archiefvorig nr.lopend nr.

Beschouwingen > In de polder delen printen terug
De mythe van het Nieuwe Ruurd Kunnen

De arbeidsverdeling tussen overleg en vrije meningsuiting
In het Haagse wordt druk onderhandeld over de agenda van de participatietop, het topoverleg over het sociaal-economisch beleid tussen het kabinet, de werkgevers en de werknemers dat in het regeerakkoord is afgesproken. Het heikele punt is of het ontslagrecht een van de onderwerpen zal zijn. De werkgevers staan erop, maar voor de vakbeweging is het onaanvaardbaar. Het kabinet heeft zich nog niet duidelijk uitgesproken, enerzijds vanwege de verschillen van inzicht op dit punt tussen CDA en PvdA, anderzijds om het overleg niet bij voorbaat te laten mislukken.

Het ontslagrecht is in Nederland al vele jaren een punt van discussie. Tegenover de wens van de vakbonden om de baanzekerheid van de werknemers te beschermen, staat de wens van de werkgevers om werknemers gemakkelijker te kunnen ontslaan. Ook de Wetenschappelijke Raad voor het regeringsbeleid heeft zich in de discussie gemengd. In januari heeft hij een advies aan de regering uitgebracht. De rode draad in dat rapport is dat het ontslagrecht moet worden versoepeld.

Terwijl het de vakbeweging en de werkgevers vooral gaat om de directe financiële belangen van respectievelijk de werknemers en de bedrijven, heeft de WRR in de eerste plaats oog voor het functioneren van de arbeidsmarkt en de effecten daarvan op de Nederlandse economie. Een optimale allocatie van arbeid, dat wil zeggen de inschakeling van de meest geschikte arbeidskrachten op de juiste functies, is gebaat bij ruime mogelijkheden om minder geslaagde allocatie teniet te doen, dat wil zeggen de mogelijkheden voor bedrijven om overtollige arbeidskrachten die minder geschikt zijn of zijn geworden, te ontslaan. Een van de positieve gevolgen van een minder stringente ontslagbescherming is volgens de WRR dat het proces van creatieve destructie van arbeidsplaatsen en bedrijven minder belemmeringen in de weg wordt gelegd. Ondernemers hoeven hun geld niet onnodig lang in bestaande productiemiddelen te steken, maar kunnen investeren in productontwikkeling, nieuwe productietechnologie en productieorganisatie.

Een soepeler ontslagrecht kan aldus een gunstig effect hebben op de vitaliteit en de internationale concurrentiekracht van onze kenniseconomie, maar een voorwaarde is wel dat de werknemers meewerken. Voorkomen moet worden dat zij na hun ontslag wegkwijnen in de sociale zekerheid. De WRR merkt hierover op: ‘(Werknemers) zullen in de toekomst steeds minder kunnen vertrouwen op een baan voor het leven. Die baanzekerheid zal daarom moeten worden vervangen door werkzekerheid.‘ En de Raad vervolgt stellig: ‘Doelstellingen zullen moeten worden geformuleerd voor een werkelijkheid waarin arbeidsorganisaties er heel anders uit gaan zien. (…) Van werknemers en van grote en kleine werkgevers zal worden verwacht dat zij zich adequaat aan telkens nieuwe situaties kunnen aanpassen. Daarvoor moeten nieuwe combinaties van flexibiliteit en zekerheid worden ontwikkeld.’

Een belangrijke zin! Hier staat dat het stelsel van sociale zekerheid moet worden aangepast aan een nieuwe werkelijkheid. Uit het rapport blijkt dat deze nieuwe werkelijkheid wordt gekenmerkt door een grote flexibiliteit van bedrijven (arbeidsorganisaties) en werknemers. Bedrijven zullen beschikken over een groot lerend vermogen waarmee zij zich in de toekomst sneller en gemakkelijker kunnen aanpassen aan veranderingen in hun turbulente omgeving. De werknemers van de toekomst zullen beschikken over een grote mate van employability. Zij zijn voortdurend op zoek naar zelfontplooiing en nieuwe uitdagingen, volgen daarom veel scholing en willen uit zichzelf graag regelmatig van baan veranderen.

Het beeld van de Nieuwe arbeidsorganisatie en de Nieuwe werknemer is aantrekkelijk omdat het optimistisch is. Het recente verleden heeft echter de gevaren laten zien die kunnen opdoemen als dergelijke optimistische toekomstvisies tot uitgangspunt van beleid worden gemaakt. Dat was het geval met de Nieuwe economie van de jaren negentig. Er zou een netwerkeconomie ontstaan, gebaseerd op informatie- en communicatietechnologie die de productiviteit zou opstuwen en die de traditionele economische wetten zou veranderen. Schaarste en inflatie leken verdwenen en een daling van de conjunctuur was ondenkbaar geworden. Veel mensen belegden hun spaarcentjes in telecom- en IT-bedrijven om in het begin van de 21e eeuw echter te ontdekken dat de bomen toch niet tot in de hemel groeiden, met allerlei financiële rampen tot gevolg.

