archiefvorig nr.lopend nr.

Beschouwingen > In de polder delen printen terug
Het selectieve secularisme van Europa Ewout Klei

1007BS Secularisme
Op dinsdag 15 januari 2013 berichtte het Britse dagblad The Guardian dat het Europees Hof voor de Rechten van de Mens de christelijke Nadia Eweida in het gelijk had gesteld. Haar werkgever, British Airways, had haar verboden om nog langer zichtbaar een kruisje te dragen. Volgens het Hof had niemand last van dit religieuze symbool. In drie andere soortgelijke zaken sprak het Hof zich echter uit ten gunste van de werkgever. Een verpleegster die ook een kruisje wilde dragen werd in het ongelijk gesteld, omdat het ziekenhuis aannemelijk kon maken dat dit in strijd was met die hygiëneregels. Verder werden twee christenen in het ongelijk gesteld, die met een beroep op hun geweten niet met homoseksuele klanten wensten te werken. Zij zouden volgens het Hof discrimineren.

De uitspraken van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens in deze vier zaken zijn zeer genuanceerd. Als iemands persoonlijke geloofsovertuiging botst met de wensen van een werkgever, bekijkt het Hof per geval welke belangen het zwaarste wegen. Het Hof is hier niet pro-religie, of pro-seculariteit. Het Hof wordt de laatste jaren steeds belangrijker. Het is de laatste beroepsinstantie. Uitspraken van het Hof hebben gevolgen voor de wetgeving van de lidstaten van de Europese Unie. De christelijke trambestuurder die vanwege zijn weigering zijn kruisje af te doen werd ontslagen, kan met beroep op de uitspraak van het Europese Hof zijn ontslag aanvechten. Andersom kunnen Nederlandse gemeenten nu gemakkelijk van hun weigerambtenaren af, omdat het niet willen helpen van homo’s op grond van het christelijke geweten volgens het Hof niet mag.
In het in 2010 verschenen boek Religion and the public order of the European Union van Ronan McCrea staat de achterliggende problematiek van bovenstaande zaken centraal. Deze interessante studie onderzoekt het verband tussen godsdienst en politiek in de landen van de Europese Unie, en in het algemeen in de Europese Unie. McCrea vermijdt gemakkelijke simplificaties en geeft een genuanceerd antwoord op een complex vraagstuk.

Onder de 27 Lidstaten van de Europese Unie is er geen consensus over wat de beste regeling tussen Kerk en Staat zou moeten zijn. Hoewel alle landen van de Unie democratieën zijn, zijn zij verdeeld over deze vraag. Sommige landen hebben een Staatskerk. De Lutherse Kerk is de officiële staatskerk van Denemarken, en de Griekse grondwet ziet de Orthodoxe Kerk als de heersende godsdienst van Griekenland. Sommige landen hebben een pluralistisch model. Nederland heeft geen staatskerk, maar het bijzonder religieus onderwijs heeft dezelfde rechten als openbaar onderwijs en wordt bovendien financieel gelijkberechtigd. Ten slotte zijn er ook landen die een strikt seculier beleid voeren. In Frankrijk heeft godsdienst geen invloed op openbare instellingen. Het dragen van een hoofddoek is op openbare scholen niet toegestaan.

Volgens McCrea hebben twee tradities grote invloed op het huidige beleid van de Europese Unie ten aanzien van religie. Enerzijds is er de traditie van het secularisme. Dankzij: het humanisme, de Verlichting, de Franse Revolutie en de secularisatie is Europa het meest geseculariseerde continent van de wereld. Aan de andere kant is de christelijke traditie van Europa nog steeds zeer invloedrijk. Ondanks het feit dat het Christendom zijn overheersende positie in Europa heeft verloren, koesteren vele lidstaten van de Unie hun christelijke tradities. Het christendom blijft een rol van betekenis spelen in de nationale identiteit van sommige landen (de eerder genoemde staatskerken, maar ook de nationale vlaggen van sommige landen, waarin het christelijke kruis is verwerkt). Voorts heeft de Rooms-Katholieke Kerk zijn politieke ambities niet opgegeven. De kerk roert zich vooral op het gebied van de ´kleine moraal´ (zoals euthanasie, abortus en homoseksualiteit). Ten slotte heeft het christelijk geloof veel invloed op nationale onderwijssystemen en op de gezondheidszorgvoorziening.

