archiefvorig nr.lopend nr.

Beschouwingen > In de polder delen printen terug
Werkloosheidsbestrijding Ruurd Kunnen

0215 Werkloosheidsbestrijding
Het hoge woord is eruit: NEE!
Terwijl de politici in Den Haag en Brussel zich het hoofd breken over de vraag ‘hoe het nu verder moet’ en of de euro moet worden afgeschaft, en terwijl de minister-president België zijn tanden laat zien vanwege een vermeende belediging aan zijn adres, is het tijd geworden om weer eens een van de grootste sociaal-economische problemen van de industriële en post-industriële maatschappij te bespreken, namelijk de werkloosheid. Daar hoor je tegenwoordig maar weinig over.

Volgens het Centraal Bureau voor de Statistiek is in Nederland bijna 7% van de beroepsbevolking werkloos. Dat is meer dan een half miljoen werklozen. De situatie is het ergst bij de beroepsbevolking van 15 tot 25 jaar. Daarvan is 14% werkloos. Verantwoordelijk voor de werkloosheidsbestrijding is Aart Jan de Geus, minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid (SZW). Hij is lid van het CDA en was in een vorig leven bestuurder van het CNV. De Geus wordt gesecondeerd door staatssecretaris Henk van Hoof, VVD-er en in het vorige kabinet staatssecretaris van defensie.

Hoe gaat werkloosheidsbestrijding in zijn werk? De samenvoeging van sociale zaken en werkgelegenheidsbeleid in één ministerie is te danken aan Joop den Uyl. Werkgelegenheid was tot dan toe een beleidsterrein van de minister van Economische Zaken, omdat het werd gezien als een uitvloeisel van economische activiteit, van bedrijvigheid. Aan het eind van de jaren zeventig, begin jaren tachtig van de vorige eeuw leidde economische groei echter niet, zoals daarvoor, automatisch tot meer werkgelegenheid. Bedrijven investeerden wel, maar zij stopten veel geld in arbeidsbesparende technologie en kapitaalgoederen, zodat een situatie van jobless growth ontstond. Het was daarom niet zo’n raar idee het werkgelegenheidsbeleid bij Economische Zaken weg te halen. Bij SZW werd volledige werkgelegenheid een sociale doelstelling. Een bijkomend voordeel was dat het arbeidsmarktbeleid in één hand kwam. Een goede coördinatie van de vraag naar arbeid (door werkgevers) en het aanbod van arbeid (door werkzoekenden) is voor de bestrijding van de werkloosheid van groot belang. Het werkgelegenheidsbeleid (dat vooral betrekking had op het scheppen van banen) en het arbeidsmarktbeleid (dat ook en vooral betrekking heeft op de werknemerskant: lonen, premies, uitkeringen, pensioenen) konden beter op elkaar worden afgestemd.

Men maakte zich in de jaren tachtig grote zorgen om de langdurige werkloosheid en de omvangrijke jeugdwerkloosheid. Als iemand een paar maanden werkloos was, werd zijn of haar kans om ooit een baan te vinden snel kleiner. Dit zou ertoe kunnen leiden dat van de vele werkloze jongeren een groot deel nooit een baan zou vinden. Er was de politici en de beleidsmakers, evenals de werkgevers en de vakbonden veel aan gelegen dat er geen lost generation zou ontstaan. Zij ontwierpen daarom een uitgebreid beleidsinstrumentarium bestaande uit werkgelegenheidsplannen, loonkostensubsidies, banenpools, enz. Ook in de sfeer van de arbeidsvoorwaarden werd van alles bedacht. Door arbeidstijdverkorting (ATV) zouden werkenden iets moeten inschuiven om ruimte voor jongeren te maken en door vervroegde uittreding (VUT) konden banen van ouderen vrijkomen voor jongeren. Voor de werknemers waren dit geen onprettige maatregelen en de vakbonden waren dan ook grif bereid in ruil voor ATV en VUT hun looneisen te matigen. Solidariteit en sociale rechtvaardigheid stonden hoog in het vaandel.

