archiefvorig nr.lopend nr.

Vermaak en Genot > De wereldliteratuur roept delen printen terug
Op zoek (2), fictie Carlo van Praag

1215VG Op zoekWat vooraf ging:
De ik-figuur neemt deel aan het winterkamp van de christelijke jongerenvereniging om Stella, zijn geheime aanbedene, daar te ontmoeten en haar zijn liefde te verklaren. Het winterkamp wordt gehouden in een voormalig klooster. Stella blijkt er evenwel niet te zijn. Het verblijf in het winterkamp wordt daarmee zinloos en alles daar staat hem tegen. Hij kent niemand van het gezelschap, behalve Iris die hij kort na aankomst heeft ontmoet.

Ik deed mee met de nachtwandeling. De groep raakte al gauw gefragmenteerd en ik wist niet bij wie ik me moest aansluiten. Iris was niet onder de deelnemers en verder kende ik nog steeds niemand. Eigen schuld. Had ik maar mee moeten doen met het middagprogramma: discussie in groepen over het thema ‘Christendom en politiek’. In plaats daarvan had ik mij teruggetrokken tussen de kraaldelen van mijn slaapcompartiment en had de tijd gekort met lezen. Ik zwierf van het ene gezelschap naar het andere, maar ten slotte raakten de groepjes te ver uiteen en moest ik een keuze gaan maken. Ik haalde een viertal in dat voor mij liep.

‘Hallo’, zei ik.
Mijn groet werd niet beantwoord. Het waren twee stellen die kennelijk geen behoefte hadden aan meer gezelschap. We liepen zwijgend voort. Ik kon ten minste profiteren van het licht van hun zaklantaarns, maar na een tijdje voelde ik mij zo opgelaten in deze zwijgende processie dat ik de pas er maar in zette en het groepje achter mij liet. Het werd meteen een stuk donkerder zonder het licht van hun lantaarns, maar  het pad tekende zich nog duidelijk genoeg af in het schijnsel van de maan. Ik had een kwartier, misschien wat langer, gelopen maar had nog steeds de voorhoede van het wandelgezelschap niet bereikt. Ik versnelde mijn pas. Was daar niet het geluid van stemmen? Ik zette een draf in en ging onderuit.

De boomwortel die mij had doen struikelen, haakte nog steeds achter mijn voet, maar ik merkte dat pas bij het overeind komen. Mijn enkel raakte in een gemene draai. De scherpe pijn voorspelde weinig goeds. Ik strompelde voort. De pijn werd er niet minder op en het tempo was er helemaal uit. Ik stopte, deed mijn sjaal af en fixeerde daarmee zo goed mogelijk mijn geblesseerde enkel. Het leek mij het beste om de terugweg te aanvaarden. Ik zwoegde verder en vond een stevige tak die mij tot wandelstok kon dienen. Het ging nu beter. Ik bereikte een splitsing die ik op de heenweg niet had opgemerkt en vroeg mij af langs welk pad ik was gekomen. Ik wachtte op de wandelaars die ik achter mij had gelaten. Al gauw verschenen de twee paren waarvan ik mij eerder had losgemaakt. Ik keek in het licht van hun lantaarns.

‘Wat is er gebeurd?’ vroeg er een. ‘Je knie ligt open’. Nu pas zag ik dat de enkel niet mijn enige blessure was.
‘Gevallen. Ik ga maar weer terug.’
‘Lukt dat alleen? Heb je hulp nodig?’
‘Nee, dank je, het is niet ver toch?’
‘Een uurtje ongeveer. Het beste dan maar en tot later.’
Ik volgde het pad waarover zij waren gekomen. Zij waren bij nader inzien toch niet zo afwijzend en ik putte moed uit hun medeleven. Ik kwam redelijk snel vooruit, maar een nieuw dilemma deed zich voor: weer een splitsing die mij op de heenweg was ontgaan. Ik besloot te wachten op het volgende groepje, maar dat verscheen niet, ook niet na een kwartier. Ik moest kiezen en nam het pad waarvan ik dacht dat het in de richting van de klootjesdrogerij liep. Ik liep een half uur, een uur, maar ik kwam niet op bekend terrein. Het pad ging ineens vrij steil omhoog, ik hoorde in de diepte een beekje en nu wist ik zeker dat ik was verdwaald. Ik liep door. Ik was in een Nederlands bos en niet in de Karpaten. De uitgang, een fietspad, een weg, een dorp, ergens moest ik binnen redelijke tijd uitkomen. De maan verdween achter de wolken en het werd nu wel erg donker. Ik raakte een paar keer in de berm en verloor ten slotte het pad helemaal. Het was diep in de nacht, ik was uitgeput, mijn enkel speelde op en ik trok mijn conclusie. Ik begon takken te verzamelen en op de grond uit te spreiden en bouwde een soort van legerstede. Ik was hier geruime tijd mee bezig want bij gebrek aan zicht moest het grotendeels op de tast. Al hout verzamelend verwijderde ik mij enkele keren ook te ver van het bouwsel en vond het slechts met moeite terug.

