archiefvorig nr.lopend nr.

Beschouwingen > In de polder delen printen terug
Vijftiger jaren kende andere kloof Paul Bordewijk

1407BS Paul BordewijkIn zijn onlangs gehouden Willem-Dreeslezing vergeleek SCP-directeur Kim Putters onze tijd met de jaren vijftig, toen Willem Drees premier was:

‘Groepen staan vaker tegenover elkaar. We lijken het onderling verbond, dat uitgaat van het delen in welvaart en vrijheid, net als het vertrouwen dat politici en instituties daar dienstbaar aan zijn, steeds meer te verliezen.’

De jaren vijftig waren anders dan tegenwoordig. Maar dat wil niet zeggen dat er geen kloof was. Die kloof liep alleen anders dan tegenwoordig. Het ging niet tussen hoog- en laag-opgeleiden, of tussen kiezers en politici, maar tussen de verschillende godsdienstige groeperingen en met name tussen buitenkerkelijken en katholieken.

In mijn buitenkerkelijke milieu was men zeer beducht voor de machtsvorming door de katholieken en daar was toen ook alle reden voor. Achteraf kun je dat gemakkelijk relativeren omdat door de massale geloofsafval in de jaren zestig en zeventig de katholieke zuil ineen schrompelde. Dat was een wonder van God, waarvoor we nog steeds Onze Lieve Heer op onze blote knietjes mogen danken. Maar toen was dat niet te voorzien.

Katholieken geloofden toen nog echt en niet alleen in God, maar ook in de hel. Als klein jongetje kreeg ik van vriendjes op straat te horen dat ik naar de hel zou gaan omdat ik niet in God geloofde. Nu zouden we dat nepnieuws noemen, maar toen was ik er behoorlijk van onder de indruk. Erger was dat gehuwde vrouwen van meneer pastoor te horen kregen dat zij naar de hel zouden gaan wanneer zij niet elk jaar een kind op de wereld zetten. Dat was voor die vrouwen niet leuk, maar de groei van het aantal katholieken in Nederland was ook zeer bedreigend voor de geestelijke vrijheid in ons land.

Middels de Katholieke Volkspartij (later opgegaan in het CDA) streefden de katholieken naar steeds meer politieke macht. In Brabant en Limburg, waar de KVP in de meeste gemeenten de meerderheid had, probeerden zij hun eigen moraal op te leggen aan de rest van de bevolking. Gemengd zwemmen mocht daar niet. Ik herinner me dat in 1960 de gemeenteraad van Maastricht ook het vervoer van voorbehoedsmiddelen over de openbare weg verbood.

In 1945 had partijleider Romme zich in het boekje ‘Nieuwe Grondwetsartikelen’ ervoor uitgesproken dat in de Grondwet de geestelijke grondslagen van het Koninkrijk der Nederlanden werden geformuleerd, waaronder de erkenning van ‘God als eerste Oorzaak en laatste Doel’, terwijl de democratische grondrechten slechts zouden toekomen aan wie die grondslagen onderschreef. Dat was ook weinig geruststellend. Scheiding van kerk en staat is nog niet erg lang een Christelijke traditie.

Intussen waren niet alle katholieken het ermee eens dat alle katholieken zich in één partij moesten verenigen. Een kleine groep dapperen werd na de oorlog lid van de Partij van de Arbeid, waar ze zich verenigden in de Katholieke Werkgemeenschap. De PvdA trachtte het patroon van stemmen op basis van godsdienst te vervangen door een van partijvorming op basis van maatschappijvisie, waarbij links tegenover rechts zou staan. De bedoeling was dan uiteraard wel dat links de meerderheid zou krijgen, zoals dat in Engeland Labour af en toe ook lukte. Vandaar de naam Partij van de Arbeid. De ‘Doorbraak’ werd dat genoemd.

Intussen was godsdienst in de politiek wel degelijk relevant. Hoewel de meeste leden van de PvdA voor openbaar onderwijs waren, onderschreef de partij het gemengde stelsel van openbaar en bijzonder onderwijs. In 1955 was er een compromis over de door katholieken verfoeide crematie, waarbij crematie alleen werd toegestaan wanneer de overledene daar vóór zijn dood in een codicil zijn voorkeur voor had uitgesproken. Het kwam de PvdA te staan op de hoon van de VVD, die vanuit de oppositie gemakkelijk voor meer geestelijke vrijheid kon pleiten. Het verbod op het vervoer van condooms over de openbare weg in Maastricht werd ook door de PvdA-fractie gesteund, met als argument dat de naleving toch niet af te dwingen viel.

Geheel zonder invloed bleef het pleidooi voor de Doorbraak echter niet. Het percentage stemmen op de KVP nam minder toe dan je met al die tienkindergezinnen zou verwachten. In 1954 richtten de Nederlandse bisschoppen zich daarom met een ‘mandement’ tot de gelovigen, dat in alle kerken op zondag werd voorgelezen.