Gezegd moet worden dat loonkostensubsidies en gesubsidieerde banen niet alleenzaligmakend waren. Het waren dure maatregelen en van de werklozen die erdoor aan het werk kwamen, stroomden slechts weinigen door naar echte banen. Ook de andere maatregelen waren onderhevig aan kritiek. Arbeidsduurverkorting en VUT hadden een negatief effect op de arbeidsparticipatie. Er kwamen dan wel meer mensen aan het werk, maar degenen die werkten, werkten in vergelijking met het buitenland maar weinig uren per week. Het werkgelegenheidsbeleid kwam onder vuur te liggen. Terwijl het buitenland nog vol bewondering was over ons succesvolle poldermodel, begonnen wij het, onder invloed van het Fortuynisme, af te breken.

De millenniumwisseling was in velerlei opzichten een omslagpunt. Er kwamen bewindslieden aan het roer die de crisis van de jaren dertig, de oorlogsjaren en de wederopbouw van de jaren vijftig hoofdzakelijk van horenzeggen kennen. Balkenende en De Geus mogen dan afkomstig zijn uit christelijke gemeenschappen in Zeeland en de Utrechtse Heuvelrug, zij zijn gevormd in de jaren zestig en zeventig, de periode waarin de gemeenschapszin plaats begon te maken voor het individualisme. Zij werken daardoor vanuit een andere motivatie dan bijvoorbeeld Wim Kok.. Op het beleidsterrein van het arbeidsmarkt- en werkgelegenheidsbeleid ziet het kabinet het als zijn belangrijkste taak om het stelsel van sociale zekerheid te herzien.

Werknemers die ontslagen worden of die de leeftijd van 55 jaar bereiken, mogen in de visie van het kabinet niet meer zo gemakkelijk ‘wegvluchten’ in de WW, de WAO, de VUT of het prepensioen, maar moeten op zoek naar een andere baan of functie. Het effectieve arbeidsaanbod neemt daardoor toe en werkgevers hebben meer keus. ‘Een meer flexibele en dynamische arbeidsmarkt’ heet dat. Een gevolg is ook dat een negatieve druk op de prijs van arbeid (de lonen) ontstaat. Loonmatiging, de tweede peiler van het arbeidsmarktbeleid, heeft ook dit doel. Door arbeid relatief goedkoper te laten worden, wordt het voor werkgevers aantrekkelijker mensen in dienst te nemen. Door de lagere loonkosten worden de Nederlandse producten in het buitenland goedkoper, waardoor de vraag toeneemt, de productie stijgt en er meer personeel nodig is, dat gelukkig vanwege de gedaalde loonkosten relatief goedkoop beschikbaar is.

Ziedaar in een notendop het werkgelegenheidsbeleid van minister Aart Jan de Geus. Zo vreselijk veel nieuws is er niet onder de zon. Alle naoorlogse regeringen hebben betoogd dat loonmatiging noodzakelijk is, en onder anderen Den Uyl (ziektewet) en Kok (WAO) meenden dat bezuinigingen op het stelsel van sociale voorzieningen noodzakelijk waren. Het grote verschil was dat Den Uyl en Kok de sociale doelstellingen van hun beleid benadrukten. Het kabinet-Balkenende draagt geen vaandels met de woorden solidariteit en sociale rechtvaardigheid. Het is opvallend hoe weinig er wordt gesproken over het werkloosheidsprobleem. Hoogstens doen sommige ministers van tijd tot tijd uitspraken over de nadelige economische effecten van mensen die minder werken dan ze zouden kunnen. Over de koopkracht wordt doodleuk gezegd dat iedereen erop achteruit zal gaan. De missie van Balkenende II is eerder economische efficiëntie dan sociale rechtvaardigheid. Dat verklaart de immense impopulariteit van dit kabinet en de uitspraak van 1 juni: NEE!


