archiefvorig nr.lopend nr.

Beschouwingen > In de polder delen printen terug
Laat de 2e Kamer toch zelf kiezen Paul Bordewijk

1812BS ZelfDe eerste fase van de kabinetsformatie dit jaar is geëindigd in een rokende puinhoop. Daarin zien degenen die in 2012 ertegen waren dat de bevoegdheid om een informateur aan te wijzen overging van het staatshoofd naar de Tweede Kamer, hun gelijk bevestigd. De zaak is al vastgelopen voordat een informateur was aangewezen, in de periode waarin door de Tweede Kamer aangewezen verkenners werkten aan een voorstel wie er informateur moest worden. Maar in feite deden die verkenners wat vroeger een informateur deed. Dat komt omdat het formatieproces steeds verder is opgesplitst.

Je hebt de verkenningsfase waarin wordt nagegaan welke partijen samen een kabinet zouden kunnen steunen. Dan wordt er onderhandeld tussen die partijen over een regeringsprogramma. En vervolgens worden de ministers aangezocht en beëdigd. Er was een tijd dat voor dit hele proces door het staatshoofd een formateur werd aangezocht, die vervolgens de opdracht in beraad hield tot het moment dat zijn formatiepoging gelukt was. Dat was heel verstandig, want meestal lukte dat niet in één keer. De laatste keer dat direct na de verkiezingen een formateur werd aangewezen was in 1977 na de verkiezingsoverwinning van de PvdA, toen Den Uyl de formatieopdracht kreeg. We weten hoe het daarmee afgelopen is.

Sindsdien wees het staatshoofd pas een formateur aan voor de laatste fase van de kabinetsformatie en werden de eerste fases overgelaten aan een of meer informateurs. Terwijl de formateurs de taak hadden een kabinet te formeren, informeerden de informateurs het staatshoofd over welke samenstelling een toekomstig kabinet zou moeten hebben gelet op de wensen van de verschillende kamerfracties. Soms was daarbij de verkenningsfase niet nodig, omdat het van het begin af aan duidelijk was welke partijen samen een coalitie nastreefden, soms werden voor de verkenningsfase en de onderhandelingsfase ook afzonderlijke informateurs aangewezen.

Deze procedure impliceerde een politieke rol van het staatshoofd, wat op theoretische en praktische bezwaren stuitte. Een theoretisch bezwaar is uiteraard dat een politieke rol voor het staatshoofd niet past in de democratische rechtsstaat. Dat geldt eigenlijk voor de constitutionele monarchie als zodanig. Onze Grondwet is op dat punt met zichzelf in strijd. Het erfelijke koningschap betekent dat er onderscheid wordt gemaakt naar geboorte en dat verdraagt zich niet met het discriminatieverbod in art.1. Het is ook in strijd met art.3: ‘Alle Nederlanders zijn op gelijke voet in openbare dienst benoembaar.’ In het Verdrag van Lissabon, dat in de plaats is gekomen van de Europese Grondwet, wordt discriminatie op grond van geboorte expliciet verboden.

Hoe meer bevoegdheden het erfelijke staatshoofd heeft, hoe meer strijd met de democratische rechtsstaat. Maar dat was niet het belangrijkste argument tegen de aanwijzing van de (in)formateur door het staatshoofd. Er ontstonden ook problemen in de praktijk. In 2010 ontleende informateur Lubbers aan zijn opdracht door de koningin de legitimatie om de vorming van het kabinet van VVD en CDA met gedoogsteun van de PVV, dat die partijen toen nastreefden, te vertragen. Toen ontstond een monsterverbond van tegenstanders van aanwijzing van de informateur door het staatshoofd, waardoor de Tweede Kamer in zijn reglement van orde opnam dat formateur en informateur door de Tweede Kamer gekozen werden. In 2012 werd daarna besloten dat er eerst een verkenner zou komen, die al aan het werk kon voor de nieuwe Kamerleden waren geïnstalleerd. Dit jaar kwamen er twee verkenners, één uit elk van de twee grootste partijen.

