archiefvorig nr.lopend nr.

Beschouwingen > In de polder delen printen terug
Sociale mobiliteit van vaders en kinderen Carlo van Praag

0001 BS Carlo
Omhoog en weer omlaag

Ik ben geboren in 1939. Zeker voor iemand met mijn etnische achtergrond was een beter jaar denkbaar geweest. Echter, de leeftijd van vijf jaar eenmaal bereikt hebbend (mijn dank en bewondering gaan uit naar de landgenoten die hiervoor hun leven waagden) was ik ineens de gunsteling van het historische lot. Een comfortabele toekomst strekte zich voor mij uit.

Mijn ouders behoorden tot de kleine burgerij. Mijn moeder was, tot haar huwelijk, verkoopster bij de Bijenkorf en mijn vader vervulde een tamelijk nederig kantoorbaantje. Ik zou evenwel gaan studeren en toen ik daarmee, zonder veel haast te maken, in 1963 gereed kwam, was er werk in overvloed. Je kon te dien tijde telefonisch solliciteren: achteraf, als je al aangenomen was, schreef je nog een sollicitatiebrief, uitsluitend voor het dossier dat de werkgever wenste aan te leggen. Ik reflecteerde op drie banen en wist mij voor alle drie te kwalificeren. Ik koos voor het Ministerie. Mijn nieuwe chef troonde mij mee naar Personeelszaken en onderhandelde daar over mijn salaris. Het bod van de personeelsfunctionaris overtrof mijn verwachtingen, maar mijn chef bedong meer. Ik hoefde geen hand uit te steken; ik kon volstaan met hem op te houden.

Ik voelde niet veel voor een verhuizing naar Den Haag, maar daarop werd ook niet sterk aangedrongen. Zo lang ik nog in Amsterdam woonde, zou ik op kosten van het Ministerie heen en weer reizen: eerste klas wel te verstaan. Zonder functionerings- en beoordelingsgesprekken of welke prestatietoets dan ook, werd mijn salaris telkenmale verhoogd met een alleszins redelijk percentage. Na twee jaar werd mijn dienstverband veranderd van tijdelijk in levenslang. Mijn gebrek aan ijver werd wel opgemerkt, maar er werd niet zwaar aan getild. Creativiteit (over welke eigenschap ik overigens evenmin beschikte) was belangrijker. Het Ministerie wilde graag nieuwe doelgroepen aanboren waarop nieuwe subsidiestromen zich konden richten. Voor de uitkering van deze subsidies werden flinke aantallen ambtenaren aangetrokken, hetgeen voor de zittende functionarissen veel promoties opleverde. Ook ik viel enkele malen in de prijzen.

Wees gerust! Dit is niet het begin van mijn autobiografie en ik zal u niet lastig vallen met mijn verdere levensloop. Ik gebruik mijzelf hier alleen als casus. Met mij zag een hele generatie de bomen tot in de hemel groeien. Ik was niet de enige die het verder schopte dan zijn vader. Middelbaar en hoger onderwijs werden van uitzondering tot norm en gaven bovendien uitzicht op goed betaald werk, zelfs voor doctorandussen in de sociale wetenschap. De naoorlogse arbeidsmarkt was een zuigmarkt. Je moest je al schrap zetten om niet in een prettige functie terecht te komen. Ik stel het wat overdreven voor, maar onderstaande tabel staaft mijn uitspraken toch redelijk.
 
Tabel. Beroepsniveau van Vaders en Zonen in Twee Perioden (%)


laag
middelbaar
hoog
totaal
1954
vaders
37
56
7
100
zonen
35
54
11
100
1970-74
vaders
31
49
20
100
zonen
24
49
27
100
Bewerking van: Ganzeboom & Luijcks: Intergenerationele beroeps-mobiliteit in Nederland. In Dronkers & Ultee, Verschuivende onge-lijkheid in Nederland, 1995, p.16

Uit de tabel laten zich diverse trends afleiden. Zowel de vaders als de zonen zijn in de periode 1970-1974 vaker te vinden in hogere beroepen en minder vaak in lagere. Dat wijst erop dat de gehele arbeidsmarkt naar boven verschoof. Lagere functies verdwenen en er kwamen hogere functies bij. Voorts hebben in beide perioden de zonen ten opzichte van de vaders promotie gemaakt, maar in de periode 1970-1974 (de periode waarin mijn loopbaan begon vorm te krijgen) is het verschil groter dan in 1954. Al met al laat de tabel zien dat mijn vader in 1954 slechts 7% kans maakte een hoger beroep te bekleden, terwijl de kans voor mij in 1970-1974 (los van mijn opleidingsvoordeel) al 27% bedroeg. Deze trends zetten zich ook in de jaren tachtig en de vroege jaren negentig nog voort.

