archiefvorig nr.lopend nr.

Beschouwingen > In de polder delen printen terug
Rebels with a cause; deze keer wel Paul Bordewijk

0408BS BriefDe recente bezetting van het Amsterdamse Maagdenhuis roept herinneringen op aan de bezetting van 1969. Dat was een legendarische gebeurtenis in de geschiedenis van links Nederland. Toch is er een markant verschil: de bezetters van nu hebben gelijk in hun kritiek op het systeem. Die van toen hadden ongelijk.

De bezetters van toen verzetten zich tegen het kapitalisme dat heerste in ons land en ook de universiteit in zijn greep had. Huurde de Leidse universiteit geen kantoorgebouw van het Philips Pensioenfonds? Nou dan! Met de kennis van nu moet je echter constateren dat dat een heel beschaafd kapitalisme was. Het was aan het eind van de periode die de Fransen later de 'trente glorieuses' zijn gaan noemen, waarin een continue economische groei de uitbouw van de verzorgingsstaat mogelijk maakte, met volledige werkgelegenheid en jaarlijkse loonrondes.

Vanwaar dan toch die onvrede? Ik heb dat altijd gezien als een reactie op de gezapigheid van de politiek in die tijd. Het waren de hoogtijdagen van het reformistische socialisme, dat niet alleen door de PvdA werd uitgedragen maar ook de confessionele partijen en zelfs de VVD inspireerde, al zeiden die dat niet hardop. Terugkijkend moet je constateren dat gemeten aan de resultaten het Kabinet De Jong en niet het Kabinet Den Uyl het meest linkse kabinet was dat Nederland ooit gehad heeft.

Minister van Financiën was in die tijd de VVD-er Johan Witteveen. Die was leerling van Tinbergen, kleinzoon van SDAP-coryfee Floor Wibaut en vader van de bij de ramp met de MH-17 omgekomen PvdA-senator Willem Witteveen. Hij stelt zich tegenwoordig in het publieke debat aanzienlijk linkser op dan PvdA-minister Jeroen Dijsselbloem.

Het reformistisch socialisme leverde weliswaar veel welvaart op, maar daar waren de Maagdenhuisbezetters niet zo in geïnteresseerd. Ze werden niet geïnspireerd door een procentje meer of minder, maar wilden groots en meeslepend leven en waren tegen de consumptiemaatschappij. Ze vonden hun inspiratie bij uiterst links en bij het verzet tijdens de Duitse bezetting. Het waren 'rebels without a cause', zoals in de beroemde film met James Dean.

Erg consistent was het allemaal niet: de universiteit moest worden gedemocratiseerd, bij voorkeur op basis van 'one man one vote', maar de bezetters werden tegelijkertijd lid van de CPN, of van allerlei neocommunistische clubjes waar democratie als een kleinburgerlijk ideaal werd beschouwd.

De klachten van de huidige generatie bezetters over het rendementsdenken zijn daarentegen een stuk reëler. Dat rendementsdenken vloeit voort uit 'New Public Management', dat weer een kindje is van het neoliberalisme. Kern van het neoliberalisme is de veronderstelling dat maximale welvaart ontstaat wanneer ieder ongestoord de vruchten van zijn eigen inspanning kan ruilen tegen die van een ander.

Overheidsingrijpen verstoort dat. Belastingen en uitkeringen maken dat mensen zich minder inspannen en kosten dus welvaart. Die opvatting ligt ten grondslag aan de modellen van het Centraal Planbureau en het is makkelijker een theoloog te vinden die niet in God gelooft dan een econoom die dit aanvecht. De gedachte dat ik dit stukje schrijf zonder daarvoor betaald te worden, maar ook dat De Leunstoel het plaatst zonder dat ik ervoor betaal, dat wil er bij een econoom niet in.

Wanneer er al een overheid nodig is moet die in de neoliberale visie ook vanuit dit idee worden georganiseerd. We geloven niet dat rechters, docenten en medici zich inspannen vanuit verantwoordelijkheidsbesef en beroepstrots, maar alleen wanneer we ze kunnen controleren door hun prestaties te meten. Dat leidt aan de ene kant tot een ergerniswekkende bureaucratie en de opkomst van een nieuwe kaste die al die rapportages moet verwerken en aan de andere kant tot het gevoel bij veel professionals dat ze niet de gelegenheid krijgen om hun werk goed te doen.