© 2005 Ruurd Kunnen meer Ruurd Kunnen - meer "In de polder"
Beschouwingen > In de polder
Werkloosheidsbestrijding Ruurd Kunnen
0215 Werkloosheidsbestrijding
Het hoge woord is eruit: NEE!
Terwijl de politici in Den Haag en Brussel zich het hoofd breken over de vraag ‘hoe het nu verder moet’ en of de euro moet worden afgeschaft, en terwijl de minister-president België zijn tanden laat zien vanwege een vermeende belediging aan zijn adres, is het tijd geworden om weer eens een van de grootste sociaal-economische problemen van de industriële en post-industriële maatschappij te bespreken, namelijk de werkloosheid. Daar hoor je tegenwoordig maar weinig over.

Volgens het Centraal Bureau voor de Statistiek is in Nederland bijna 7% van de beroepsbevolking werkloos. Dat is meer dan een half miljoen werklozen. De situatie is het ergst bij de beroepsbevolking van 15 tot 25 jaar. Daarvan is 14% werkloos. Verantwoordelijk voor de werkloosheidsbestrijding is Aart Jan de Geus, minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid (SZW). Hij is lid van het CDA en was in een vorig leven bestuurder van het CNV. De Geus wordt gesecondeerd door staatssecretaris Henk van Hoof, VVD-er en in het vorige kabinet staatssecretaris van defensie.

Hoe gaat werkloosheidsbestrijding in zijn werk? De samenvoeging van sociale zaken en werkgelegenheidsbeleid in één ministerie is te danken aan Joop den Uyl. Werkgelegenheid was tot dan toe een beleidsterrein van de minister van Economische Zaken, omdat het werd gezien als een uitvloeisel van economische activiteit, van bedrijvigheid. Aan het eind van de jaren zeventig, begin jaren tachtig van de vorige eeuw leidde economische groei echter niet, zoals daarvoor, automatisch tot meer werkgelegenheid. Bedrijven investeerden wel, maar zij stopten veel geld in arbeidsbesparende technologie en kapitaalgoederen, zodat een situatie van jobless growth ontstond. Het was daarom niet zo’n raar idee het werkgelegenheidsbeleid bij Economische Zaken weg te halen. Bij SZW werd volledige werkgelegenheid een sociale doelstelling. Een bijkomend voordeel was dat het arbeidsmarktbeleid in één hand kwam. Een goede coördinatie van de vraag naar arbeid (door werkgevers) en het aanbod van arbeid (door werkzoekenden) is voor de bestrijding van de werkloosheid van groot belang. Het werkgelegenheidsbeleid (dat vooral betrekking had op het scheppen van banen) en het arbeidsmarktbeleid (dat ook en vooral betrekking heeft op de werknemerskant: lonen, premies, uitkeringen, pensioenen) konden beter op elkaar worden afgestemd.

Men maakte zich in de jaren tachtig grote zorgen om de langdurige werkloosheid en de omvangrijke jeugdwerkloosheid. Als iemand een paar maanden werkloos was, werd zijn of haar kans om ooit een baan te vinden snel kleiner. Dit zou ertoe kunnen leiden dat van de vele werkloze jongeren een groot deel nooit een baan zou vinden. Er was de politici en de beleidsmakers, evenals de werkgevers en de vakbonden veel aan gelegen dat er geen lost generation zou ontstaan. Zij ontwierpen daarom een uitgebreid beleidsinstrumentarium bestaande uit werkgelegenheidsplannen, loonkostensubsidies, banenpools, enz. Ook in de sfeer van de arbeidsvoorwaarden werd van alles bedacht. Door arbeidstijdverkorting (ATV) zouden werkenden iets moeten inschuiven om ruimte voor jongeren te maken en door vervroegde uittreding (VUT) konden banen van ouderen vrijkomen voor jongeren. Voor de werknemers waren dit geen onprettige maatregelen en de vakbonden waren dan ook grif bereid in ruil voor ATV en VUT hun looneisen te matigen. Solidariteit en sociale rechtvaardigheid stonden hoog in het vaandel.