Maar sindsdien? Helaas beschik ik niet over empirisch materiaal dat daarover klaarheid kan geven. Ik heb er wel naar gezocht, maar niet goed genoeg gezocht of het is er werkelijk niet. Mijzelf nogmaals als casus nemend, denk ik dat de vaart eruit is en dat sociale stijging plaats maakt voor sociale stagnatie of zelfs sociale daling. Mijn kinderen staan lager op de maatschappelijke ladder dan ikzelf. Zij zijn (gemiddeld genomen) lager opgeleid en hun beroepsniveau is, naar de maatstaven die in bovenstaande tabel werden gehanteerd, lager dan het mijne. Ben ik een uitzondering? Zoals gezegd, ik kan daarover geen harde uitspraak doen, maar in mijn vriendenkring (toegegeven: die is niet erg uitgebreid) ken ik soortgelijke gevallen.

Als hypothese lijkt mij sociale daling niet zo gek. Verschillende ontwikkelingen die de sociale stijging van de bevolking in het verleden konden verklaren, zijn wellicht onderhevig aan verzadiging. Een arbeidsmarkt die alleen maar hogere functies kent, is niet goed denkbaar en al bestond zij, waar zou het personeel voor de vervulling van die functies vandaan moeten komen? De democratisering van het onderwijs is zover voortgeschreden dat bijna iedereen die kan leren ook doorleert. Wij schrapen al over de bodem van de pan. Het aantal lagere functies zal daarentegen zeker groeien. De automatisering stuit hier op haar grenzen: voor de verlening van allerlei vormen van zorg, voor de bewaking van personen en objecten, voor toezicht op en onderhoud van de fysieke omgeving, voor een steeds omvangrijker horeca, voor het vervoer van personen en goederen, zijn mensen nodig van vlees en bloed.

Ik zal nog eens zoeken naar dat empirisch materiaal. Zelf ben ik intussen zonder beroep en glijd ik met de andere oudjes mee omlaag. De enige kans voor mijn kinderen om sociaal nog langszij te komen!
 
 
**********************************************
De Leunstoel is gebouwd door Peppered.
Ga voor informatie over dat bureau naar: www.peppered.nl .


© 2006 Carlo van Praag meer Carlo van Praag - meer "In de polder"
Beschouwingen > In de polder
Sociale mobiliteit van vaders en kinderen Carlo van Praag
0001 BS Carlo
Omhoog en weer omlaag

Ik ben geboren in 1939. Zeker voor iemand met mijn etnische achtergrond was een beter jaar denkbaar geweest. Echter, de leeftijd van vijf jaar eenmaal bereikt hebbend (mijn dank en bewondering gaan uit naar de landgenoten die hiervoor hun leven waagden) was ik ineens de gunsteling van het historische lot. Een comfortabele toekomst strekte zich voor mij uit.

Mijn ouders behoorden tot de kleine burgerij. Mijn moeder was, tot haar huwelijk, verkoopster bij de Bijenkorf en mijn vader vervulde een tamelijk nederig kantoorbaantje. Ik zou evenwel gaan studeren en toen ik daarmee, zonder veel haast te maken, in 1963 gereed kwam, was er werk in overvloed. Je kon te dien tijde telefonisch solliciteren: achteraf, als je al aangenomen was, schreef je nog een sollicitatiebrief, uitsluitend voor het dossier dat de werkgever wenste aan te leggen. Ik reflecteerde op drie banen en wist mij voor alle drie te kwalificeren. Ik koos voor het Ministerie. Mijn nieuwe chef troonde mij mee naar Personeelszaken en onderhandelde daar over mijn salaris. Het bod van de personeelsfunctionaris overtrof mijn verwachtingen, maar mijn chef bedong meer. Ik hoefde geen hand uit te steken; ik kon volstaan met hem op te houden.

Ik voelde niet veel voor een verhuizing naar Den Haag, maar daarop werd ook niet sterk aangedrongen. Zo lang ik nog in Amsterdam woonde, zou ik op kosten van het Ministerie heen en weer reizen: eerste klas wel te verstaan. Zonder functionerings- en beoordelingsgesprekken of welke prestatietoets dan ook, werd mijn salaris telkenmale verhoogd met een alleszins redelijk percentage. Na twee jaar werd mijn dienstverband veranderd van tijdelijk in levenslang. Mijn gebrek aan ijver werd wel opgemerkt, maar er werd niet zwaar aan getild. Creativiteit (over welke eigenschap ik overigens evenmin beschikte) was belangrijker. Het Ministerie wilde graag nieuwe doelgroepen aanboren waarop nieuwe subsidiestromen zich konden richten. Voor de uitkering van deze subsidies werden flinke aantallen ambtenaren aangetrokken, hetgeen voor de zittende functionarissen veel promoties opleverde. Ook ik viel enkele malen in de prijzen.