Rechters hebben geen tijd genoeg om zich af te vragen of ze niet op het punt staan een onschuldige te veroordelen, docenten mogen niet te veel onvoldoendes geven, accountants verworden tot handelaren in goedkeurende verklaringen, onderzoekers splitsen hun resultaten over zoveel mogelijk artikelen om maximaal te scoren, politieagenten delen bekeuringen uit om hun bonnenquotum te halen, artsen worden gebonden aan instructies van de verzekeraar, studierichtingen zijn alleen rendabel bij voldoende studenten.

Dat wil niet zeggen dat er geen toezicht nodig is op het functioneren van professionals. Dat begint bij de selectie. Het grootste manco van de universiteit anno 1969 was dat het veel te gemakkelijk was een vaste aanstelling te krijgen, precies het omgekeerde van de huidige situatie. Er werden mensen tot lector benoemd die niet meer dan een mager proefschrift hadden gepubliceerd.

Maar ook bij goede selectie geldt voor professionals dat ze de liefde voor het vak kunnen verliezen en dan moet er iemand ingrijpen. Dat is alleen iets anders dan tijdschriftartikelen tellen. In de alfavakken moeten mensen ook de gelegenheid hebben een mooi boek te schrijven, maar daarvoor zijn we tegenwoordig afhankelijk van buitenlanders als Simon Schama en Jonathan Israel. Voor iemand als Huizinga zou er aan de huidige universiteit geen plaats zijn, zoals dat ook voor Bart Tromp bleek te gelden. Veel academici komen tegenwoordig pas na hun pensioen aan zo’n boek toe.

Het is ook niet erg wanneer een studierichting weinig studenten trekt, wanneer zo’n studierichting dan wel op hoog niveau als kenniscentrum functioneert. Niet overal wordt Engels gesproken. Het is merkwaardig dat de studenten aan de UvA het enerzijds opnemen voor de kleine talenstudies, maar anderzijds in het Engels vergaderen, alsof dat de taal is die alle andere talen overbodig maakt. Daarmee wordt ook een bijdrage geleverd aan het ontstaan van een elite die geen Nederlands spreekt, zoals ooit in Vlaanderen de elite Frans sprak.

Ik ben er geen voorstander van de universiteit te besturen alsof het een gemeente is. Daar heb ik in 1969 al in S&D over geschreven en ik sta daar nog steeds achter. Universiteiten zijn geen bedrijven die hun geld op de markt verwerven, daarom krijgen ze ook overheidsgeld. Studenten moeten geen deel uitmaken van een fulltime universiteitsbestuur, maar kunnen zich beter laten vertegenwoordigen in de Raad van Toezicht, naast verschillende overheden en het personeel. Zo’n Raad van Toezicht moet zich niet alleen richten op het bedrijfsresultaat, maar juist bewaken dat alle belangen worden afgewogen. Een goede Raad van Toezicht had al lang korte metten gemaakt met de Engelse ziekte aan de universiteit.

Daarmee zijn we overigens nog niet af van het rendementsdenken. Het sociale leenstelsel gaat er vanuit dat de studie een investering door de student is, die zich bij zijn studiekeuze door het toekomstige rendement laat leiden en dus kiest voor de studie die met de minste inspanning het hoogste salarisperspectief geeft. Dan kun je er ook een baantje bij nemen en hoef je niet zo veel te lenen. Dat past precies bij het neoliberalisme. Maar een moeilijke en dure studie levert niet per definitie het hoogste salaris op. Vaak is er alleen voor de echte uitblinkers een toekomst in het vak, maar je weet niet van tevoren wie dat zijn.

Dat maakt het een beetje ongeloofwaardig wanneer Jet Bussemaker èn D66 nu ineens tegen rendementsdenken blijken te zijn.

---------------------------------------------------------------------
De tekening is van Eefje Ernst en oorspronkelijk gemaakt
voor plaatsing bij de Brief in Nummer 8 van Jaargang 4.
----------------------------------------------
Bestel uw boeken, CD’s en veel meer
bij bolcom via de banner rechts.
Dan steunt u De Leunstoel
---------------------------------------------
De Leunstoel wordt uitgegeven door:
Het Genootschap De Leunstoel.
Word lid! Ga naar: www.deleunstoel.nl/colofon.php

© 2015 Paul Bordewijk meer Paul Bordewijk - meer "In de polder"
Beschouwingen > In de polder
Rebels with a cause; deze keer wel Paul Bordewijk
0408BS BriefDe recente bezetting van het Amsterdamse Maagdenhuis roept herinneringen op aan de bezetting van 1969. Dat was een legendarische gebeurtenis in de geschiedenis van links Nederland. Toch is er een markant verschil: de bezetters van nu hebben gelijk in hun kritiek op het systeem. Die van toen hadden ongelijk.