Het lidmaatschap van de PvdA werd ontraden en het lidmaatschap van de socialistische vakcentrale NVV en het regelmatig luisteren naar uitzendingen van de VARA zelfs verboden. Dat gold uiteraard ook voor de Nederlandse Vereniging voor Sexuele Hervorming, in het mandement veiligheidshalve ‘Bond voor Sexuele Hervorming’ genoemd, want je moest de mensen niet op een idee brengen.

In de PvdA bracht dit een grote schok teweeg. Een dergelijke ingreep van de kerk in de politiek was ongehoord. Het bracht mensen in gewetensnood. En het bevestigde het beeld van een katholiek volksdeel dat anderen zijn wil wilde opleggen, zoals dat in het zuiden al gebeurde.

Het succes van het mandement was echter beperkt. De Katholieke Werkgemeenschap hief zichzelf niet op. De verkiezingsstrijd in 1956 werd wel ongehoord fel. De PvdA richtte, om meer geld beschikbaar te hebben, het doorbraakfonds op. Elk PvdA-lid kreeg een kartonnen busje om op de schoorsteenmantel te zetten, met de bedoeling dat daar elke dag een cent inging. Maandelijks kwam een vrijwilliger langs om het geld op te halen.

De KVP bracht het pamflet O56 uit, waarin gesuggereerd werd dat de PvdA katholieke scholen in brand wilde steken. Toespraken van Drees, toen premier maar ook lijsttrekker van de PvdA, werden in Venlo en Roermond gesaboteerd. Zoiets hebben we in deze tijd nog niet meegemaakt.
De PvdA won vier zetels, maar hierna werd de vorming van een kabinet met PvdA en KVP uiterst moeilijk. Eind 1958 kwam er een eind aan twaalf jaar politieke samenwerking tussen KVP en PvdA. Daarna heeft de PvdA nooit meer langer dan één kabinetsperiode met KVP of CDA samengewerkt, waarbij de samenwerking op één keer na (Lubbers III) altijd tussentijds strandde.

De scheidslijnen liepen anders dan nu. Binnen de partijen was het vertrouwen in de leiding groter dan nu, zij het ook niet onbeperkt, zoals de PvdA ervoer tijdens de politionele acties. Maar tussen de partijen was de vijandschap groot.


© 2017 Paul Bordewijk meer Paul Bordewijk - meer "In de polder"
Beschouwingen > In de polder
Vijftiger jaren kende andere kloof Paul Bordewijk
1407BS Paul BordewijkIn zijn onlangs gehouden Willem-Dreeslezing vergeleek SCP-directeur Kim Putters onze tijd met de jaren vijftig, toen Willem Drees premier was:

‘Groepen staan vaker tegenover elkaar. We lijken het onderling verbond, dat uitgaat van het delen in welvaart en vrijheid, net als het vertrouwen dat politici en instituties daar dienstbaar aan zijn, steeds meer te verliezen.’

De jaren vijftig waren anders dan tegenwoordig. Maar dat wil niet zeggen dat er geen kloof was. Die kloof liep alleen anders dan tegenwoordig. Het ging niet tussen hoog- en laag-opgeleiden, of tussen kiezers en politici, maar tussen de verschillende godsdienstige groeperingen en met name tussen buitenkerkelijken en katholieken.

In mijn buitenkerkelijke milieu was men zeer beducht voor de machtsvorming door de katholieken en daar was toen ook alle reden voor. Achteraf kun je dat gemakkelijk relativeren omdat door de massale geloofsafval in de jaren zestig en zeventig de katholieke zuil ineen schrompelde. Dat was een wonder van God, waarvoor we nog steeds Onze Lieve Heer op onze blote knietjes mogen danken. Maar toen was dat niet te voorzien.

Katholieken geloofden toen nog echt en niet alleen in God, maar ook in de hel. Als klein jongetje kreeg ik van vriendjes op straat te horen dat ik naar de hel zou gaan omdat ik niet in God geloofde. Nu zouden we dat nepnieuws noemen, maar toen was ik er behoorlijk van onder de indruk. Erger was dat gehuwde vrouwen van meneer pastoor te horen kregen dat zij naar de hel zouden gaan wanneer zij niet elk jaar een kind op de wereld zetten. Dat was voor die vrouwen niet leuk, maar de groei van het aantal katholieken in Nederland was ook zeer bedreigend voor de geestelijke vrijheid in ons land.

Middels de Katholieke Volkspartij (later opgegaan in het CDA) streefden de katholieken naar steeds meer politieke macht. In Brabant en Limburg, waar de KVP in de meeste gemeenten de meerderheid had, probeerden zij hun eigen moraal op te leggen aan de rest van de bevolking. Gemengd zwemmen mocht daar niet. Ik herinner me dat in 1960 de gemeenteraad van Maastricht ook het vervoer van voorbehoedsmiddelen over de openbare weg verbood.