Ik trok mijn montycoat goed om mij heen, zette de capuchon op en liet mij op mijn gesprokkelde matras zakken. Deze gaf met veel gekraak toe aan de last. De steun van de takken was erg ongelijkmatig en ik kwam niet in balans. Ik stond weer op en trapte, leunend op mijn wandelstok, in het midden van mijn sponde een kuil ruwweg in de vorm van een menselijk lichaam. Nieuwe poging. Ik lag nu beter en kon mij geheel en al concentreren op de volgende ontbering: het gebrek aan warmte. Voor de tijd van het jaar was het niet koud, een graad of vijf schat ik, maar bewegingloos en zonder dek verkleum je in een paar minuten. Ik deed dan ook geen oog dicht en stond een paar keer weer op om mijzelf door veel armgezwaai enigszins op te warmen. Ik hoopte op de terugkomst van de maan, maar die liet zich niet meer zien. Ik moet uiteindelijk toch in slaap zijn gevallen, want mijn horloge wees ineens half zes aan. De kou drong me door merg en been. Ik wilde overeind komen, maar was volkomen verstijfd. Ik moest desondanks opstaan, want het begon te motregenen. Schuilend onder het gebladerte  wachtte ik de komst van het licht af.

Het klaarde op en bomen begonnen zich af te tekenen tegen het vale ochtendlicht. Op het gehoor daalde ik af in de richting van het beekje. Ik zag het water glinsteren en ik vond een pad dat langs de oever liep. Ik liep stroomafwaarts en in minder dan een kwartier bereikte ik een asfaltweggetje met zo waar een richtingaanwijzer in de vorm van een paddenstoel. Anderhalve kilometer naar het dorp en dan was het hooguit nog een kilometer naar de klootjesdrogerij. Gered!
Ik arriveerde om kwart over zeven bij de poort van het gebouw, maar die was gesloten. Er was een bel. Na geruime tijd hoorde ik het grind knarsen en werd de sleutel rondgedraaid.

‘Wat wilt u?’ vroeg de vrouw met het schort. ‘We zijn nog niet open en bovendien hebben we een groep in huis. Het is allemaal bezet’. ‘Ik hoor bij die groep’. Ik vertelde wat mij was overkomen. De poort zwaaide verder open. ‘Kom mee’, zei ze. Ze bracht me naar de keuken en schonk een grote mok hete thee voor mij in.
‘Overnachten in het bos, midden in de winter, toe maar! Je zult wel helemaal verkleumd zijn. Boterhammetje erbij? Vanmiddag komt toevallig de dokter hierlangs voor een collegaatje. Een jodenman, dat wel, maar een goeie dokter hoor. Heeft veel verstand van ziektes. Kan je naar die enkel laten kijken. Zal ik een eitje voor je bakken?’
In de warmte van die grote, ouderwetse keuken, ineens omringd door goede zorgen en geruststellend gebabbel, begon ik te dommelen.
‘Ik zou maar naar boven gaan, nog even slapen. Het programma begint pas om half tien.’

Iedereen sliep nog. Ik zocht mijn compartiment op, pakte toiletgerei uit mijn weekendtas en begaf mij naar de wasruimte. Ik poetste mijn tanden, deed mijn overhemd uit en waste mij bij een van de kranen. Alleen koud water natuurlijk. Ik had mijn handdoek vergeten en liep terug naar de slaapzaal. In de gang botste ik bijna tegen Iris op. Ze was in nachthemd en op blote voeten.
‘Call of nature,’ legde ze uit. ‘Zo, jij mag er wezen.’
Ik begreep wat zij bedoelde. Ik ben groot en atletisch gebouwd. Men houdt mij voor een sportman, terwijl ik sport verafschuw en er nooit vrijwillig aan heb deelgenomen.
‘Hoe bedoel je?’ vroeg ik.
‘Nou, fors van tors, zal ik maar zeggen.’
‘En dan heb je de rest nog niet gezien,’ flapte ik eruit.
‘Geen behoefte aan,’ zei ze en vervolgde haar weg.
Dat is het nu met mij. Altijd verlegen, altijd mijn mond vol tanden en als ik dan eens een gevatte opmerking heb, is het tegen de verkeerde persoon of op het verkeerde moment. Ik kleedde mij aan, pakte mijn tas en daalde af. In de keuken klonk nu geroezemoes. Ik verliet het gebouw. De poort was open. Ik wachtte drie kwartier op de bus naar het station en nog een half uur later zat ik in de sneltrein (thans intercity genaamd) naar het westen.

