archiefvorig nr.lopend nr.

Vermaak en Genot > De wereldliteratuur roept delen printen terug
Buitenechtelijk kamperen (3, slot), fictie Carlo van Praag

1413VG Kamperen3(wat voorafging)
De ik-figuur, Laurens Landman, heeft zijn tent op het kampeerterrein Juttemerduin vast opgezet, maar nog niet betrokken. Hij wordt door de beheerder gebeld met de mededeling dat dit niet is toegestaan en dat zijn tent verwijderd zal worden. Gelukkig is de Ierse werkstudente Eileen Doyle bereid de honneurs tijdelijk waar te nemen. Laurens rijdt haar met zijn 2CV naar het kampeerterrein. Op de terugweg krijgt hij autopech en mist de laatste veerboot.


Ik bereikte de veerhaven net op tijd om de boot te zien wegvaren. Het bleek de laatste van die dag. Wat nu? In de auto de nacht doorbrengen op het lege emplacement? Niet erg aantrekkelijk. Ik moest trouwens Vanessa op de hoogte brengen van mijn rampspoed. Ik keerde de auto en reed terug naar het dorp. Ik parkeerde voor hotel ‘De Branding’, waar wij een keer gegeten hebben en dat sindsdien bij ons ‘De Maagbranding’ heet. Ik meldde mij aan de receptie met de vraag naar een kamer.
‘Sorry meneer, wij zijn volledig bezet. Er is hier een conferentie aan de gang: ambtenaren van een of ander ministerie. Nergens op het eiland is nog plaats.’
‘Een overgebleven hokje met een veldbed misschien?’
Helaas meneer, wij kunnen u niet van dienst zijn.’
‘Ik zou graag even willen telefoneren’.
‘Natuurlijk, neemt u dit toestel maar.’
‘Vanessa was niet ingenomen met het verhaal van mijn wedervaren.
‘Misschien heeft Eileen nog wel een warm plekje voor je’, zei ze en ze hing op.

Een serieuze aanmoediging leek het niet, maar het was wel een bruikbare suggestie. Ik reed het kampeerterrein op en zette de auto in een inham en volgde het smalle voetpaadje naar de duinpan waar de tent zich bevond. Er brandde nog licht.
‘Eileen, Ik ben het, Laurens!’ riep ik. De ingang werd opengeritst en zij verscheen.
‘You’ve come back!’. Zij leek verheugd. Ik legde haar uit dat ik autopech had gekregen en daardoor de laatste veerboot had gemist.
‘Maar jij kan slapen hier. Genoeg plaats in de Albatros en matrassen en sleeping bags. En ik heb nog een klein fles Tullamore Dew, je weet, Ierse whiskey van mijn place of birth. Niet alles slecht in Ierland.’

Tot zover geen probleem. Ook niet met het de voorbereiding van het slapen gaan. De Albatros heeft twee ruime slaapcompartimenten, gescheiden door een ingeritst gordijn. Lichtelijk beneveld door de whiskey kroop ik in mijn slaapzak, riep welterusten naar de andere kant en probeerde aan prettige dingen te denken, hetgeen zoals gewoonlijk niet lukte.
‘Lawrence, slaap je?’
Wat was eenvoudiger geweest dan mij slapend te houden. De mogelijkheid werd mij op een presenteerblaadje aangereikt, maar in plaats daarvan gaf ik antwoord.
‘Ik ben koud’, zei ze.
‘Er is nog wel een extra slaapzak’, zei ik, wetend dat dat niet de oplossing was die zij zocht. Ze kwam met haar hoofd onder het tussengordijn door.
‘We kunnen delen de slaapzakken, we can unzip them and then éen onder en éen boven. Nice and cosy’.
Het zweet brak mij uit bij de gedachte aan haar logge warme lijf tegen mij aangekleefd.
‘Wil je niet?’, vroeg zij.
‘Hoor, Eileen’, zei ik. ‘Ik vind je erg aardig, maar ik ben getrouwd en mijn vrouw en ik houden veel van elkaar. Daarom lijkt het mij geen goed idee’.
Haar hoofd verdween langzaam achter het gordijn. ‘Sorry for asking’, mompelde zij nog.

