archiefvorig nr.lopend nr.

Vermaak en Genot > De wereldliteratuur roept delen printen terug
Vrij en willig Carlo van Praag

1117VG Vrij en willigIk werd bij de chef geroepen.
‘Van den Abeel’, zei hij, ‘we moeten eens praten’.
‘Is er weer geklaagd?’ vroeg ik. ‘Ik vergeet wel eens mijn pilletje in te nemen en dan….’
‘Nee, daar gaat het deze keer niet om’.
‘En dan word ik wat uitbundig’.
‘Je vertelt mij niks nieuws’.

‘En als ik dan ook nog wat gedronken heb’.
‘Van den Abeel, daar wou ik het dus niet over hebben. Het gaat hierom:
Je weet dat ik best wel wat met boeken heb en mijn vrouw leest zelfs veel, maar de tijdgeest hè! En de elektronica. Er zijn steeds minder lezers en dus ook steeds minder klanten voor onze bibliotheek. Je voelt waar ik heen wil’.
‘U wilt me het afvloeiingskanaal induwen’.
‘Dat is wat cru gezegd, maar ja, we willen de bibliotheek inderdaad opheffen en wat moeten we met een bibliothecaris zonder boeken’.
‘Ja, dat is als een pooier zonder hoeren’.
‘Ik begrijp je verbittering, maar luister! Je krijgt een prachtige regeling. Je gaat er nauwelijks op achteruit. Ik ben er bijna jaloers op’.
‘Bijna, maar niet helemaal. Nog even, kindje, ik ben er bijna, zoals de bisschop tegen de actrice zei. Ik zou bijna……’
‘Nou, Van den Abeel, wat zeg je. No hard feelings?’
‘None whatsoever, boss. Je suis tout à fait sans rancune. Non le preoccupa. Üzülmeyin. Es ist mir Wurst sozusagen’.
‘Van den Abeel, hoor nou….’
‘Zeg maar gewoon Chris, hoor. We kennen elkaar al zo lang’.
‘Ja, misschien al te lang’, zei de chef en stond op.

En zo kwam ik dus thuis te zitten. Ik was nog geen 57 en vol energie. Ik loop de marathon nog in een tijd waarvoor een dertigjarige zich niet zou schamen. En ineens niets meer omhanden. De kinderen zijn al lang de deur uit. Mijn vrouw trouwens ook. Maar ik ben niet het type dat bij de pakken neerzit. Solliciteren dus! Maar ik had mijn vak en mijn leeftijd tegen, misschien ook wel mijn presentatie. Ik heb tal van goede eigenschappen, maar die komen soms niet boven. Gelukkig is er ook nog het vrijwilligerswerk

Ik bezocht een vergadering van de wijkvereniging. Er is veel mis met onze wijk. Allemaal hard werkende mensen met kinderen. Kijken televisie en gaan vroeg naar bed. Doodstil ’s avonds. Bijna geen cafés en nooit eens een evenement. Maar ik weet hoe er in de vereniging  over wordt gedacht en ik hield ter vergadering een gloedvol betoog ten gunste van meer groen in de wijk en meer speelgelegenheden. Er was applaus en na afloop werd ik door de voorzitter benaderd met de mededeling dat er in het bestuur een vacature bestond en was dat misschien iets voor mij. Een bliksemcarrière dus.
‘Misschien zijn er meer kandidaten’, zei ik nog.
‘Nee, dat heb ik nog nooit meegemaakt’, zei de voorzitter.  

Als nieuweling kreeg ik de minst gevoelige portefeuille: die van wijkkrantredacteur. Ik verzamelde artikelen, ingezonden brieven, gemeentelijke aankondigingen en advertenties van plaatselijke middenstanders . Geholpen door mijn ervaring met grafische computersoftware ontwierp ik een nieuw logo en een nieuwe bladspiegel voor de krant en gaf de foto’s aanzienlijk meer ruimte. Het eerste door mij uitgebrachte nummer was een groot succes. Ik genoot bijval, niet alleen van mijn medebestuurders, maar ook van de wijkbewoners waarvan ik er vele ontmoette, want ik moest de krant niet alleen maken, maar ook nog zelf bezorgen, huis aan huis. Ik stortte mij vol enthousiasme op de vervaardiging van de volgende nummers. Er kwam ineens behoorlijk wat kopij binnen, helaas niet steeds van topkwaliteit. Behalve de correctie van de spelfouten nam ik nu ook de verbetering van de stijl ter hand en bij de meerderheid van de inzenders gaf dat geen problemen, maar een minderheid verzette zich. In het derde nummer fatsoeneerde ik ook nog de gedachtegang van de auteurs, voor zover die althans uit hun schriftelijk gezwam viel te herleiden en het protest tegen mijn beleid nam toe. Om de zaak niet op de spits te drijven, vulde ik het vierde nummer geheel zelf, hetgeen mij eindelijk ook de gelegenheid bood tot het doen van enkele pittige uitspraken. Een aantal verenigingsleden zei zijn lidmaatschap op. De voorzitter riep mij ter verantwoording. Ik mocht de krant nog wel blijven bezorgen, maar verder zou mijn taak worden overgenomen door de penningmeester. Voelde ik misschien iets voor diens nu vacante portefeuille?

