archiefvorig nr.lopend nr.

Vermaak en Genot > De wereldliteratuur roept delen printen terug
Het Zuid-Hollands volkslied (1) Carlo van Praag

1220VG Zuid HollandIk ben een concentraat van psychisch ongerief: depressie, compulsies, fobieën, ik heb ze allemaal. Ik heb mijn psychiater in de dienst zien vergrijzen bij zijn talrijke pogingen om mij uit mijn geestelijke lappenmand te halen, tot ten slotte de berusting zich van hem meester maakte en hij zich beperkte tot de verstrekking van een receptje, dat hij voor de vorm nog inleidt met een klein ritueel consult.

Onder mijn talrijke fobieën bevindt zich een uiterst zeldzame variant van agorafobie die niet eens een naam draagt en die ik zelf maar exofobie heb gedoopt. Mijn kennis van de klassieke talen is niet toereikend voor een meer specifieke aanduiding. Waar het om gaat is dat ik mij niet buiten de grenzen van de provincie Zuid-Holland durf te begeven. Normaal gesproken hoeft dat ook niet. Ik ken weinig mensen buiten de provincie. Ik ken überhaupt bijna niemand, want ik lijd aan sociale angst. Het treft dus dat mijn psychiater is gevestigd in Leiden, terwijl ik zelf in Alphen woon, Alphen a/d Rijn bedoel ik, bekend van allerlei rampen die mij, moet ik zeggen, wel erg nerveus maken, maar verhuizen is voor mij geen optie, want tegen grote veranderingen ben ik niet bestand. En hier ken ik de apotheek en weet wanneer het daar rustig is. Ik kan er namelijk niet goed tegen als mijn naam, ten overstaan van een schare toehoorders, wordt omgeroepen ten teken dat ik mijn medicijn bij de balie kan halen.

Bij het laatste consult kwam mijn psychiater met een verpletterende mededeling: hij ging verhuizen en hij zou zich vestigen in, o gruwel,  Amsterdam, buiten de provincie dus, en ook nog een vreselijke stad. Dat had ik van horen zeggen, want ik was er nog nooit geweest.
‘Zou dat niet een mooie aanleiding zijn om de therapie te beëindigen?’ zei mijn psychiater. Hij zag mijn ontsteltenis en zei vergoelijkend.
 ‘Ik kan u ook natuurlijk ook aan een collega overdragen. Ik heb er wel één in gedachten: een heel aardige vrouw hoor, met veel begrip en geduld’.
‘Maar aan u ben ik gewend’. Het kwam er uit als een snik.
Hij zuchtte. ‘Wat mij betreft … nou ja, blijft u gerust komen, maar u zult zich dan ten minste over één van uw angsten heen moeten zetten. Kunt u dat?’
‘Hoe dan?’ vroeg ik.
‘Tja, dat zult u met uzelf moeten uitvechten … ik bedoel … ik zal erover nadenken. Ik schrijf even een recept. Ik zie u in elk geval volgende week nog hier in Leiden. Intussen het beste hoor!’

Een heel eind fietsen naar Amsterdam, maar ik reis nu eenmaal niet graag met het openbaar vervoer tussen al die mensen en ook de snelheid van een trein of bus maakt mij onbehaaglijk. Daarom heb ik ook nooit leren autorijden. Ik heb trouwens geen geld voor een auto, want ik ben al heel lang arbeidsongeschikt.
Ik was vroeg opgestaan, wat voor mij geen probleem is, want vanaf een uur of vier ’s ochtends doe ik toch al geen oog meer dicht. Ik ben een goede fietser en geef er niet om als het regent of waait. Ik heb toch ook mijn sthenische kantjes. Wel ben ik bang dat ik, aangekomen op mijn bestemming bezweet ben en riek, maar mijn psychiater heeft mij bezworen dat er niets aan de hand is en dat ik mijn windjack echt niet aan hoef te houden tijdens het consult.