Een andere optimistische toekomstvisie die ten grondslag lag aan een desastreus overheidsbeleid, is het Nieuwe leren. Een van de uitgangspunten van deze didactische benadering is dat leerlingen uitstekend in staat zijn zelf kennis en inzichten op te bouwen, voortbouwend op reeds bij hen aanwezige competenties. De traditionele klassikaal lesgevende docenten zijn vervangen door coaches die de leerlingen ondersteunen in hun zoektocht op internet naar nieuwe kennis en inzichten. In deze situatie is ook een eind gekomen aan de ongelijke machtsverhouding tussen de docenten en de leerlingen. Het was te mooi om waar te zijn. Docenten klagen dat zij hun vak niet meer kunnen uitoefenen en leerlingen demonstreren omdat zij geen les meer krijgen. Het niveau van het onderwijs daalt onrustbarend en de Tweede Kamer stelt een parlementair onderzoek in.

De ideeën over de Nieuwe arbeidsorganisatie en de Nieuwe werknemer zijn inspirerend. Maar zijn ze geschikt om er beleid op te baseren? In zijn afscheidscollege heeft de arbeidssocioloog Van Hoof kortgeleden de feiten op een rijtje gezet. Hij constateerde dat er inderdaad ontwikkelingen gaande zijn die duiden op het ontstaan van een nieuw type arbeidsorganisatie en een nieuw type werknemer. Maar die ontwikkelingen zijn niet rechtlijnig, ze verlopen schoksgewijs en bovendien zijn er nog zeer veel ouderwetse organisaties en werknemers. Van Hoof haalde Elias aan, die het als een van de taken van de sociologie beschouwde om mythen door te prikken, en hij vertrouwde zijn gehoor toe in zijn college dit met enig genoegen te hebben gedaan. Zijn boodschap, zowel voor de wetenschap als voor de overheid, was duidelijk: verwar theoretische modellen en ‘Idealtypen’ niet met feitelijkheden; baseer het beleid niet op mythes.

De WRR toont geen spoor van twijfel bij het poneren van een nieuwe werkelijkheid. Het is daarom te hopen dat de waarschuwing van Van Hoof doordringt tot de komende participatietop. De ongelukken die met de Nieuwe economie en het Nieuwe leren zijn gemaakt, zijn al erg genoeg.
 
*********************************
Drs. Theo IJzermans geeft begeleiding bij
persoonlijke ontwikkeling op het werk.
Ga voor informatie naar www.ijzermans.org

© 2007 Ruurd Kunnen meer Ruurd Kunnen - meer "In de polder"
Beschouwingen > In de polder
De mythe van het Nieuwe Ruurd Kunnen
De arbeidsverdeling tussen overleg en vrije meningsuiting
In het Haagse wordt druk onderhandeld over de agenda van de participatietop, het topoverleg over het sociaal-economisch beleid tussen het kabinet, de werkgevers en de werknemers dat in het regeerakkoord is afgesproken. Het heikele punt is of het ontslagrecht een van de onderwerpen zal zijn. De werkgevers staan erop, maar voor de vakbeweging is het onaanvaardbaar. Het kabinet heeft zich nog niet duidelijk uitgesproken, enerzijds vanwege de verschillen van inzicht op dit punt tussen CDA en PvdA, anderzijds om het overleg niet bij voorbaat te laten mislukken.

Het ontslagrecht is in Nederland al vele jaren een punt van discussie. Tegenover de wens van de vakbonden om de baanzekerheid van de werknemers te beschermen, staat de wens van de werkgevers om werknemers gemakkelijker te kunnen ontslaan. Ook de Wetenschappelijke Raad voor het regeringsbeleid heeft zich in de discussie gemengd. In januari heeft hij een advies aan de regering uitgebracht. De rode draad in dat rapport is dat het ontslagrecht moet worden versoepeld.

Terwijl het de vakbeweging en de werkgevers vooral gaat om de directe financiële belangen van respectievelijk de werknemers en de bedrijven, heeft de WRR in de eerste plaats oog voor het functioneren van de arbeidsmarkt en de effecten daarvan op de Nederlandse economie. Een optimale allocatie van arbeid, dat wil zeggen de inschakeling van de meest geschikte arbeidskrachten op de juiste functies, is gebaat bij ruime mogelijkheden om minder geslaagde allocatie teniet te doen, dat wil zeggen de mogelijkheden voor bedrijven om overtollige arbeidskrachten die minder geschikt zijn of zijn geworden, te ontslaan. Een van de positieve gevolgen van een minder stringente ontslagbescherming is volgens de WRR dat het proces van creatieve destructie van arbeidsplaatsen en bedrijven minder belemmeringen in de weg wordt gelegd. Ondernemers hoeven hun geld niet onnodig lang in bestaande productiemiddelen te steken, maar kunnen investeren in productontwikkeling, nieuwe productietechnologie en productieorganisatie.