Tot mijn opluchting hoorde ik haar al spoedig langzaam en diep ademhalen. Kennelijk een goede slaapster. Zelf was ik nog klaarwakker. Ik had nog nooit iemand afgewezen, eenvoudigweg omdat ik nooit in de gelegenheid ben geweest. Afgewezen worden, daarmee heb ik ruime en treurige ervaring. Afwijzen is echter evenmin prettig. Ik was niet trots op mijzelf, te meer daar ik eigenlijk niet te goed ben voor overspel, mits de partner aantrekkelijk genoeg is.

Ik miste een comfortabel hoofdkussen, het luchtbed kwam niet tot rust en ik had mijn tanden niet kunnen poetsen. De slaapzak belemmerde mijn bewegingen. Ik heb toch nog wat geslapen, maar was om half zes wakker door het gekrijs van de meeuwen, waarvan er een op de tent was geland en zich met veel geschraap van zijn poten over het canvas verplaatste. Ik moest plassen. Al met al houd ik niet van kamperen. Ik vind het leuk om de auto zo compact mogelijk te beladen en ik vind het ook leuk om de tent op te zetten. Normaal gesproken ga ik daarna met de kinderen het strand op om wrakhout te verzamelen en daarvan met behulp van een roestige zaag, een hamer, een nijptang en wat uit het wrakhout gewonnen spijkers een tafel te maken en een paar bankjes. Maar het eigenlijke kamperen is aan mij niet besteed. Je uit je slaapzak wurmen om ’s nachts met een lantarentje naar de uitgang te kruipen en dan blootsvoets door het natte gras naar een betonnen toilethuis te moeten struikelen, ik vind het behelpen. En dan heb ik het nog niet over hardnekkige regen, was die niet wil drogen en onder die omstandigheden de kinderen moeten vermaken. En ik wil wel koken, maar dan met een vierpits bij een echt aanrecht. Ik bied mij altijd aan om boodschappen te doen met de bolderwagen om even van dat vouwstoeltje af te mogen. Zodra ik in het dorp ben, koop ik de Volkskrant en nestel me in de tearoom waar ik koffie met gebak bestel en van de schone inpandige WC gebruik maak. Wat een welbehagen. Niks minder dan thuis, denk ik dan.

Ik nam mijn kleren en schoenen onder de arm, opende zo zacht mogelijk de rits en liep huiverend in mijn ondergoed naar het toilethuis. De camping was nog schaars bezet en in dit uur doodstil. Ik spoelde mijn gezicht af, kleedde mij aan en begaf mij naar de auto. Er was nog geen verkeer op de weg en ik was ruimschoots op tijd voor de eerste boot. Aan boord nam ik koffie en een broodje. Ik vervolgde mijn reis met de 2CV en ondanks de tegenwind was ik nog voor de spits in de Randstad. Ik had helemaal geen haast om thuis te komen, want ik zag op tegen de confrontatie met Vanessa. Ongetwijfeld zou zij mij van ontrouw beschuldigen en ik gaf haar geen ongelijk. Ik had alle schijn tegen. Ik trof haar en de kinderen aan het ontbijt en tot zover leek er niets aan de hand. Zodra de kinderen naar school waren, was de stemming om te snijden. Zij kwam niet los met verwijten, waartegen ik mij had kunnen verweren; zij zweeg mij eenvoudigweg dood. Dat heeft vier dagen geduurd. Zij sliep natuurlijk apart. Daarna draaide zij langzaam bij en ten slotte scheen zij mijn verhaal over de gedwongen overnachting met Eileen zelfs te geloven. Of zij gaf er de voorkeur aan dat te doen.

Na een week vertrokken wij met de kinderen naar Juttum en losten Eileen af. Onze kampeervakantie begon waar de hare eindigde. De kennismaking leek Vanessa’s laatste wantrouwen weg te nemen en zij vroeg Eileen zelfs nog een paar dagen te blijven. We zouden allemaal wat opschikken.

Drie weken later, terug op kantoor, liep ik bij Eileen binnen. Zij zat met haar rug naar mij toe aan de telefoon en ik hoorde haar zeggen: ‘No, nothing happened, he’s a real saint. Didn’t want to cheat on his wife.‘

En zo werd ik in de zomer van 1971 eerst ten onrechte verguisd en vervolgens ten onrechte geprezen. Alles weer in balans. Is het leven niet prachtig!