In de studie van McCrea wordt veel aandacht gegeven aan de gepolariseerde discussie in 2003 over de preambule van de Europese grondwet. In het eerste ontwerp van deze preambule was er geen verwijzing naar of God of christendom als bron van het culturele erfgoed van Europa. Er werd alleen in algemene termen naar religie verwezen. De Griekse en Romeinse beschavingen en de Verlichting daarentegen werden wel expliciet genoemd. Sommige landen en godsdienstige organisaties waren daarom zeer kritisch over dit eerste ontwerp. In de definitieve versie werden de verwijzingen naar Griekenland, Rome en de Verlichting geschrapt. Conservatieve christenen en sommige radicale secularisten bleven echter ontevreden, de laatstgenoemden omdat het definitieve ontwerp nog steeds een algemeen geformuleerde verwijzing naar de religieuze bronnen van Europa bevatte. McCrea is echter positief over dit compromis, een gulden middenweg tussen religie en seculariteit.

De Europese Unie kiest vaak voor deze gulden middenweg, maar niet altijd. McCrea maakt een zeer interessante observatie ten aanzien van het selectieve gebruik van het secularisme-argument in een deel van de Europese wetgeving. Wetgevers zijn soms zeer bezorgd over de islam en ´islamisering´. Het heeft er af en toe veel weg van dat de seculiere wetgeving alleen tegen de moslimbevolking is gericht. Het centrum-rechtse kabinet-Balkenende introduceerde in 2006 in Nederland een immigratietoets met een begeleidende video. Immigranten moesten behalve vragen over Nederland ook vragen over de Nederlandse normen beantwoorden. Er werd onder andere gevraagd of vrouwenbesnijdenis en het slaan van vrouwen toegestaan waren en hoe men zou reageren op een kussend homopaar. Voorts toonde de educatieve video kussende homo´s en topless vrouwen op het strand. Het vermoeden bij velen, dat deze immigratietoets eigenlijk tegen moslims was gericht, werd versterkt door het feit dat immigranten uit Westerse landen (uit de Verenigde Staten, Canada, Australië en Nieuw Zeeland) vrijgesteld waren van de toets. Progressieve politici en opinieleiders waren natuurlijk zeer kritisch.

De Nederlandse benadering heeft zeer veel invloed op de politiek van andere Europese landen. De Duitse deelstaten Baden-Wurttemberg en Hesse introduceerden soortgelijke immigratietoetsen. Beide toetsen concentreerden zich op kwesties die bijzonder relevant werden geacht voor moslims, zoals vragen over 11 september, Israël en de Holocaust. Progressieve politici waren kritisch over deze toetsen. Volker Beck, een lid van de Duitse Grünen, zei dat de minister van Binnenlandse Zaken van Baden-Wurttemberg, een conservatieve christendemocraat, vanwege zijn antihomobeleid zelf waarschijnlijk voor de toets zou zakken. Bovendien, en dit is heel opmerkelijk, gaf de deelstaatoverheid van Baden-Wurttemberg openlijk toe dat het nieuwe immigratiebeleid tegen moslims was gericht.

De Europese Unie en zijn lidstaten zijn volgens McCrea soms minder seculier in hun benadering als het om het christendom gaat. Dit bleek zeer duidelijk uit het Lautsi arrest. Aanvankelijk besliste het Europese Hof van Rechten van de Mens dat de verplichte vertoning van kruisbeelden in Italiaanse staatsscholen de rechten van niet-godsdienstige ouders schond. In 2011 echter werd dit besluit in hoger beroep door de Grote Kamer van het Europees Hof van de Rechten van de Mens verworpen. De lidstaten hebben het recht hun christelijke tradities te behouden. De islam, als ‘vreemde’ godsdienst, heeft in Europa blijkbaar minder rechten.

McCrea is een principieel voorstander van de gelijke behandeling van de verschillende godsdiensten. Hij verzet zich daarom tegen wetgeving die (feitelijk) een onderscheid maakt tussen islam en christendom. Anderzijds verzet McCrea zich tegen een radicaal secularisme omdat religie (met inbegrip van het christendom) heeft bijgedragen aan de culturele identiteit van Europa.
De genuanceerde studie van McCrea zou op het nachtkastje van iedere aan religiestress lijdende en over christenpesten klagende politicus moet liggen.

Ronan McCrea, Religion and the public order of the European Union. Oxford University Press. 2010. ISBN 9780199595358.
 