Ik had een tabletje geslikt en tot zover ging alles goed. Maar ik was dan ook pas in Ter Aar. Bij Nieuwveen echter kwam de provinciegrens al dichterbij en bij Vrouwenakker brak mij het zweet uit, hoewel de temperatuur tegen het vriespunt aanzat. Ik had hartkloppingen, duizelingen en mijn benen weigerden dienst. Alleen nog maar gedreven door de wind ging ik freewheelend de provinciegrens over. Ik hoorde mijzelf kreunen. Het gekreun kreeg als vanzelf een melodisch karakter en tot mijn verbazing hoorde ik mijzelf het Zuid-Hollandse volkslied neuriën. Ik vatte weer een beetje moed en begon met beverige stem te zingen:

Zuid-Holland met je weiden en 't grazende vee,
Je molens, je duinen, je strand en je zee,
Je plassen en meren, aan schoonheid zo rijk,
Je grote rivieren, betoomd door de dijk,
Je akkers met graan, waar de wind overgaat,
Je bloembollenvelden in kleurig gewaad!
Aan jou o, Zuid-Holland, mijn heerlijk land, mijn heerlijk land,
Aan jou o, Zuid-Holland, heb ik mijn hart verpand!


Mijn stem werd als vanzelf krachtiger en ik bracht de pedalen weer in beweging. Nog steeds zingend passeerde ik De Kwakel, een tijd later Bovenkerk en toen ik het Amsterdamse Bos binnenreed zong ik uit volle borst, een glimlach ontlokkend aan de enkele fietser die ik tegenkwam. Ik voegde een refrein toe aan het volkslied:

Tussen Hillegom en Goederee
Tussen Woerden en de zee
Daar ligt mijn land, mijn Zuid-Holland
Aan jou heb ik mijn hart verpand.


Ik raadpleegde mijn kaart en immer zingend bereikte ik de Hobbemakade, mijn einddoel.

‘Het is u gelukt’ zei mijn psychiater. ‘Bravo! Hoe hebt u het klaargespeeld?’
Ik vertelde hem de toedracht.
‘Interessant’, zei hij, ‘ik wist niet eens dat het bestond, het Zuid-Hollandse volkslied’.
‘Zal ik het voor u zingen?’ Verbijsterd hoorde ik dat dit mijn eigen stem was. Ik zette in en merkte dat het goed ging. Opperste verbazing tekende zich op zijn gezicht af.
‘Geweldig’, zei hij. ‘U hebt een heel aardige stem. Echt iets om meer mee te doen. En wat een zelfvertrouwen ineens. Staan wij aan het begin van een doorbraak? U moet blijven komen. Hieraan moeten wij verder werken’.

Ik bleef komen en menige passant in Amsterdam-Zuid maakte kennis met het Zuid-Hollandse volkslied. Op aanraden van de psychiater gaf ik mij op voor zangles en mijn juf haalde mij over lid te worden van ‘Ark’, het ‘Alphens Rijnlandkoor’ dat ook buiten de regio een zekere vermaardheid geniet. Dat betekende sociaal contact. Dat verloopt nog steeds moeizaam, maar zodra wij gaan zingen, voel ik mij rustig en zelfs opperbest. Binnenkort mag ik enkele solopartijen doen.

Mijn exofobie is over. Wij, de psychiater en ik, werken nu aan de sociale angst, mijn angst voor vrouwen en mijn smetvrees. Wij staan nog aan het begin, maar er is hoop. Ik loop al tegen de vijftig, maar desondanks. Er is hoop.

Zuid-Hollands Volkslied 
(Met dank aan Willem Minderhout)

-------------------------------------------------
Het plaatje is gemaakt door Henk Klaren
--------------------------------------------------
Bestel uw boeken, CD's en nog veel meer
bij bolcom, via de banner rechts.
Dan steunt u De Leunstoel!