-----
De tekening is van Linda Hulshof
Meer informatie op:www.lindahulshof.nl

© 2017 Carlo van Praag meer Carlo van Praag - meer "De wereldliteratuur roept"
Vermaak en Genot > De wereldliteratuur roept
Buitenechtelijk kamperen (3, slot), fictie Carlo van Praag
1413VG Kamperen3(wat voorafging)
De ik-figuur, Laurens Landman, heeft zijn tent op het kampeerterrein Juttemerduin vast opgezet, maar nog niet betrokken. Hij wordt door de beheerder gebeld met de mededeling dat dit niet is toegestaan en dat zijn tent verwijderd zal worden. Gelukkig is de Ierse werkstudente Eileen Doyle bereid de honneurs tijdelijk waar te nemen. Laurens rijdt haar met zijn 2CV naar het kampeerterrein. Op de terugweg krijgt hij autopech en mist de laatste veerboot.


Ik bereikte de veerhaven net op tijd om de boot te zien wegvaren. Het bleek de laatste van die dag. Wat nu? In de auto de nacht doorbrengen op het lege emplacement? Niet erg aantrekkelijk. Ik moest trouwens Vanessa op de hoogte brengen van mijn rampspoed. Ik keerde de auto en reed terug naar het dorp. Ik parkeerde voor hotel ‘De Branding’, waar wij een keer gegeten hebben en dat sindsdien bij ons ‘De Maagbranding’ heet. Ik meldde mij aan de receptie met de vraag naar een kamer.
‘Sorry meneer, wij zijn volledig bezet. Er is hier een conferentie aan de gang: ambtenaren van een of ander ministerie. Nergens op het eiland is nog plaats.’
‘Een overgebleven hokje met een veldbed misschien?’
Helaas meneer, wij kunnen u niet van dienst zijn.’
‘Ik zou graag even willen telefoneren’.
‘Natuurlijk, neemt u dit toestel maar.’
‘Vanessa was niet ingenomen met het verhaal van mijn wedervaren.
‘Misschien heeft Eileen nog wel een warm plekje voor je’, zei ze en ze hing op.

Een serieuze aanmoediging leek het niet, maar het was wel een bruikbare suggestie. Ik reed het kampeerterrein op en zette de auto in een inham en volgde het smalle voetpaadje naar de duinpan waar de tent zich bevond. Er brandde nog licht.
‘Eileen, Ik ben het, Laurens!’ riep ik. De ingang werd opengeritst en zij verscheen.
‘You’ve come back!’. Zij leek verheugd. Ik legde haar uit dat ik autopech had gekregen en daardoor de laatste veerboot had gemist.
‘Maar jij kan slapen hier. Genoeg plaats in de Albatros en matrassen en sleeping bags. En ik heb nog een klein fles Tullamore Dew, je weet, Ierse whiskey van mijn place of birth. Niet alles slecht in Ierland.’

Tot zover geen probleem. Ook niet met het de voorbereiding van het slapen gaan. De Albatros heeft twee ruime slaapcompartimenten, gescheiden door een ingeritst gordijn. Lichtelijk beneveld door de whiskey kroop ik in mijn slaapzak, riep welterusten naar de andere kant en probeerde aan prettige dingen te denken, hetgeen zoals gewoonlijk niet lukte.
‘Lawrence, slaap je?’
Wat was eenvoudiger geweest dan mij slapend te houden. De mogelijkheid werd mij op een presenteerblaadje aangereikt, maar in plaats daarvan gaf ik antwoord.
‘Ik ben koud’, zei ze.
‘Er is nog wel een extra slaapzak’, zei ik, wetend dat dat niet de oplossing was die zij zocht. Ze kwam met haar hoofd onder het tussengordijn door.
‘We kunnen delen de slaapzakken, we can unzip them and then éen onder en éen boven. Nice and cosy’.
Het zweet brak mij uit bij de gedachte aan haar logge warme lijf tegen mij aangekleefd.
‘Wil je niet?’, vroeg zij.
‘Hoor, Eileen’, zei ik. ‘Ik vind je erg aardig, maar ik ben getrouwd en mijn vrouw en ik houden veel van elkaar. Daarom lijkt het mij geen goed idee’.
Haar hoofd verdween langzaam achter het gordijn. ‘Sorry for asking’, mompelde zij nog.

