archiefvorig nr.lopend nr.

Beschouwingen > In de polder delen printen terug
Kleinkinderen gezocht Carlo van Praag

0212 Kleinkinderen
In een vorig artikel heb ik het gehad over de afnemende vruchtbaarheid en het dalende kindertal. Vrouwen krijgen hun eerste kind, als het er al van komt, op steeds hogere leeftijd. Gezinsvorming gaat met een erg lange aanloop. Dat heeft natuurlijk niet alleen gevolgen voor de demografie van het land, maar ook voor het leven van de zich voortplantende individuen. Een kind dat na zo lang wikken en wegen wordt geboren, is zeer bewust gekozen. Het is niet meer het natuurlijke gevolg van het huwelijk en het is geen onafwendbare gang van zaken meer. Het kind is een project en niet zelden een eenmalig project bovendien. Het is een gekoesterd object dat met zorgen, angsten, trots en totale affectie wordt omringd. Het is ook een object van medische en pedagogische expertise. De opvoeding moet wetenschappelijk verantwoord zijn. De talenten van de kleine (en die zijn bij voorbaat in ruime dosis aanwezig) kunnen alleen onder de beste omstandigheden tot ontwikkeling komen en de ouders richten zich met hun volle energie op de schepping van deze omstandigheden. Allemaal prettig voor het kind! Veel beter dan vroeger, toen stoeten van kinderen om de aandacht van hun pedagogisch ondeskundige ouders moesten concurreren en vooral geen lastposten moesten zijn! Of toch niet?

Mirjam Schöttelndreier vond tien jaar geleden kennelijk van niet. De titel van haar boek Monsters van kinderen, draken van ouders is veelzeggend. Kinderen krijgen veel te veel positieve aandacht, te veel speelgoed, te veel hun zin. Haar relaas over de moderne opvoeding is vernietigend. Antiautoritarisme en verwennerij vormen een giftig mengsel met de welvaart als katalysator. Het begon met de elite in de jaren zestig, maar inmiddels is ongeveer de hele bevolking opgenomen in het idee dat kinderen zich ongehinderd moeten kunnen ontplooien. De opvoeding als spoedopleiding tot tiran. Wat overdreven, denk ik! Er wordt, vooral bij de wat minder bedeelden, nog aardig wat gezag uitgeoefend en ook bij de beter gesitueerden is het stellen van grenzen weer in. Of het zal baten weet ik niet. Je kunt wel regels stellen, maar verwennerij achterwege laten, is moeilijker in een situatie waarin natuurlijke beperkingen ontbreken. Het gezinsbudget is toereikend om de kinderen te bedelven onder de geschenken en de factor aandacht is in een één- of tweekindergezin ook niet meer zo schaars.

De grootouders -en daarover wou ik het hebben- leggen er nog een schepje op. Hun rol is traditioneel die van verwenners, maar die verwennerij was vroeger wel op rantsoen. Personen geboren in 1865 hadden op 60-jarige leeftijd gemiddeld niet minder dan 16 kleinkinderen. Personen geboren in 1925 (dus nu 80 jaar oud) hadden er gemiddeld 5,5. Personen geboren in 1965 (dus nu 40 jaar oud) zullen gemiddeld niet meer dan 3 kleinkinderen hebben. Omgekeerd: kinderen geboren in 1935 hadden op tienjarige leeftijd gemiddeld 2,4 grootouders, maar kinderen geboren in 1995 hadden er op hun tiende gemiddeld al 3,1. De marktverhoudingen zijn omgeslagen: er is een ruim aanbod van grootouders, maar kleinkinderen zijn schaars geworden. De geboorte van een kleinkind is een bijzondere gebeurtenis. Wij (mijn vrouw en ik) kunnen er van meepraten. In theorie hadden wij aan het eind van de jaren tachtig al grootouder kunnen zijn, maar dan had onze dochter voor haar vijfentwintigste jaar een kind moeten hebben. Dat was te dien tijde al niet meer gebruikelijk. Had zij zich aan het gemiddelde gehouden dan zou zij niettemin voor haar dertigste van een eerste kind zijn bevallen en dan waren wij in elk geval omstreeks 1995 tot het grootouderschap bevorderd. Lezer, wij hebben moeten wachten tot 2002 en wij hadden de hoop nagenoeg opgegeven. Is het een wonder dat wij nu wekelijks twee maal face-to-face contact hebben met de kleine, nog los van de dagelijkse telefoongesprekken met de moeder? Volgens wetenschappelijk onderzoek (en daar kun je niets tegenin brengen) heeft meer dan de helft van de Nederlandse grootouders elke week contact met één of meer kleinkinderen en bij een achtste is dat contact zelfs dagelijks. Het zal u niet verbazen dat er reeds meer dan 1000 kiekjes van ons buitengewoon fotogenieke kleinkind in ons digitale archief zijn opgeslagen. Hoe graag had ik er niet één als illustratie bij dit artikel willen voegen! Maar de redactie waakt nauwlettend over het niveau van dit tijdschrift.