Wat had het nu uitgemaakt wanneer de oude procedure nog had gegolden? Dan zouden de gesprekken die de voorzitter van de Tweede Kamer nu gevoerd heeft over de benoeming van de verkenners door de koning zijn gevoerd. Alle kans dat dat in eerste instantie Jorritsma en Ollongren waren geworden.
Als die zich net zo gedragen hadden als nu, was dus dezelfde puinhoop ontstaan. De koning had dan gelegenheid gehad de informateurs op het hart te drukken hun aantekeningen niet te laten fotograferen, maar zou hij dat gedaan hebben en had het iets uitgemaakt? Er was dan dus dezelfde verwarring ontstaan, alleen droeg de koning daar dan enige (afgeleide) verantwoordelijkheid voor. Er is dus geen reden terug te keren naar de koning als opdrachtgever van de (in)formateurs,

Er is wel een andere vraag. Waarom moet het zo ingewikkeld? De drietrapsraket verkenner-informateur-formateur gaat terug op de periode waarin de koning wel een rol had maar op de achtergrond moest blijven. Als de hele formatie een zaak van de Kamer is, kan het veel eenvoudiger. In gemeenten wordt gewoon over de benoeming van wethouders gestemd en worden er alleen informateurs ingeschakeld wanneer de raad er niet uit komt. Zo zouden we dat bij het rijk ook kunnen doen. Geen verkenners en voorgeschreven informateurs en formateurs, maar stemmingen over de ministersposten op een vast tijdstip of op het moment dat een Kamermeerderheid dat wil. Het voorkomt ook dat er maanden moet worden onderhandeld over regeerakkoorden en geeft de ministers daarmee meer mogelijkheden hun eigen accenten te leggen.

Regeerakkoorden hebben vooral de functie een meerderheid te krijgen voor voorstellen die het anders in de Tweede Kamer niet zouden halen en te voorkomen dat voorstellen waar wel een meerderheid voor is worden ingediend. Dat is goed voor de bestuurbaarheid van het land, maar past niet in een open bestuursstijl. Regeerakkoorden kunnen dus het beste zo kort mogelijk zijn. Voorafgaand aan de stemmingen over de ministers zijn partijen dan vrij met wie ze overleg voeren om afspraken te maken over steun aan een nieuw kabinet, maar partijen dragen meer eigen verantwoordelijkheid en kunnen zich minder achter (in)formateurs verschuilen.

--------
Het plaatje is van Coc van Duijn
Meer informatie: http://cocvanduijn.nl/

© 2021 Paul Bordewijk meer Paul Bordewijk - meer "In de polder" -
Beschouwingen > In de polder
Laat de 2e Kamer toch zelf kiezen Paul Bordewijk
1812BS ZelfDe eerste fase van de kabinetsformatie dit jaar is geëindigd in een rokende puinhoop. Daarin zien degenen die in 2012 ertegen waren dat de bevoegdheid om een informateur aan te wijzen overging van het staatshoofd naar de Tweede Kamer, hun gelijk bevestigd. De zaak is al vastgelopen voordat een informateur was aangewezen, in de periode waarin door de Tweede Kamer aangewezen verkenners werkten aan een voorstel wie er informateur moest worden. Maar in feite deden die verkenners wat vroeger een informateur deed. Dat komt omdat het formatieproces steeds verder is opgesplitst.

Je hebt de verkenningsfase waarin wordt nagegaan welke partijen samen een kabinet zouden kunnen steunen. Dan wordt er onderhandeld tussen die partijen over een regeringsprogramma. En vervolgens worden de ministers aangezocht en beëdigd. Er was een tijd dat voor dit hele proces door het staatshoofd een formateur werd aangezocht, die vervolgens de opdracht in beraad hield tot het moment dat zijn formatiepoging gelukt was. Dat was heel verstandig, want meestal lukte dat niet in één keer. De laatste keer dat direct na de verkiezingen een formateur werd aangewezen was in 1977 na de verkiezingsoverwinning van de PvdA, toen Den Uyl de formatieopdracht kreeg. We weten hoe het daarmee afgelopen is.

Sindsdien wees het staatshoofd pas een formateur aan voor de laatste fase van de kabinetsformatie en werden de eerste fases overgelaten aan een of meer informateurs. Terwijl de formateurs de taak hadden een kabinet te formeren, informeerden de informateurs het staatshoofd over welke samenstelling een toekomstig kabinet zou moeten hebben gelet op de wensen van de verschillende kamerfracties. Soms was daarbij de verkenningsfase niet nodig, omdat het van het begin af aan duidelijk was welke partijen samen een coalitie nastreefden, soms werden voor de verkenningsfase en de onderhandelingsfase ook afzonderlijke informateurs aangewezen.

