannemers, tegelzetters en metselaars. Heel wat anders dan die juristen, dokters en wetenschappelijk medewerkers bij Kampong. En dan waren er natuurlijk nog de kantines bij onze ‘vrienden’ in Bunnik, Houten, Soesterberg, Vleuten en Hoogland (bij Amersfoort). Ik heb het woord vrienden tussen aanhalingstekens geplaatst, omdat het er soms ruig aan toe kon gaan. In Soesterberg moest de scheidrechter een keer in zijn auto vluchten terwijl hij met stenen werd bekogeld. Echt voetbal.
Nog weer later, toen ik bij de veteranen voetbalde, kwam ik in kantines die bijna een clubhuis waren. Dat kwam doordat we toen in een competitie speelden met alleen maar oude, een beetje nette, clubs. Ik noem HVV (Den Haag), Concordia (Delft), KHFC (Haarlem) en AFC (Amsterdam). Bij de jaarlijkse toernooien deed UD (Deventer) ook mee.

En nu kom ik weer in die heerlijke kantines. Mijn kleinzoons voetballen. Pim woont in Bilthoven. Maar daar hebben ze geen voetbalclub. Daar wordt alleen maar gehockeyd, bij SCHC (Stichtse). Pim is dus in Den Dolder(DOSC) gaan voetballen. Daar hebben ze een mooie voetbalkantine. Maar Pim is overgelopen. Al zijn vriendjes van school spelen bij SCHC. Dus hij is daar gaan hockeyen. Pim is een lieve jongen, die ik nog steeds heel blij kan maken met een Ajax-dekbed voor zijn verjaardag, maar het is beter dat ik het hier verder niet over hem heb.
Mijn kleinzoon Willem woont in Landsmeer. Hij keept in D4 van IVV. Toen ik hem vroeg wat dat betekende zei hij: ‘In Vriendschap Verbonden, Joopa. Ik vind het ook niet zo’n bijzondere naam.’ Bij IVV hebben ze een echte voetbalkantine.
 
Wat is een echte voetbalkantine? Hij ruikt naar zware shag. Nu mag er natuurlijk niet meer worden gerookt, maar voor mij ruikt hij nog steeds naar zware shag. En naar kroketten. Achter de bar, de voetbalkantine heeft altijd een grote bar, meestal in een L-vorm, is een keukentje. En daar is een frituur. En daar worden de kroketten gemaakt. Tegenwoordig ook wel frikadellen (heerlijk!) en frites. Daar is ook een elektrisch plaatje, vroeger een petroleumstelletje, waarop de gehaktballen liggen te sudderen. (Mijn dochter, de moeder van Willem, de keeper van D4, denkt dat ze daar vorige week ook al lagen te sudderen.)
Een hoek van de bar is voor de kinderen. Soms is de bar zo hoog dat de kinderen er bijna niet bij kunnen. Dan kruipen ze op een barkruk. Want daar, in hun hoekje, kunnen ze koeken en snoep kopen. Niemand in de kantine lijkt zich te bekommeren om gezond of ongezond. Iedereen snoept en neemt vette happen.
 
Een feest in elke voetbalkantine zijn de dames achter de bar en in de keuken. Dat zijn de moeders. De moeders doen alles. Ze frituren de kroketten. Ze verkopen snoep. Ze zetten de koffie. Ze ruimen op in de zaal. Ze doen de afwas. Ze troosten hun zoontje dat heeft verloren. Ze tappen het bier. (Soms staat er een vader bier te tappen. Maar een voetbalkantine had, in ieder geval vroeger, nooit een tap. Er waren alleen maar flesjes.) De moeders zijn altijd blond en vrolijk. Vroeger hadden ze hun haar heel hoog op hun hoofd, met een soort tennisbal eronder, nu is het ook wel gegelled piekhaar met een coupe-soleil.

De vaders doen niets. Die zitten aan een tafeltje met een shagje en een flesje bier. Ze bespreken de wedstrijd. Een paar oudere vaders zitten in een hoek te kaarten. Sommige vaders zie je niet. Dat zijn de belangrijke vaders. Die zitten in de bestuurskamer. Want naast elke kantine is een kleine bestuurskamer. Die vaders doen ook niets. Ze zitten aan de bestuurstafel met een shagje en een flesje bier. Ze bespreken de wedstrijd. De vloer is zanderig of modderig, al naar gelang het seizoen. Er is altijd een bordje waarop staat dat je je voetbalschoenen moet uittrekken, maar daar houdt niemand zich aan. Er is een prijzenkast, die soms ongelooflijk groot is, er zijn altijd foto’s van het eerste dat kampioen werd. Soms van twintig jaar geleden. En er is ook altijd een ingewikkeld schema waaruit blijkt dat het eerste nu op de vijfde plaats staat.
 
Na de wedstrijd zat ik in zo’n clubhuis met een kratje bier. En nog een kratje bier. Met mijn vrienden. Om over de overwinning te praten. (In mijn herinnering hebben we natuurlijk altijd gewonnen.) En met de vrouwen en vriendinnen die ons naar de overwinning hadden geschreeuwd en hun hart hadden vastgehouden uit angst voor een gebroken been bij een te laat ingezette sliding. Nog iets later, bij de veteranen, krioelden de kinderen om ons heen om te zeuren om een Mars. Ze wisten, als Papa gewonnen had, en Papa won dus altijd, kon je alles krijgen.
Nu is de voetbalkantine een prachtige ontmoetingsplaats. Ik kan met iedereen over de wedstrijd praten. Van onze zoons of kleinzoons. Of over vroeger. Want Opa, heeft natuurlijk net als ik, gevoetbald. Dat geldt overigens ook voor Marokkaanse of Turkse vaders. Daarvan zijn er in Landsmeer niet zoveel. Maar in de buurt van Utrecht wel. Dat gaat door alle rangen en standen heen. Mannen van mijn leeftijd zijn in dienst geweest en ze hebben gevoetbald. Daar kan je het altijd over hebben.
 
************************************
Pepijn Lampe is product & grafisch ontwerper.
Informatie op: www.pepdesign.be
© 2011 Joop Quint
powered by Peppered