************************
De tekening is van Elène Klaren


© 2013 Ewout Klei meer Ewout Klei - meer "In de polder"
Beschouwingen > In de polder
Het selectieve secularisme van Europa Ewout Klei
1007BS Secularisme
Op dinsdag 15 januari 2013 berichtte het Britse dagblad The Guardian dat het Europees Hof voor de Rechten van de Mens de christelijke Nadia Eweida in het gelijk had gesteld. Haar werkgever, British Airways, had haar verboden om nog langer zichtbaar een kruisje te dragen. Volgens het Hof had niemand last van dit religieuze symbool. In drie andere soortgelijke zaken sprak het Hof zich echter uit ten gunste van de werkgever. Een verpleegster die ook een kruisje wilde dragen werd in het ongelijk gesteld, omdat het ziekenhuis aannemelijk kon maken dat dit in strijd was met die hygiëneregels. Verder werden twee christenen in het ongelijk gesteld, die met een beroep op hun geweten niet met homoseksuele klanten wensten te werken. Zij zouden volgens het Hof discrimineren.

De uitspraken van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens in deze vier zaken zijn zeer genuanceerd. Als iemands persoonlijke geloofsovertuiging botst met de wensen van een werkgever, bekijkt het Hof per geval welke belangen het zwaarste wegen. Het Hof is hier niet pro-religie, of pro-seculariteit. Het Hof wordt de laatste jaren steeds belangrijker. Het is de laatste beroepsinstantie. Uitspraken van het Hof hebben gevolgen voor de wetgeving van de lidstaten van de Europese Unie. De christelijke trambestuurder die vanwege zijn weigering zijn kruisje af te doen werd ontslagen, kan met beroep op de uitspraak van het Europese Hof zijn ontslag aanvechten. Andersom kunnen Nederlandse gemeenten nu gemakkelijk van hun weigerambtenaren af, omdat het niet willen helpen van homo’s op grond van het christelijke geweten volgens het Hof niet mag.
In het in 2010 verschenen boek Religion and the public order of the European Union van Ronan McCrea staat de achterliggende problematiek van bovenstaande zaken centraal. Deze interessante studie onderzoekt het verband tussen godsdienst en politiek in de landen van de Europese Unie, en in het algemeen in de Europese Unie. McCrea vermijdt gemakkelijke simplificaties en geeft een genuanceerd antwoord op een complex vraagstuk.

Onder de 27 Lidstaten van de Europese Unie is er geen consensus over wat de beste regeling tussen Kerk en Staat zou moeten zijn. Hoewel alle landen van de Unie democratieën zijn, zijn zij verdeeld over deze vraag. Sommige landen hebben een Staatskerk. De Lutherse Kerk is de officiële staatskerk van Denemarken, en de Griekse grondwet ziet de Orthodoxe Kerk als de heersende godsdienst van Griekenland. Sommige landen hebben een pluralistisch model. Nederland heeft geen staatskerk, maar het bijzonder religieus onderwijs heeft dezelfde rechten als openbaar onderwijs en wordt bovendien financieel gelijkberechtigd. Ten slotte zijn er ook landen die een strikt seculier beleid voeren. In Frankrijk heeft godsdienst geen invloed op openbare instellingen. Het dragen van een hoofddoek is op openbare scholen niet toegestaan.

Volgens McCrea hebben twee tradities grote invloed op het huidige beleid van de Europese Unie ten aanzien van religie. Enerzijds is er de traditie van het secularisme. Dankzij: het humanisme, de Verlichting, de Franse Revolutie en de secularisatie is Europa het meest geseculariseerde continent van de wereld. Aan de andere kant is de christelijke traditie van Europa nog steeds zeer invloedrijk. Ondanks het feit dat het Christendom zijn overheersende positie in Europa heeft verloren, koesteren vele lidstaten van de Unie hun christelijke tradities. Het christendom blijft een rol van betekenis spelen in de nationale identiteit van sommige landen (de eerder genoemde staatskerken, maar ook de nationale vlaggen van sommige landen, waarin het christelijke kruis is verwerkt). Voorts heeft de Rooms-Katholieke Kerk zijn politieke ambities niet opgegeven. De kerk roert zich vooral op het gebied van de ´kleine moraal´ (zoals euthanasie, abortus en homoseksualiteit). Ten slotte heeft het christelijk geloof veel invloed op nationale onderwijssystemen en op de gezondheidszorgvoorziening.