Ik heb enkele jaren later Stella toch nog ontmoet en ben met haar getrouwd. We zijn heel snel weer gescheiden, gelukkig kinder- en hypotheekloos. En wat mijzelf aangaat schuldloos ook, zou ik eraan toe willen voegen.

Ik ben nu vrij man en al lang niet meer verlegen. Als ik behoefte heb aan vrouwelijk gezelschap ga ik op jacht. Ik zoek mijn buit niet in het café of in de disco (oh nee!), maar in het museum. Ik weet intussen heel wat van schilderkunst, zelfs al breng ik meer tijd door in het museumrestaurant dan in de zalen. Mijn score is heel behoorlijk, vind ik zelf. Ik heb eens in een enkele week een Zeeuwse uit Goes en een Nieuw-Zeeuwse uit Wellington gehad. Veel Duitse en Amerikaanse meisjes natuurlijk. En die uit Oost-Europa hebben zo’n sexy accent. Bijzonder was ook die Indiase in sari. En dan die twee Japanse meisjes ……… Gezellig hoor!

Ik heb in het museum ook Iris weer ontmoet. Ze was getrouwd, had twee kinderen en de derde op komst.
‘Ik herinner me jou nog goed,’ zei ze. ‘En je opmerking in de gang, toen in het winterkamp. Ik moest er om lachen en ik had de rest eigenlijk best graag gezien, maar je was ineens verdwenen.’
‘Dom van me. Je was beslist de moeite waard. Nog steeds trouwens.’
‘Zelfs met mijn dikke buik?’
Ja, en zelfs zonder bril.’
‘Contactlenzen,’ zei ze.

-------------------------------------------------
Het plaatje is gemaakt door Henk Klaren
--------------------------------------------------
Bestel uw boeken, CD's en nog veel meer
bij bolcom, via de banner rechts.
Dan steunt u De Leunstoel!


© 2015 Carlo van Praag meer Carlo van Praag - meer "De wereldliteratuur roept"
Vermaak en Genot > De wereldliteratuur roept
Op zoek (2), fictie Carlo van Praag
1215VG Op zoekWat vooraf ging:
De ik-figuur neemt deel aan het winterkamp van de christelijke jongerenvereniging om Stella, zijn geheime aanbedene, daar te ontmoeten en haar zijn liefde te verklaren. Het winterkamp wordt gehouden in een voormalig klooster. Stella blijkt er evenwel niet te zijn. Het verblijf in het winterkamp wordt daarmee zinloos en alles daar staat hem tegen. Hij kent niemand van het gezelschap, behalve Iris die hij kort na aankomst heeft ontmoet.

Ik deed mee met de nachtwandeling. De groep raakte al gauw gefragmenteerd en ik wist niet bij wie ik me moest aansluiten. Iris was niet onder de deelnemers en verder kende ik nog steeds niemand. Eigen schuld. Had ik maar mee moeten doen met het middagprogramma: discussie in groepen over het thema ‘Christendom en politiek’. In plaats daarvan had ik mij teruggetrokken tussen de kraaldelen van mijn slaapcompartiment en had de tijd gekort met lezen. Ik zwierf van het ene gezelschap naar het andere, maar ten slotte raakten de groepjes te ver uiteen en moest ik een keuze gaan maken. Ik haalde een viertal in dat voor mij liep.

‘Hallo’, zei ik.
Mijn groet werd niet beantwoord. Het waren twee stellen die kennelijk geen behoefte hadden aan meer gezelschap. We liepen zwijgend voort. Ik kon ten minste profiteren van het licht van hun zaklantaarns, maar na een tijdje voelde ik mij zo opgelaten in deze zwijgende processie dat ik de pas er maar in zette en het groepje achter mij liet. Het werd meteen een stuk donkerder zonder het licht van hun lantaarns, maar  het pad tekende zich nog duidelijk genoeg af in het schijnsel van de maan. Ik had een kwartier, misschien wat langer, gelopen maar had nog steeds de voorhoede van het wandelgezelschap niet bereikt. Ik versnelde mijn pas. Was daar niet het geluid van stemmen? Ik zette een draf in en ging onderuit.