De bezetters van toen verzetten zich tegen het kapitalisme dat heerste in ons land en ook de universiteit in zijn greep had. Huurde de Leidse universiteit geen kantoorgebouw van het Philips Pensioenfonds? Nou dan! Met de kennis van nu moet je echter constateren dat dat een heel beschaafd kapitalisme was. Het was aan het eind van de periode die de Fransen later de 'trente glorieuses' zijn gaan noemen, waarin een continue economische groei de uitbouw van de verzorgingsstaat mogelijk maakte, met volledige werkgelegenheid en jaarlijkse loonrondes.

Vanwaar dan toch die onvrede? Ik heb dat altijd gezien als een reactie op de gezapigheid van de politiek in die tijd. Het waren de hoogtijdagen van het reformistische socialisme, dat niet alleen door de PvdA werd uitgedragen maar ook de confessionele partijen en zelfs de VVD inspireerde, al zeiden die dat niet hardop. Terugkijkend moet je constateren dat gemeten aan de resultaten het Kabinet De Jong en niet het Kabinet Den Uyl het meest linkse kabinet was dat Nederland ooit gehad heeft.

Minister van Financiën was in die tijd de VVD-er Johan Witteveen. Die was leerling van Tinbergen, kleinzoon van SDAP-coryfee Floor Wibaut en vader van de bij de ramp met de MH-17 omgekomen PvdA-senator Willem Witteveen. Hij stelt zich tegenwoordig in het publieke debat aanzienlijk linkser op dan PvdA-minister Jeroen Dijsselbloem.

Het reformistisch socialisme leverde weliswaar veel welvaart op, maar daar waren de Maagdenhuisbezetters niet zo in geïnteresseerd. Ze werden niet geïnspireerd door een procentje meer of minder, maar wilden groots en meeslepend leven en waren tegen de consumptiemaatschappij. Ze vonden hun inspiratie bij uiterst links en bij het verzet tijdens de Duitse bezetting. Het waren 'rebels without a cause', zoals in de beroemde film met James Dean.

Erg consistent was het allemaal niet: de universiteit moest worden gedemocratiseerd, bij voorkeur op basis van 'one man one vote', maar de bezetters werden tegelijkertijd lid van de CPN, of van allerlei neocommunistische clubjes waar democratie als een kleinburgerlijk ideaal werd beschouwd.

De klachten van de huidige generatie bezetters over het rendementsdenken zijn daarentegen een stuk reëler. Dat rendementsdenken vloeit voort uit 'New Public Management', dat weer een kindje is van het neoliberalisme. Kern van het neoliberalisme is de veronderstelling dat maximale welvaart ontstaat wanneer ieder ongestoord de vruchten van zijn eigen inspanning kan ruilen tegen die van een ander.

Overheidsingrijpen verstoort dat. Belastingen en uitkeringen maken dat mensen zich minder inspannen en kosten dus welvaart. Die opvatting ligt ten grondslag aan de modellen van het Centraal Planbureau en het is makkelijker een theoloog te vinden die niet in God gelooft dan een econoom die dit aanvecht. De gedachte dat ik dit stukje schrijf zonder daarvoor betaald te worden, maar ook dat De Leunstoel het plaatst zonder dat ik ervoor betaal, dat wil er bij een econoom niet in.

Wanneer er al een overheid nodig is moet die in de neoliberale visie ook vanuit dit idee worden georganiseerd. We geloven niet dat rechters, docenten en medici zich inspannen vanuit verantwoordelijkheidsbesef en beroepstrots, maar alleen wanneer we ze kunnen controleren door hun prestaties te meten. Dat leidt aan de ene kant tot een ergerniswekkende bureaucratie en de opkomst van een nieuwe kaste die al die rapportages moet verwerken en aan de andere kant tot het gevoel bij veel professionals dat ze niet de gelegenheid krijgen om hun werk goed te doen.