In de studie van McCrea wordt veel aandacht gegeven aan de gepolariseerde discussie in 2003 over de preambule van de Europese grondwet. In het eerste ontwerp van deze preambule was er geen verwijzing naar of God of christendom als bron van het culturele erfgoed van Europa. Er werd alleen in algemene termen naar religie verwezen. De Griekse en Romeinse beschavingen en de Verlichting daarentegen werden wel expliciet genoemd. Sommige landen en godsdienstige organisaties waren daarom zeer kritisch over dit eerste ontwerp. In de definitieve versie werden de verwijzingen naar Griekenland, Rome en de Verlichting geschrapt. Conservatieve christenen en sommige radicale secularisten bleven echter ontevreden, de laatstgenoemden omdat het definitieve ontwerp nog steeds een algemeen geformuleerde verwijzing naar de religieuze bronnen van Europa bevatte. McCrea is echter positief over dit compromis, een gulden middenweg tussen religie en seculariteit.

De Europese Unie kiest vaak voor deze gulden middenweg, maar niet altijd. McCrea maakt een zeer interessante observatie ten aanzien van het selectieve gebruik van het secularisme-argument in een deel van de Europese wetgeving. Wetgevers zijn soms zeer bezorgd over de islam en ´islamisering´. Het heeft er af en toe veel weg van dat de seculiere wetgeving alleen tegen de moslimbevolking is gericht. Het centrum-rechtse kabinet-Balkenende introduceerde in 2006 in Nederland een immigratietoets met een begeleidende video. Immigranten moesten behalve vragen over Nederland ook vragen over de Nederlandse normen beantwoorden. Er werd onder andere gevraagd of vrouwenbesnijdenis en het slaan van vrouwen toegestaan waren en hoe men zou reageren op een kussend homopaar. Voorts toonde de educatieve video kussende homo´s en topless vrouwen op het strand. Het vermoeden bij velen, dat deze immigratietoets eigenlijk tegen moslims was gericht, werd versterkt door het feit dat immigranten uit Westerse landen (uit de Verenigde Staten, Canada, Australië en Nieuw Zeeland) vrijgesteld waren van de toets. Progressieve politici en opinieleiders waren natuurlijk zeer kritisch.

De Nederlandse benadering heeft zeer veel invloed op de politiek van andere Europese landen. De Duitse deelstaten Baden-Wurttemberg en Hesse introduceerden soortgelijke immigratietoetsen. Beide toetsen concentreerden zich op kwesties die bijzonder relevant werden geacht voor moslims, zoals vragen over 11 september, Israël en de Holocaust. Progressieve politici waren kritisch over deze toetsen. Volker Beck, een lid van de Duitse Grünen, zei dat de minister van Binnenlandse Zaken van Baden-Wurttemberg, een conservatieve christendemocraat, vanwege zijn antihomobeleid zelf waarschijnlijk voor de toets zou zakken. Bovendien, en dit is heel opmerkelijk, gaf de deelstaatoverheid van Baden-Wurttemberg openlijk toe dat het nieuwe immigratiebeleid tegen moslims was gericht.

De Europese Unie en zijn lidstaten zijn volgens McCrea soms minder seculier in hun benadering als het om het christendom gaat. Dit bleek zeer duidelijk uit het Lautsi arrest. Aanvankelijk besliste het Europese Hof van Rechten van de Mens dat de verplichte vertoning van kruisbeelden in Italiaanse staatsscholen de rechten van niet-godsdienstige ouders schond. In 2011 echter werd dit besluit in hoger beroep door de Grote Kamer van het Europees Hof van de Rechten van de Mens verworpen. De lidstaten hebben het recht hun christelijke tradities te behouden. De islam, als ‘vreemde’ godsdienst, heeft in Europa blijkbaar minder rechten.

McCrea is een principieel voorstander van de gelijke behandeling van de verschillende godsdiensten. Hij verzet zich daarom tegen wetgeving die (feitelijk) een onderscheid maakt tussen islam en christendom. Anderzijds verzet McCrea zich tegen een radicaal secularisme omdat religie (met inbegrip van het christendom) heeft bijgedragen aan de culturele identiteit van Europa.
De genuanceerde studie van McCrea zou op het nachtkastje van iedere aan religiestress lijdende en over christenpesten klagende politicus moet liggen.

Ronan McCrea, Religion and the public order of the European Union. Oxford University Press. 2010. ISBN 9780199595358.
 
************************
De tekening is van Elène Klaren
© 2013 Ewout Klei
powered by CJ2