Mijn persoonlijke ervaring is natuurlijk niet uniek. Het grootouderschap komt zelden ongelegen. Het doet zich voor in een levensfase waarin mensen afstand doen van overige rollen in hun bestaan. De kinderen zijn de deur uit en er valt niets meer aan op te voeden. De werkgever heeft afgezien van onze diensten en van het hele netwerk waarmee een betaalde baan is omgeven, is niets over. Zouden al die gepensioneerden het inderdaad 'drukker hebben dan ooit tevoren'? Hooguit als zij op hun werk nooit iets uitvoerden! Kortom die kleinkinderen komen als geroepen en zij bieden de grootouders de enige nieuwe rol die het leven voor deze oudjes in petto heeft, een rol die de tweeverdienende tussengeneratie hen graag gunt. En zij kunnen er nog lang van genieten ook! Want laat, zo tussen de 55 en 60 jaar, treedt het grootouderschap in, maar bij de huidige levensverwachting hebben mensen dan nog zo'n 25 jaar tegoed. Wat zal dat fotoarchief uitdijen!











© 2005 Carlo van Praag meer Carlo van Praag - meer "In de polder"
Beschouwingen > In de polder
Kleinkinderen gezocht Carlo van Praag
0212 Kleinkinderen
In een vorig artikel heb ik het gehad over de afnemende vruchtbaarheid en het dalende kindertal. Vrouwen krijgen hun eerste kind, als het er al van komt, op steeds hogere leeftijd. Gezinsvorming gaat met een erg lange aanloop. Dat heeft natuurlijk niet alleen gevolgen voor de demografie van het land, maar ook voor het leven van de zich voortplantende individuen. Een kind dat na zo lang wikken en wegen wordt geboren, is zeer bewust gekozen. Het is niet meer het natuurlijke gevolg van het huwelijk en het is geen onafwendbare gang van zaken meer. Het kind is een project en niet zelden een eenmalig project bovendien. Het is een gekoesterd object dat met zorgen, angsten, trots en totale affectie wordt omringd. Het is ook een object van medische en pedagogische expertise. De opvoeding moet wetenschappelijk verantwoord zijn. De talenten van de kleine (en die zijn bij voorbaat in ruime dosis aanwezig) kunnen alleen onder de beste omstandigheden tot ontwikkeling komen en de ouders richten zich met hun volle energie op de schepping van deze omstandigheden. Allemaal prettig voor het kind! Veel beter dan vroeger, toen stoeten van kinderen om de aandacht van hun pedagogisch ondeskundige ouders moesten concurreren en vooral geen lastposten moesten zijn! Of toch niet?