Gezegd moet worden dat loonkostensubsidies en gesubsidieerde banen niet alleenzaligmakend waren. Het waren dure maatregelen en van de werklozen die erdoor aan het werk kwamen, stroomden slechts weinigen door naar echte banen. Ook de andere maatregelen waren onderhevig aan kritiek. Arbeidsduurverkorting en VUT hadden een negatief effect op de arbeidsparticipatie. Er kwamen dan wel meer mensen aan het werk, maar degenen die werkten, werkten in vergelijking met het buitenland maar weinig uren per week. Het werkgelegenheidsbeleid kwam onder vuur te liggen. Terwijl het buitenland nog vol bewondering was over ons succesvolle poldermodel, begonnen wij het, onder invloed van het Fortuynisme, af te breken.

De millenniumwisseling was in velerlei opzichten een omslagpunt. Er kwamen bewindslieden aan het roer die de crisis van de jaren dertig, de oorlogsjaren en de wederopbouw van de jaren vijftig hoofdzakelijk van horenzeggen kennen. Balkenende en De Geus mogen dan afkomstig zijn uit christelijke gemeenschappen in Zeeland en de Utrechtse Heuvelrug, zij zijn gevormd in de jaren zestig en zeventig, de periode waarin de gemeenschapszin plaats begon te maken voor het individualisme. Zij werken daardoor vanuit een andere motivatie dan bijvoorbeeld Wim Kok.. Op het beleidsterrein van het arbeidsmarkt- en werkgelegenheidsbeleid ziet het kabinet het als zijn belangrijkste taak om het stelsel van sociale zekerheid te herzien.

Werknemers die ontslagen worden of die de leeftijd van 55 jaar bereiken, mogen in de visie van het kabinet niet meer zo gemakkelijk ‘wegvluchten’ in de WW, de WAO, de VUT of het prepensioen, maar moeten op zoek naar een andere baan of functie. Het effectieve arbeidsaanbod neemt daardoor toe en werkgevers hebben meer keus. ‘Een meer flexibele en dynamische arbeidsmarkt’ heet dat. Een gevolg is ook dat een negatieve druk op de prijs van arbeid (de lonen) ontstaat. Loonmatiging, de tweede peiler van het arbeidsmarktbeleid, heeft ook dit doel. Door arbeid relatief goedkoper te laten worden, wordt het voor werkgevers aantrekkelijker mensen in dienst te nemen. Door de lagere loonkosten worden de Nederlandse producten in het buitenland goedkoper, waardoor de vraag toeneemt, de productie stijgt en er meer personeel nodig is, dat gelukkig vanwege de gedaalde loonkosten relatief goedkoop beschikbaar is.

Ziedaar in een notendop het werkgelegenheidsbeleid van minister Aart Jan de Geus. Zo vreselijk veel nieuws is er niet onder de zon. Alle naoorlogse regeringen hebben betoogd dat loonmatiging noodzakelijk is, en onder anderen Den Uyl (ziektewet) en Kok (WAO) meenden dat bezuinigingen op het stelsel van sociale voorzieningen noodzakelijk waren. Het grote verschil was dat Den Uyl en Kok de sociale doelstellingen van hun beleid benadrukten. Het kabinet-Balkenende draagt geen vaandels met de woorden solidariteit en sociale rechtvaardigheid. Het is opvallend hoe weinig er wordt gesproken over het werkloosheidsprobleem. Hoogstens doen sommige ministers van tijd tot tijd uitspraken over de nadelige economische effecten van mensen die minder werken dan ze zouden kunnen. Over de koopkracht wordt doodleuk gezegd dat iedereen erop achteruit zal gaan. De missie van Balkenende II is eerder economische efficiëntie dan sociale rechtvaardigheid. Dat verklaart de immense impopulariteit van dit kabinet en de uitspraak van 1 juni: NEE!
© 2005 Ruurd Kunnen
powered by Peppered