Wees gerust! Dit is niet het begin van mijn autobiografie en ik zal u niet lastig vallen met mijn verdere levensloop. Ik gebruik mijzelf hier alleen als casus. Met mij zag een hele generatie de bomen tot in de hemel groeien. Ik was niet de enige die het verder schopte dan zijn vader. Middelbaar en hoger onderwijs werden van uitzondering tot norm en gaven bovendien uitzicht op goed betaald werk, zelfs voor doctorandussen in de sociale wetenschap. De naoorlogse arbeidsmarkt was een zuigmarkt. Je moest je al schrap zetten om niet in een prettige functie terecht te komen. Ik stel het wat overdreven voor, maar onderstaande tabel staaft mijn uitspraken toch redelijk.
 
Tabel. Beroepsniveau van Vaders en Zonen in Twee Perioden (%)


laag
middelbaar
hoog
totaal
1954
vaders
37
56
7
100
zonen
35
54
11
100
1970-74
vaders
31
49
20
100
zonen
24
49
27
100
Bewerking van: Ganzeboom & Luijcks: Intergenerationele beroeps-mobiliteit in Nederland. In Dronkers & Ultee, Verschuivende onge-lijkheid in Nederland, 1995, p.16

Uit de tabel laten zich diverse trends afleiden. Zowel de vaders als de zonen zijn in de periode 1970-1974 vaker te vinden in hogere beroepen en minder vaak in lagere. Dat wijst erop dat de gehele arbeidsmarkt naar boven verschoof. Lagere functies verdwenen en er kwamen hogere functies bij. Voorts hebben in beide perioden de zonen ten opzichte van de vaders promotie gemaakt, maar in de periode 1970-1974 (de periode waarin mijn loopbaan begon vorm te krijgen) is het verschil groter dan in 1954. Al met al laat de tabel zien dat mijn vader in 1954 slechts 7% kans maakte een hoger beroep te bekleden, terwijl de kans voor mij in 1970-1974 (los van mijn opleidingsvoordeel) al 27% bedroeg. Deze trends zetten zich ook in de jaren tachtig en de vroege jaren negentig nog voort.

Maar sindsdien? Helaas beschik ik niet over empirisch materiaal dat daarover klaarheid kan geven. Ik heb er wel naar gezocht, maar niet goed genoeg gezocht of het is er werkelijk niet. Mijzelf nogmaals als casus nemend, denk ik dat de vaart eruit is en dat sociale stijging plaats maakt voor sociale stagnatie of zelfs sociale daling. Mijn kinderen staan lager op de maatschappelijke ladder dan ikzelf. Zij zijn (gemiddeld genomen) lager opgeleid en hun beroepsniveau is, naar de maatstaven die in bovenstaande tabel werden gehanteerd, lager dan het mijne. Ben ik een uitzondering? Zoals gezegd, ik kan daarover geen harde uitspraak doen, maar in mijn vriendenkring (toegegeven: die is niet erg uitgebreid) ken ik soortgelijke gevallen.

Als hypothese lijkt mij sociale daling niet zo gek. Verschillende ontwikkelingen die de sociale stijging van de bevolking in het verleden konden verklaren, zijn wellicht onderhevig aan verzadiging. Een arbeidsmarkt die alleen maar hogere functies kent, is niet goed denkbaar en al bestond zij, waar zou het personeel voor de vervulling van die functies vandaan moeten komen? De democratisering van het onderwijs is zover voortgeschreden dat bijna iedereen die kan leren ook doorleert. Wij schrapen al over de bodem van de pan. Het aantal lagere functies zal daarentegen zeker groeien. De automatisering stuit hier op haar grenzen: voor de verlening van allerlei vormen van zorg, voor de bewaking van personen en objecten, voor toezicht op en onderhoud van de fysieke omgeving, voor een steeds omvangrijker horeca, voor het vervoer van personen en goederen, zijn mensen nodig van vlees en bloed.

Ik zal nog eens zoeken naar dat empirisch materiaal. Zelf ben ik intussen zonder beroep en glijd ik met de andere oudjes mee omlaag. De enige kans voor mijn kinderen om sociaal nog langszij te komen!
 
 
**********************************************
De Leunstoel is gebouwd door Peppered.
Ga voor informatie over dat bureau naar: www.peppered.nl .
© 2006 Carlo van Praag
powered by Peppered