Mirjam Schöttelndreier vond tien jaar geleden kennelijk van niet. De titel van haar boek Monsters van kinderen, draken van ouders is veelzeggend. Kinderen krijgen veel te veel positieve aandacht, te veel speelgoed, te veel hun zin. Haar relaas over de moderne opvoeding is vernietigend. Antiautoritarisme en verwennerij vormen een giftig mengsel met de welvaart als katalysator. Het begon met de elite in de jaren zestig, maar inmiddels is ongeveer de hele bevolking opgenomen in het idee dat kinderen zich ongehinderd moeten kunnen ontplooien. De opvoeding als spoedopleiding tot tiran. Wat overdreven, denk ik! Er wordt, vooral bij de wat minder bedeelden, nog aardig wat gezag uitgeoefend en ook bij de beter gesitueerden is het stellen van grenzen weer in. Of het zal baten weet ik niet. Je kunt wel regels stellen, maar verwennerij achterwege laten, is moeilijker in een situatie waarin natuurlijke beperkingen ontbreken. Het gezinsbudget is toereikend om de kinderen te bedelven onder de geschenken en de factor aandacht is in een één- of tweekindergezin ook niet meer zo schaars.

De grootouders -en daarover wou ik het hebben- leggen er nog een schepje op. Hun rol is traditioneel die van verwenners, maar die verwennerij was vroeger wel op rantsoen. Personen geboren in 1865 hadden op 60-jarige leeftijd gemiddeld niet minder dan 16 kleinkinderen. Personen geboren in 1925 (dus nu 80 jaar oud) hadden er gemiddeld 5,5. Personen geboren in 1965 (dus nu 40 jaar oud) zullen gemiddeld niet meer dan 3 kleinkinderen hebben. Omgekeerd: kinderen geboren in 1935 hadden op tienjarige leeftijd gemiddeld 2,4 grootouders, maar kinderen geboren in 1995 hadden er op hun tiende gemiddeld al 3,1. De marktverhoudingen zijn omgeslagen: er is een ruim aanbod van grootouders, maar kleinkinderen zijn schaars geworden. De geboorte van een kleinkind is een bijzondere gebeurtenis. Wij (mijn vrouw en ik) kunnen er van meepraten. In theorie hadden wij aan het eind van de jaren tachtig al grootouder kunnen zijn, maar dan had onze dochter voor haar vijfentwintigste jaar een kind moeten hebben. Dat was te dien tijde al niet meer gebruikelijk. Had zij zich aan het gemiddelde gehouden dan zou zij niettemin voor haar dertigste van een eerste kind zijn bevallen en dan waren wij in elk geval omstreeks 1995 tot het grootouderschap bevorderd. Lezer, wij hebben moeten wachten tot 2002 en wij hadden de hoop nagenoeg opgegeven. Is het een wonder dat wij nu wekelijks twee maal face-to-face contact hebben met de kleine, nog los van de dagelijkse telefoongesprekken met de moeder? Volgens wetenschappelijk onderzoek (en daar kun je niets tegenin brengen) heeft meer dan de helft van de Nederlandse grootouders elke week contact met één of meer kleinkinderen en bij een achtste is dat contact zelfs dagelijks. Het zal u niet verbazen dat er reeds meer dan 1000 kiekjes van ons buitengewoon fotogenieke kleinkind in ons digitale archief zijn opgeslagen. Hoe graag had ik er niet één als illustratie bij dit artikel willen voegen! Maar de redactie waakt nauwlettend over het niveau van dit tijdschrift.

Mijn persoonlijke ervaring is natuurlijk niet uniek. Het grootouderschap komt zelden ongelegen. Het doet zich voor in een levensfase waarin mensen afstand doen van overige rollen in hun bestaan. De kinderen zijn de deur uit en er valt niets meer aan op te voeden. De werkgever heeft afgezien van onze diensten en van het hele netwerk waarmee een betaalde baan is omgeven, is niets over. Zouden al die gepensioneerden het inderdaad 'drukker hebben dan ooit tevoren'? Hooguit als zij op hun werk nooit iets uitvoerden! Kortom die kleinkinderen komen als geroepen en zij bieden de grootouders de enige nieuwe rol die het leven voor deze oudjes in petto heeft, een rol die de tweeverdienende tussengeneratie hen graag gunt. En zij kunnen er nog lang van genieten ook! Want laat, zo tussen de 55 en 60 jaar, treedt het grootouderschap in, maar bij de huidige levensverwachting hebben mensen dan nog zo'n 25 jaar tegoed. Wat zal dat fotoarchief uitdijen!









© 2005 Carlo van Praag
powered by Peppered