De boomwortel die mij had doen struikelen, haakte nog steeds achter mijn voet, maar ik merkte dat pas bij het overeind komen. Mijn enkel raakte in een gemene draai. De scherpe pijn voorspelde weinig goeds. Ik strompelde voort. De pijn werd er niet minder op en het tempo was er helemaal uit. Ik stopte, deed mijn sjaal af en fixeerde daarmee zo goed mogelijk mijn geblesseerde enkel. Het leek mij het beste om de terugweg te aanvaarden. Ik zwoegde verder en vond een stevige tak die mij tot wandelstok kon dienen. Het ging nu beter. Ik bereikte een splitsing die ik op de heenweg niet had opgemerkt en vroeg mij af langs welk pad ik was gekomen. Ik wachtte op de wandelaars die ik achter mij had gelaten. Al gauw verschenen de twee paren waarvan ik mij eerder had losgemaakt. Ik keek in het licht van hun lantaarns.

‘Wat is er gebeurd?’ vroeg er een. ‘Je knie ligt open’. Nu pas zag ik dat de enkel niet mijn enige blessure was.
‘Gevallen. Ik ga maar weer terug.’
‘Lukt dat alleen? Heb je hulp nodig?’
‘Nee, dank je, het is niet ver toch?’
‘Een uurtje ongeveer. Het beste dan maar en tot later.’
Ik volgde het pad waarover zij waren gekomen. Zij waren bij nader inzien toch niet zo afwijzend en ik putte moed uit hun medeleven. Ik kwam redelijk snel vooruit, maar een nieuw dilemma deed zich voor: weer een splitsing die mij op de heenweg was ontgaan. Ik besloot te wachten op het volgende groepje, maar dat verscheen niet, ook niet na een kwartier. Ik moest kiezen en nam het pad waarvan ik dacht dat het in de richting van de klootjesdrogerij liep. Ik liep een half uur, een uur, maar ik kwam niet op bekend terrein. Het pad ging ineens vrij steil omhoog, ik hoorde in de diepte een beekje en nu wist ik zeker dat ik was verdwaald. Ik liep door. Ik was in een Nederlands bos en niet in de Karpaten. De uitgang, een fietspad, een weg, een dorp, ergens moest ik binnen redelijke tijd uitkomen. De maan verdween achter de wolken en het werd nu wel erg donker. Ik raakte een paar keer in de berm en verloor ten slotte het pad helemaal. Het was diep in de nacht, ik was uitgeput, mijn enkel speelde op en ik trok mijn conclusie. Ik begon takken te verzamelen en op de grond uit te spreiden en bouwde een soort van legerstede. Ik was hier geruime tijd mee bezig want bij gebrek aan zicht moest het grotendeels op de tast. Al hout verzamelend verwijderde ik mij enkele keren ook te ver van het bouwsel en vond het slechts met moeite terug.

Ik trok mijn montycoat goed om mij heen, zette de capuchon op en liet mij op mijn gesprokkelde matras zakken. Deze gaf met veel gekraak toe aan de last. De steun van de takken was erg ongelijkmatig en ik kwam niet in balans. Ik stond weer op en trapte, leunend op mijn wandelstok, in het midden van mijn sponde een kuil ruwweg in de vorm van een menselijk lichaam. Nieuwe poging. Ik lag nu beter en kon mij geheel en al concentreren op de volgende ontbering: het gebrek aan warmte. Voor de tijd van het jaar was het niet koud, een graad of vijf schat ik, maar bewegingloos en zonder dek verkleum je in een paar minuten. Ik deed dan ook geen oog dicht en stond een paar keer weer op om mijzelf door veel armgezwaai enigszins op te warmen. Ik hoopte op de terugkomst van de maan, maar die liet zich niet meer zien. Ik moet uiteindelijk toch in slaap zijn gevallen, want mijn horloge wees ineens half zes aan. De kou drong me door merg en been. Ik wilde overeind komen, maar was volkomen verstijfd. Ik moest desondanks opstaan, want het begon te motregenen. Schuilend onder het gebladerte  wachtte ik de komst van het licht af.

Het klaarde op en bomen begonnen zich af te tekenen tegen het vale ochtendlicht. Op het gehoor daalde ik af in de richting van het beekje. Ik zag het water glinsteren en ik vond een pad dat langs de oever liep. Ik liep stroomafwaarts en in minder dan een kwartier bereikte ik een asfaltweggetje met zo waar een richtingaanwijzer in de vorm van een paddenstoel. Anderhalve kilometer naar het dorp en dan was het hooguit nog een kilometer naar de klootjesdrogerij. Gered!
Ik arriveerde om kwart over zeven bij de poort van het gebouw, maar die was gesloten. Er was een bel. Na geruime tijd hoorde ik het grind knarsen en werd de sleutel rondgedraaid.