© 2015 Carlo van Praag meer Carlo van Praag - meer "De wereldliteratuur roept"
Vermaak en Genot > De wereldliteratuur roept
Het Zuid-Hollands volkslied (1) Carlo van Praag
1220VG Zuid HollandIk ben een concentraat van psychisch ongerief: depressie, compulsies, fobieën, ik heb ze allemaal. Ik heb mijn psychiater in de dienst zien vergrijzen bij zijn talrijke pogingen om mij uit mijn geestelijke lappenmand te halen, tot ten slotte de berusting zich van hem meester maakte en hij zich beperkte tot de verstrekking van een receptje, dat hij voor de vorm nog inleidt met een klein ritueel consult.

Onder mijn talrijke fobieën bevindt zich een uiterst zeldzame variant van agorafobie die niet eens een naam draagt en die ik zelf maar exofobie heb gedoopt. Mijn kennis van de klassieke talen is niet toereikend voor een meer specifieke aanduiding. Waar het om gaat is dat ik mij niet buiten de grenzen van de provincie Zuid-Holland durf te begeven. Normaal gesproken hoeft dat ook niet. Ik ken weinig mensen buiten de provincie. Ik ken überhaupt bijna niemand, want ik lijd aan sociale angst. Het treft dus dat mijn psychiater is gevestigd in Leiden, terwijl ik zelf in Alphen woon, Alphen a/d Rijn bedoel ik, bekend van allerlei rampen die mij, moet ik zeggen, wel erg nerveus maken, maar verhuizen is voor mij geen optie, want tegen grote veranderingen ben ik niet bestand. En hier ken ik de apotheek en weet wanneer het daar rustig is. Ik kan er namelijk niet goed tegen als mijn naam, ten overstaan van een schare toehoorders, wordt omgeroepen ten teken dat ik mijn medicijn bij de balie kan halen.

Bij het laatste consult kwam mijn psychiater met een verpletterende mededeling: hij ging verhuizen en hij zou zich vestigen in, o gruwel,  Amsterdam, buiten de provincie dus, en ook nog een vreselijke stad. Dat had ik van horen zeggen, want ik was er nog nooit geweest.
‘Zou dat niet een mooie aanleiding zijn om de therapie te beëindigen?’ zei mijn psychiater. Hij zag mijn ontsteltenis en zei vergoelijkend.
 ‘Ik kan u ook natuurlijk ook aan een collega overdragen. Ik heb er wel één in gedachten: een heel aardige vrouw hoor, met veel begrip en geduld’.
‘Maar aan u ben ik gewend’. Het kwam er uit als een snik.
Hij zuchtte. ‘Wat mij betreft … nou ja, blijft u gerust komen, maar u zult zich dan ten minste over één van uw angsten heen moeten zetten. Kunt u dat?’
‘Hoe dan?’ vroeg ik.
‘Tja, dat zult u met uzelf moeten uitvechten … ik bedoel … ik zal erover nadenken. Ik schrijf even een recept. Ik zie u in elk geval volgende week nog hier in Leiden. Intussen het beste hoor!’

Een heel eind fietsen naar Amsterdam, maar ik reis nu eenmaal niet graag met het openbaar vervoer tussen al die mensen en ook de snelheid van een trein of bus maakt mij onbehaaglijk. Daarom heb ik ook nooit leren autorijden. Ik heb trouwens geen geld voor een auto, want ik ben al heel lang arbeidsongeschikt.
Ik was vroeg opgestaan, wat voor mij geen probleem is, want vanaf een uur of vier ’s ochtends doe ik toch al geen oog meer dicht. Ik ben een goede fietser en geef er niet om als het regent of waait. Ik heb toch ook mijn sthenische kantjes. Wel ben ik bang dat ik, aangekomen op mijn bestemming bezweet ben en riek, maar mijn psychiater heeft mij bezworen dat er niets aan de hand is en dat ik mijn windjack echt niet aan hoef te houden tijdens het consult.