Kortom, ik stond weer op straat. Maar niet getreurd; er was werk in overvloed, tenminste zo lang je geen salaris verlangde. En zo geviel het dat ik autistische jongeren ging begeleiden bij hun bezigheden in een fietsenkringloopwerkplaats. Een mooi en economisch gezond project. Oude, meest sterk verwaarloosde, fietsen werden daar ingeleverd en de autistische jongeren maakten er weer straatwaardige rijwielen van met alles erop en eraan. Die gingen vervolgens in de verkoop voor alleszins redelijke prijzen en het bedrijf liep dan ook als een trein. Het waren aardige jongelui en hun autisme stond de communicatie niet al te zeer in de weg. Alleen mijn grapjes wilden vaak niet aankomen, bij voorbeeld mijn commentaar op een passerende jonge meid:
‘Daar gaat weer zo’n mokkel in een worstevelletje’.
‘Dat is toch geen worstevel. Het is een….’
‘Ook goed. Het is een brede ceintuur.’
‘Nee hoor. Het is geen ceintuur. Het is een rok. Zij draagt een rok’.
Zij namen de dingen vaak letterlijk. Zo verkondigde ik dat ik veel van fietsen hield, maar niet van fietsers.
‘Het is tuig’, zei ik. ‘Kijk daar rijdt er weer een over het trottoir. Daar moest de doodstraf op staan’.
‘Dat is toch overdreven. We hebben hier geeneens de doodstraf’.
‘Goed, dan gaan zij naar de zoutmijnen’.
‘Waarom de zoutmijnen. Hebben wij hier nog zoutmijnen?’
Ik leerde ze het door mijzelf gecomponeerde Safarilied, waarvan het refrein aldus luidt:

Zoals daar zijn giraffae
De gnoeën ofwel wildebeestes
En andre grote grazeren
Vergeet ook niet de zebren
Gijlieden, koene jageren
Schiet overhoop die grazeren!

De wat afwijkende meervoudsvormen stuitten op weerstand, maar ik hield een college over ironie en dichterlijke vrijheid en dat soort dingen en ten slotte zongen zij het mee, uit volle borst.
Bij de projectleider viel mijn tekst echter niet in goede aarde. Hij vond hem niet geestig en educatief gesproken een grote miskleun. Misschien was de begeleiding van autistische jongeren niet helemaal mijn ding. Misschien moest ik maar eens uitkijken naar wat anders. Iets in het natuurbeheer of zo. Ik klopte hem op de schouder.
‘Eindelijk iemand met gevoel voor humor. Jammer dat wij elkaar niet beter hebben leren kennen.’

Ik kom aan mijn derde vrijwilligersbaan. Het was bij een toeristisch smalspoorlijntje in onze regio. Ik wilde als machinist op de stoomloc, maar ik werd bij de administratie geplaatst en na enkele weken bij de kaartverkoop. Het waren van die kleine lichtbruine stukjes karton, zoals vroeger, dit om de historische illusie te versterken. Ik maakte ze thuis na in het lichtgroen en verkocht ze, tegen een hoger bedrag dan de rest, als eersteklaskaartjes en dirigeerde de houders van deze vervoersbewijzen naar een speciale wagon die, los van zijn toevallig afwijkende kleur, in niets verschilde van de overige wagentjes. De directie had eerst wat bedenkingen, maar omdat ik extra geld in het laatje bracht, ging zij ten slotte akkoord. Bij wijze van beloning voor mijn inzet mocht ik zelfs af en toe in conducteurspak mee op de trein en na het knippen van de kaartjes installeerde ik mijzelf dan naast de machinist op de locomotief. Deze oude vrijwilliger had er aardigheid in om mij van alles over stoomtractie uit te leggen en ik stak heel wat op. Een keer stonden wij klaar om te vertrekken, maar de machinist had hij zijn telefoontje bij de receptie laten liggen. Hij verzocht mij om even op te letten en nieuwsgierigen die de locomotief wilden beklimmen de toegang te ontzeggen. Natuurlijk was dat een hint. Wat hij eigenlijk wilde zeggen was:
‘Chris, officieel mag ik het je niet toevertrouwen, maar je bent er klaar voor. Grijp je kans!’
Ik liet dus de stoomfluit gillen en trok aan de juiste hendel en de trein vertrok. Ik was eerst wat gespannen, maar kreeg gaandeweg steeds meer aardigheid in mijn rol. Ik voerde de snelheid wat op. Er zat meer pit in het oude monster dan ik had gedacht. Waarom het altijd in zo’n gezapig gangetje moest, begreep ik niet. Nog maar wast extra stoom, tot aan de bocht tenminste. Waar zat die verdomde rem nou toch?
Er vielen geen gewonden bij de ontsporing. De locomotief stak naast de rails in het zand en was niet eens gekanteld. De passagiers waren alleen maar wat geschrokken en sommige kinderen dachten dat het ongeluk bij de attractie hoorde. Maar ik werd toch ontslagen en mocht zelfs de administratie niet meer doen.