Deze procedure impliceerde een politieke rol van het staatshoofd, wat op theoretische en praktische bezwaren stuitte. Een theoretisch bezwaar is uiteraard dat een politieke rol voor het staatshoofd niet past in de democratische rechtsstaat. Dat geldt eigenlijk voor de constitutionele monarchie als zodanig. Onze Grondwet is op dat punt met zichzelf in strijd. Het erfelijke koningschap betekent dat er onderscheid wordt gemaakt naar geboorte en dat verdraagt zich niet met het discriminatieverbod in art.1. Het is ook in strijd met art.3: ‘Alle Nederlanders zijn op gelijke voet in openbare dienst benoembaar.’ In het Verdrag van Lissabon, dat in de plaats is gekomen van de Europese Grondwet, wordt discriminatie op grond van geboorte expliciet verboden.

Hoe meer bevoegdheden het erfelijke staatshoofd heeft, hoe meer strijd met de democratische rechtsstaat. Maar dat was niet het belangrijkste argument tegen de aanwijzing van de (in)formateur door het staatshoofd. Er ontstonden ook problemen in de praktijk. In 2010 ontleende informateur Lubbers aan zijn opdracht door de koningin de legitimatie om de vorming van het kabinet van VVD en CDA met gedoogsteun van de PVV, dat die partijen toen nastreefden, te vertragen. Toen ontstond een monsterverbond van tegenstanders van aanwijzing van de informateur door het staatshoofd, waardoor de Tweede Kamer in zijn reglement van orde opnam dat formateur en informateur door de Tweede Kamer gekozen werden. In 2012 werd daarna besloten dat er eerst een verkenner zou komen, die al aan het werk kon voor de nieuwe Kamerleden waren geïnstalleerd. Dit jaar kwamen er twee verkenners, één uit elk van de twee grootste partijen.

Wat had het nu uitgemaakt wanneer de oude procedure nog had gegolden? Dan zouden de gesprekken die de voorzitter van de Tweede Kamer nu gevoerd heeft over de benoeming van de verkenners door de koning zijn gevoerd. Alle kans dat dat in eerste instantie Jorritsma en Ollongren waren geworden.
Als die zich net zo gedragen hadden als nu, was dus dezelfde puinhoop ontstaan. De koning had dan gelegenheid gehad de informateurs op het hart te drukken hun aantekeningen niet te laten fotograferen, maar zou hij dat gedaan hebben en had het iets uitgemaakt? Er was dan dus dezelfde verwarring ontstaan, alleen droeg de koning daar dan enige (afgeleide) verantwoordelijkheid voor. Er is dus geen reden terug te keren naar de koning als opdrachtgever van de (in)formateurs,

Er is wel een andere vraag. Waarom moet het zo ingewikkeld? De drietrapsraket verkenner-informateur-formateur gaat terug op de periode waarin de koning wel een rol had maar op de achtergrond moest blijven. Als de hele formatie een zaak van de Kamer is, kan het veel eenvoudiger. In gemeenten wordt gewoon over de benoeming van wethouders gestemd en worden er alleen informateurs ingeschakeld wanneer de raad er niet uit komt. Zo zouden we dat bij het rijk ook kunnen doen. Geen verkenners en voorgeschreven informateurs en formateurs, maar stemmingen over de ministersposten op een vast tijdstip of op het moment dat een Kamermeerderheid dat wil. Het voorkomt ook dat er maanden moet worden onderhandeld over regeerakkoorden en geeft de ministers daarmee meer mogelijkheden hun eigen accenten te leggen.

Regeerakkoorden hebben vooral de functie een meerderheid te krijgen voor voorstellen die het anders in de Tweede Kamer niet zouden halen en te voorkomen dat voorstellen waar wel een meerderheid voor is worden ingediend. Dat is goed voor de bestuurbaarheid van het land, maar past niet in een open bestuursstijl. Regeerakkoorden kunnen dus het beste zo kort mogelijk zijn. Voorafgaand aan de stemmingen over de ministers zijn partijen dan vrij met wie ze overleg voeren om afspraken te maken over steun aan een nieuw kabinet, maar partijen dragen meer eigen verantwoordelijkheid en kunnen zich minder achter (in)formateurs verschuilen.

--------
Het plaatje is van Coc van Duijn
Meer informatie: http://cocvanduijn.nl/
© 2021 Paul Bordewijk
powered by CJ2