Tot mijn opluchting hoorde ik haar al spoedig langzaam en diep ademhalen. Kennelijk een goede slaapster. Zelf was ik nog klaarwakker. Ik had nog nooit iemand afgewezen, eenvoudigweg omdat ik nooit in de gelegenheid ben geweest. Afgewezen worden, daarmee heb ik ruime en treurige ervaring. Afwijzen is echter evenmin prettig. Ik was niet trots op mijzelf, te meer daar ik eigenlijk niet te goed ben voor overspel, mits de partner aantrekkelijk genoeg is.

Ik miste een comfortabel hoofdkussen, het luchtbed kwam niet tot rust en ik had mijn tanden niet kunnen poetsen. De slaapzak belemmerde mijn bewegingen. Ik heb toch nog wat geslapen, maar was om half zes wakker door het gekrijs van de meeuwen, waarvan er een op de tent was geland en zich met veel geschraap van zijn poten over het canvas verplaatste. Ik moest plassen. Al met al houd ik niet van kamperen. Ik vind het leuk om de auto zo compact mogelijk te beladen en ik vind het ook leuk om de tent op te zetten. Normaal gesproken ga ik daarna met de kinderen het strand op om wrakhout te verzamelen en daarvan met behulp van een roestige zaag, een hamer, een nijptang en wat uit het wrakhout gewonnen spijkers een tafel te maken en een paar bankjes. Maar het eigenlijke kamperen is aan mij niet besteed. Je uit je slaapzak wurmen om ’s nachts met een lantarentje naar de uitgang te kruipen en dan blootsvoets door het natte gras naar een betonnen toilethuis te moeten struikelen, ik vind het behelpen. En dan heb ik het nog niet over hardnekkige regen, was die niet wil drogen en onder die omstandigheden de kinderen moeten vermaken. En ik wil wel koken, maar dan met een vierpits bij een echt aanrecht. Ik bied mij altijd aan om boodschappen te doen met de bolderwagen om even van dat vouwstoeltje af te mogen. Zodra ik in het dorp ben, koop ik de Volkskrant en nestel me in de tearoom waar ik koffie met gebak bestel en van de schone inpandige WC gebruik maak. Wat een welbehagen. Niks minder dan thuis, denk ik dan.

Ik nam mijn kleren en schoenen onder de arm, opende zo zacht mogelijk de rits en liep huiverend in mijn ondergoed naar het toilethuis. De camping was nog schaars bezet en in dit uur doodstil. Ik spoelde mijn gezicht af, kleedde mij aan en begaf mij naar de auto. Er was nog geen verkeer op de weg en ik was ruimschoots op tijd voor de eerste boot. Aan boord nam ik koffie en een broodje. Ik vervolgde mijn reis met de 2CV en ondanks de tegenwind was ik nog voor de spits in de Randstad. Ik had helemaal geen haast om thuis te komen, want ik zag op tegen de confrontatie met Vanessa. Ongetwijfeld zou zij mij van ontrouw beschuldigen en ik gaf haar geen ongelijk. Ik had alle schijn tegen. Ik trof haar en de kinderen aan het ontbijt en tot zover leek er niets aan de hand. Zodra de kinderen naar school waren, was de stemming om te snijden. Zij kwam niet los met verwijten, waartegen ik mij had kunnen verweren; zij zweeg mij eenvoudigweg dood. Dat heeft vier dagen geduurd. Zij sliep natuurlijk apart. Daarna draaide zij langzaam bij en ten slotte scheen zij mijn verhaal over de gedwongen overnachting met Eileen zelfs te geloven. Of zij gaf er de voorkeur aan dat te doen.

Na een week vertrokken wij met de kinderen naar Juttum en losten Eileen af. Onze kampeervakantie begon waar de hare eindigde. De kennismaking leek Vanessa’s laatste wantrouwen weg te nemen en zij vroeg Eileen zelfs nog een paar dagen te blijven. We zouden allemaal wat opschikken.

Drie weken later, terug op kantoor, liep ik bij Eileen binnen. Zij zat met haar rug naar mij toe aan de telefoon en ik hoorde haar zeggen: ‘No, nothing happened, he’s a real saint. Didn’t want to cheat on his wife.‘

En zo werd ik in de zomer van 1971 eerst ten onrechte verguisd en vervolgens ten onrechte geprezen. Alles weer in balans. Is het leven niet prachtig!

-----
De tekening is van Linda Hulshof
Meer informatie op:www.lindahulshof.nl
© 2017 Carlo van Praag
powered by CJ2