Ik had een tabletje geslikt en tot zover ging alles goed. Maar ik was dan ook pas in Ter Aar. Bij Nieuwveen echter kwam de provinciegrens al dichterbij en bij Vrouwenakker brak mij het zweet uit, hoewel de temperatuur tegen het vriespunt aanzat. Ik had hartkloppingen, duizelingen en mijn benen weigerden dienst. Alleen nog maar gedreven door de wind ging ik freewheelend de provinciegrens over. Ik hoorde mijzelf kreunen. Het gekreun kreeg als vanzelf een melodisch karakter en tot mijn verbazing hoorde ik mijzelf het Zuid-Hollandse volkslied neuriën. Ik vatte weer een beetje moed en begon met beverige stem te zingen:

Zuid-Holland met je weiden en 't grazende vee,
Je molens, je duinen, je strand en je zee,
Je plassen en meren, aan schoonheid zo rijk,
Je grote rivieren, betoomd door de dijk,
Je akkers met graan, waar de wind overgaat,
Je bloembollenvelden in kleurig gewaad!
Aan jou o, Zuid-Holland, mijn heerlijk land, mijn heerlijk land,
Aan jou o, Zuid-Holland, heb ik mijn hart verpand!


Mijn stem werd als vanzelf krachtiger en ik bracht de pedalen weer in beweging. Nog steeds zingend passeerde ik De Kwakel, een tijd later Bovenkerk en toen ik het Amsterdamse Bos binnenreed zong ik uit volle borst, een glimlach ontlokkend aan de enkele fietser die ik tegenkwam. Ik voegde een refrein toe aan het volkslied:

Tussen Hillegom en Goederee
Tussen Woerden en de zee
Daar ligt mijn land, mijn Zuid-Holland
Aan jou heb ik mijn hart verpand.


Ik raadpleegde mijn kaart en immer zingend bereikte ik de Hobbemakade, mijn einddoel.

‘Het is u gelukt’ zei mijn psychiater. ‘Bravo! Hoe hebt u het klaargespeeld?’
Ik vertelde hem de toedracht.
‘Interessant’, zei hij, ‘ik wist niet eens dat het bestond, het Zuid-Hollandse volkslied’.
‘Zal ik het voor u zingen?’ Verbijsterd hoorde ik dat dit mijn eigen stem was. Ik zette in en merkte dat het goed ging. Opperste verbazing tekende zich op zijn gezicht af.
‘Geweldig’, zei hij. ‘U hebt een heel aardige stem. Echt iets om meer mee te doen. En wat een zelfvertrouwen ineens. Staan wij aan het begin van een doorbraak? U moet blijven komen. Hieraan moeten wij verder werken’.

Ik bleef komen en menige passant in Amsterdam-Zuid maakte kennis met het Zuid-Hollandse volkslied. Op aanraden van de psychiater gaf ik mij op voor zangles en mijn juf haalde mij over lid te worden van ‘Ark’, het ‘Alphens Rijnlandkoor’ dat ook buiten de regio een zekere vermaardheid geniet. Dat betekende sociaal contact. Dat verloopt nog steeds moeizaam, maar zodra wij gaan zingen, voel ik mij rustig en zelfs opperbest. Binnenkort mag ik enkele solopartijen doen.

Mijn exofobie is over. Wij, de psychiater en ik, werken nu aan de sociale angst, mijn angst voor vrouwen en mijn smetvrees. Wij staan nog aan het begin, maar er is hoop. Ik loop al tegen de vijftig, maar desondanks. Er is hoop.

Zuid-Hollands Volkslied 
(Met dank aan Willem Minderhout)

-------------------------------------------------
Het plaatje is gemaakt door Henk Klaren
--------------------------------------------------
Bestel uw boeken, CD's en nog veel meer
bij bolcom, via de banner rechts.
Dan steunt u De Leunstoel!
© 2015 Carlo van Praag
powered by CJ2