In 1945 had partijleider Romme zich in het boekje ‘Nieuwe Grondwetsartikelen’ ervoor uitgesproken dat in de Grondwet de geestelijke grondslagen van het Koninkrijk der Nederlanden werden geformuleerd, waaronder de erkenning van ‘God als eerste Oorzaak en laatste Doel’, terwijl de democratische grondrechten slechts zouden toekomen aan wie die grondslagen onderschreef. Dat was ook weinig geruststellend. Scheiding van kerk en staat is nog niet erg lang een Christelijke traditie.

Intussen waren niet alle katholieken het ermee eens dat alle katholieken zich in één partij moesten verenigen. Een kleine groep dapperen werd na de oorlog lid van de Partij van de Arbeid, waar ze zich verenigden in de Katholieke Werkgemeenschap. De PvdA trachtte het patroon van stemmen op basis van godsdienst te vervangen door een van partijvorming op basis van maatschappijvisie, waarbij links tegenover rechts zou staan. De bedoeling was dan uiteraard wel dat links de meerderheid zou krijgen, zoals dat in Engeland Labour af en toe ook lukte. Vandaar de naam Partij van de Arbeid. De ‘Doorbraak’ werd dat genoemd.

Intussen was godsdienst in de politiek wel degelijk relevant. Hoewel de meeste leden van de PvdA voor openbaar onderwijs waren, onderschreef de partij het gemengde stelsel van openbaar en bijzonder onderwijs. In 1955 was er een compromis over de door katholieken verfoeide crematie, waarbij crematie alleen werd toegestaan wanneer de overledene daar vóór zijn dood in een codicil zijn voorkeur voor had uitgesproken. Het kwam de PvdA te staan op de hoon van de VVD, die vanuit de oppositie gemakkelijk voor meer geestelijke vrijheid kon pleiten. Het verbod op het vervoer van condooms over de openbare weg in Maastricht werd ook door de PvdA-fractie gesteund, met als argument dat de naleving toch niet af te dwingen viel.

Geheel zonder invloed bleef het pleidooi voor de Doorbraak echter niet. Het percentage stemmen op de KVP nam minder toe dan je met al die tienkindergezinnen zou verwachten. In 1954 richtten de Nederlandse bisschoppen zich daarom met een ‘mandement’ tot de gelovigen, dat in alle kerken op zondag werd voorgelezen.

Het lidmaatschap van de PvdA werd ontraden en het lidmaatschap van de socialistische vakcentrale NVV en het regelmatig luisteren naar uitzendingen van de VARA zelfs verboden. Dat gold uiteraard ook voor de Nederlandse Vereniging voor Sexuele Hervorming, in het mandement veiligheidshalve ‘Bond voor Sexuele Hervorming’ genoemd, want je moest de mensen niet op een idee brengen.

In de PvdA bracht dit een grote schok teweeg. Een dergelijke ingreep van de kerk in de politiek was ongehoord. Het bracht mensen in gewetensnood. En het bevestigde het beeld van een katholiek volksdeel dat anderen zijn wil wilde opleggen, zoals dat in het zuiden al gebeurde.

Het succes van het mandement was echter beperkt. De Katholieke Werkgemeenschap hief zichzelf niet op. De verkiezingsstrijd in 1956 werd wel ongehoord fel. De PvdA richtte, om meer geld beschikbaar te hebben, het doorbraakfonds op. Elk PvdA-lid kreeg een kartonnen busje om op de schoorsteenmantel te zetten, met de bedoeling dat daar elke dag een cent inging. Maandelijks kwam een vrijwilliger langs om het geld op te halen.

De KVP bracht het pamflet O56 uit, waarin gesuggereerd werd dat de PvdA katholieke scholen in brand wilde steken. Toespraken van Drees, toen premier maar ook lijsttrekker van de PvdA, werden in Venlo en Roermond gesaboteerd. Zoiets hebben we in deze tijd nog niet meegemaakt.
De PvdA won vier zetels, maar hierna werd de vorming van een kabinet met PvdA en KVP uiterst moeilijk. Eind 1958 kwam er een eind aan twaalf jaar politieke samenwerking tussen KVP en PvdA. Daarna heeft de PvdA nooit meer langer dan één kabinetsperiode met KVP of CDA samengewerkt, waarbij de samenwerking op één keer na (Lubbers III) altijd tussentijds strandde.

De scheidslijnen liepen anders dan nu. Binnen de partijen was het vertrouwen in de leiding groter dan nu, zij het ook niet onbeperkt, zoals de PvdA ervoer tijdens de politionele acties. Maar tussen de partijen was de vijandschap groot.
© 2017 Paul Bordewijk
powered by CJ2