‘Wat wilt u?’ vroeg de vrouw met het schort. ‘We zijn nog niet open en bovendien hebben we een groep in huis. Het is allemaal bezet’. ‘Ik hoor bij die groep’. Ik vertelde wat mij was overkomen. De poort zwaaide verder open. ‘Kom mee’, zei ze. Ze bracht me naar de keuken en schonk een grote mok hete thee voor mij in.
‘Overnachten in het bos, midden in de winter, toe maar! Je zult wel helemaal verkleumd zijn. Boterhammetje erbij? Vanmiddag komt toevallig de dokter hierlangs voor een collegaatje. Een jodenman, dat wel, maar een goeie dokter hoor. Heeft veel verstand van ziektes. Kan je naar die enkel laten kijken. Zal ik een eitje voor je bakken?’
In de warmte van die grote, ouderwetse keuken, ineens omringd door goede zorgen en geruststellend gebabbel, begon ik te dommelen.
‘Ik zou maar naar boven gaan, nog even slapen. Het programma begint pas om half tien.’

Iedereen sliep nog. Ik zocht mijn compartiment op, pakte toiletgerei uit mijn weekendtas en begaf mij naar de wasruimte. Ik poetste mijn tanden, deed mijn overhemd uit en waste mij bij een van de kranen. Alleen koud water natuurlijk. Ik had mijn handdoek vergeten en liep terug naar de slaapzaal. In de gang botste ik bijna tegen Iris op. Ze was in nachthemd en op blote voeten.
‘Call of nature,’ legde ze uit. ‘Zo, jij mag er wezen.’
Ik begreep wat zij bedoelde. Ik ben groot en atletisch gebouwd. Men houdt mij voor een sportman, terwijl ik sport verafschuw en er nooit vrijwillig aan heb deelgenomen.
‘Hoe bedoel je?’ vroeg ik.
‘Nou, fors van tors, zal ik maar zeggen.’
‘En dan heb je de rest nog niet gezien,’ flapte ik eruit.
‘Geen behoefte aan,’ zei ze en vervolgde haar weg.
Dat is het nu met mij. Altijd verlegen, altijd mijn mond vol tanden en als ik dan eens een gevatte opmerking heb, is het tegen de verkeerde persoon of op het verkeerde moment. Ik kleedde mij aan, pakte mijn tas en daalde af. In de keuken klonk nu geroezemoes. Ik verliet het gebouw. De poort was open. Ik wachtte drie kwartier op de bus naar het station en nog een half uur later zat ik in de sneltrein (thans intercity genaamd) naar het westen.

Ik heb enkele jaren later Stella toch nog ontmoet en ben met haar getrouwd. We zijn heel snel weer gescheiden, gelukkig kinder- en hypotheekloos. En wat mijzelf aangaat schuldloos ook, zou ik eraan toe willen voegen.

Ik ben nu vrij man en al lang niet meer verlegen. Als ik behoefte heb aan vrouwelijk gezelschap ga ik op jacht. Ik zoek mijn buit niet in het café of in de disco (oh nee!), maar in het museum. Ik weet intussen heel wat van schilderkunst, zelfs al breng ik meer tijd door in het museumrestaurant dan in de zalen. Mijn score is heel behoorlijk, vind ik zelf. Ik heb eens in een enkele week een Zeeuwse uit Goes en een Nieuw-Zeeuwse uit Wellington gehad. Veel Duitse en Amerikaanse meisjes natuurlijk. En die uit Oost-Europa hebben zo’n sexy accent. Bijzonder was ook die Indiase in sari. En dan die twee Japanse meisjes ……… Gezellig hoor!

Ik heb in het museum ook Iris weer ontmoet. Ze was getrouwd, had twee kinderen en de derde op komst.
‘Ik herinner me jou nog goed,’ zei ze. ‘En je opmerking in de gang, toen in het winterkamp. Ik moest er om lachen en ik had de rest eigenlijk best graag gezien, maar je was ineens verdwenen.’
‘Dom van me. Je was beslist de moeite waard. Nog steeds trouwens.’
‘Zelfs met mijn dikke buik?’
Ja, en zelfs zonder bril.’
‘Contactlenzen,’ zei ze.

-------------------------------------------------
Het plaatje is gemaakt door Henk Klaren
--------------------------------------------------
Bestel uw boeken, CD's en nog veel meer
bij bolcom, via de banner rechts.
Dan steunt u De Leunstoel!
© 2015 Carlo van Praag
powered by CJ2