Rechters hebben geen tijd genoeg om zich af te vragen of ze niet op het punt staan een onschuldige te veroordelen, docenten mogen niet te veel onvoldoendes geven, accountants verworden tot handelaren in goedkeurende verklaringen, onderzoekers splitsen hun resultaten over zoveel mogelijk artikelen om maximaal te scoren, politieagenten delen bekeuringen uit om hun bonnenquotum te halen, artsen worden gebonden aan instructies van de verzekeraar, studierichtingen zijn alleen rendabel bij voldoende studenten.

Dat wil niet zeggen dat er geen toezicht nodig is op het functioneren van professionals. Dat begint bij de selectie. Het grootste manco van de universiteit anno 1969 was dat het veel te gemakkelijk was een vaste aanstelling te krijgen, precies het omgekeerde van de huidige situatie. Er werden mensen tot lector benoemd die niet meer dan een mager proefschrift hadden gepubliceerd.

Maar ook bij goede selectie geldt voor professionals dat ze de liefde voor het vak kunnen verliezen en dan moet er iemand ingrijpen. Dat is alleen iets anders dan tijdschriftartikelen tellen. In de alfavakken moeten mensen ook de gelegenheid hebben een mooi boek te schrijven, maar daarvoor zijn we tegenwoordig afhankelijk van buitenlanders als Simon Schama en Jonathan Israel. Voor iemand als Huizinga zou er aan de huidige universiteit geen plaats zijn, zoals dat ook voor Bart Tromp bleek te gelden. Veel academici komen tegenwoordig pas na hun pensioen aan zo’n boek toe.

Het is ook niet erg wanneer een studierichting weinig studenten trekt, wanneer zo’n studierichting dan wel op hoog niveau als kenniscentrum functioneert. Niet overal wordt Engels gesproken. Het is merkwaardig dat de studenten aan de UvA het enerzijds opnemen voor de kleine talenstudies, maar anderzijds in het Engels vergaderen, alsof dat de taal is die alle andere talen overbodig maakt. Daarmee wordt ook een bijdrage geleverd aan het ontstaan van een elite die geen Nederlands spreekt, zoals ooit in Vlaanderen de elite Frans sprak.

Ik ben er geen voorstander van de universiteit te besturen alsof het een gemeente is. Daar heb ik in 1969 al in S&D over geschreven en ik sta daar nog steeds achter. Universiteiten zijn geen bedrijven die hun geld op de markt verwerven, daarom krijgen ze ook overheidsgeld. Studenten moeten geen deel uitmaken van een fulltime universiteitsbestuur, maar kunnen zich beter laten vertegenwoordigen in de Raad van Toezicht, naast verschillende overheden en het personeel. Zo’n Raad van Toezicht moet zich niet alleen richten op het bedrijfsresultaat, maar juist bewaken dat alle belangen worden afgewogen. Een goede Raad van Toezicht had al lang korte metten gemaakt met de Engelse ziekte aan de universiteit.

Daarmee zijn we overigens nog niet af van het rendementsdenken. Het sociale leenstelsel gaat er vanuit dat de studie een investering door de student is, die zich bij zijn studiekeuze door het toekomstige rendement laat leiden en dus kiest voor de studie die met de minste inspanning het hoogste salarisperspectief geeft. Dan kun je er ook een baantje bij nemen en hoef je niet zo veel te lenen. Dat past precies bij het neoliberalisme. Maar een moeilijke en dure studie levert niet per definitie het hoogste salaris op. Vaak is er alleen voor de echte uitblinkers een toekomst in het vak, maar je weet niet van tevoren wie dat zijn.

Dat maakt het een beetje ongeloofwaardig wanneer Jet Bussemaker èn D66 nu ineens tegen rendementsdenken blijken te zijn.

---------------------------------------------------------------------
De tekening is van Eefje Ernst en oorspronkelijk gemaakt
voor plaatsing bij de Brief in Nummer 8 van Jaargang 4.
----------------------------------------------
Bestel uw boeken, CD’s en veel meer
bij bolcom via de banner rechts.
Dan steunt u De Leunstoel
---------------------------------------------
De Leunstoel wordt uitgegeven door:
Het Genootschap De Leunstoel.
Word lid! Ga naar: www.deleunstoel.nl/colofon.php
© 2015 Paul Bordewijk
powered by CJ2