Een soepeler ontslagrecht kan aldus een gunstig effect hebben op de vitaliteit en de internationale concurrentiekracht van onze kenniseconomie, maar een voorwaarde is wel dat de werknemers meewerken. Voorkomen moet worden dat zij na hun ontslag wegkwijnen in de sociale zekerheid. De WRR merkt hierover op: ‘(Werknemers) zullen in de toekomst steeds minder kunnen vertrouwen op een baan voor het leven. Die baanzekerheid zal daarom moeten worden vervangen door werkzekerheid.‘ En de Raad vervolgt stellig: ‘Doelstellingen zullen moeten worden geformuleerd voor een werkelijkheid waarin arbeidsorganisaties er heel anders uit gaan zien. (…) Van werknemers en van grote en kleine werkgevers zal worden verwacht dat zij zich adequaat aan telkens nieuwe situaties kunnen aanpassen. Daarvoor moeten nieuwe combinaties van flexibiliteit en zekerheid worden ontwikkeld.’

Een belangrijke zin! Hier staat dat het stelsel van sociale zekerheid moet worden aangepast aan een nieuwe werkelijkheid. Uit het rapport blijkt dat deze nieuwe werkelijkheid wordt gekenmerkt door een grote flexibiliteit van bedrijven (arbeidsorganisaties) en werknemers. Bedrijven zullen beschikken over een groot lerend vermogen waarmee zij zich in de toekomst sneller en gemakkelijker kunnen aanpassen aan veranderingen in hun turbulente omgeving. De werknemers van de toekomst zullen beschikken over een grote mate van employability. Zij zijn voortdurend op zoek naar zelfontplooiing en nieuwe uitdagingen, volgen daarom veel scholing en willen uit zichzelf graag regelmatig van baan veranderen.

Het beeld van de Nieuwe arbeidsorganisatie en de Nieuwe werknemer is aantrekkelijk omdat het optimistisch is. Het recente verleden heeft echter de gevaren laten zien die kunnen opdoemen als dergelijke optimistische toekomstvisies tot uitgangspunt van beleid worden gemaakt. Dat was het geval met de Nieuwe economie van de jaren negentig. Er zou een netwerkeconomie ontstaan, gebaseerd op informatie- en communicatietechnologie die de productiviteit zou opstuwen en die de traditionele economische wetten zou veranderen. Schaarste en inflatie leken verdwenen en een daling van de conjunctuur was ondenkbaar geworden. Veel mensen belegden hun spaarcentjes in telecom- en IT-bedrijven om in het begin van de 21e eeuw echter te ontdekken dat de bomen toch niet tot in de hemel groeiden, met allerlei financiële rampen tot gevolg.

Een andere optimistische toekomstvisie die ten grondslag lag aan een desastreus overheidsbeleid, is het Nieuwe leren. Een van de uitgangspunten van deze didactische benadering is dat leerlingen uitstekend in staat zijn zelf kennis en inzichten op te bouwen, voortbouwend op reeds bij hen aanwezige competenties. De traditionele klassikaal lesgevende docenten zijn vervangen door coaches die de leerlingen ondersteunen in hun zoektocht op internet naar nieuwe kennis en inzichten. In deze situatie is ook een eind gekomen aan de ongelijke machtsverhouding tussen de docenten en de leerlingen. Het was te mooi om waar te zijn. Docenten klagen dat zij hun vak niet meer kunnen uitoefenen en leerlingen demonstreren omdat zij geen les meer krijgen. Het niveau van het onderwijs daalt onrustbarend en de Tweede Kamer stelt een parlementair onderzoek in.

De ideeën over de Nieuwe arbeidsorganisatie en de Nieuwe werknemer zijn inspirerend. Maar zijn ze geschikt om er beleid op te baseren? In zijn afscheidscollege heeft de arbeidssocioloog Van Hoof kortgeleden de feiten op een rijtje gezet. Hij constateerde dat er inderdaad ontwikkelingen gaande zijn die duiden op het ontstaan van een nieuw type arbeidsorganisatie en een nieuw type werknemer. Maar die ontwikkelingen zijn niet rechtlijnig, ze verlopen schoksgewijs en bovendien zijn er nog zeer veel ouderwetse organisaties en werknemers. Van Hoof haalde Elias aan, die het als een van de taken van de sociologie beschouwde om mythen door te prikken, en hij vertrouwde zijn gehoor toe in zijn college dit met enig genoegen te hebben gedaan. Zijn boodschap, zowel voor de wetenschap als voor de overheid, was duidelijk: verwar theoretische modellen en ‘Idealtypen’ niet met feitelijkheden; baseer het beleid niet op mythes.

De WRR toont geen spoor van twijfel bij het poneren van een nieuwe werkelijkheid. Het is daarom te hopen dat de waarschuwing van Van Hoof doordringt tot de komende participatietop. De ongelukken die met de Nieuwe economie en het Nieuwe leren zijn gemaakt, zijn al erg genoeg.
 
*********************************
Drs. Theo IJzermans geeft begeleiding bij
persoonlijke ontwikkeling op het werk.
Ga voor informatie naar www.ijzermans.org
© 2007 Ruurd Kunnen
powered by Peppered