Ik ben nu weer thuis en hard bezig. Alle tegels moeten uit de tuin gelicht om plaats te maken voor de olijfboompjes. Het was een speciale aanbieding van onze supermarkt en ik heb er gelijk maar twintig gekocht. Toch nog een hap geld, al met al. Ik ga ze morgen planten. Ik ben dol op olijven, vooral bij de borrel. En hoe verser, hoe beter. Bij de supermarkt wisten ze niet of het groene of zwarte olijven zouden worden. Dat blijft dus nog een verrassing.

Ik werk intussen in het Sint-Antonius op de afdeling geestelijk. Ik heb er zelfs een tijdelijk onderkomen gevonden en zal er verblijven totdat de brandschade aan mijn huis is hersteld. Mijn taak is het om de veelal depressieve patiënten wat op te beuren en de medische staf is erg blij met mijn komst Een van de artsen met wie ik speciaal contact heb, dringt er bij mij op aan weer pillen te gaan slikken, maar ik weet het niet. Wij zijn hierover nog in discussie.

----------------------------------------------------
De tekening is van Renée van den Kerkhof
Illustratrice in opleiding: http://www.neetje.nl

© 2014 Carlo van Praag meer Carlo van Praag - meer "De wereldliteratuur roept"
Vermaak en Genot > De wereldliteratuur roept
Vrij en willig Carlo van Praag
1117VG Vrij en willigIk werd bij de chef geroepen.
‘Van den Abeel’, zei hij, ‘we moeten eens praten’.
‘Is er weer geklaagd?’ vroeg ik. ‘Ik vergeet wel eens mijn pilletje in te nemen en dan….’
‘Nee, daar gaat het deze keer niet om’.
‘En dan word ik wat uitbundig’.
‘Je vertelt mij niks nieuws’.

‘En als ik dan ook nog wat gedronken heb’.
‘Van den Abeel, daar wou ik het dus niet over hebben. Het gaat hierom:
Je weet dat ik best wel wat met boeken heb en mijn vrouw leest zelfs veel, maar de tijdgeest hè! En de elektronica. Er zijn steeds minder lezers en dus ook steeds minder klanten voor onze bibliotheek. Je voelt waar ik heen wil’.
‘U wilt me het afvloeiingskanaal induwen’.
‘Dat is wat cru gezegd, maar ja, we willen de bibliotheek inderdaad opheffen en wat moeten we met een bibliothecaris zonder boeken’.
‘Ja, dat is als een pooier zonder hoeren’.
‘Ik begrijp je verbittering, maar luister! Je krijgt een prachtige regeling. Je gaat er nauwelijks op achteruit. Ik ben er bijna jaloers op’.
‘Bijna, maar niet helemaal. Nog even, kindje, ik ben er bijna, zoals de bisschop tegen de actrice zei. Ik zou bijna……’
‘Nou, Van den Abeel, wat zeg je. No hard feelings?’
‘None whatsoever, boss. Je suis tout à fait sans rancune. Non le preoccupa. Üzülmeyin. Es ist mir Wurst sozusagen’.
‘Van den Abeel, hoor nou….’
‘Zeg maar gewoon Chris, hoor. We kennen elkaar al zo lang’.
‘Ja, misschien al te lang’, zei de chef en stond op.

En zo kwam ik dus thuis te zitten. Ik was nog geen 57 en vol energie. Ik loop de marathon nog in een tijd waarvoor een dertigjarige zich niet zou schamen. En ineens niets meer omhanden. De kinderen zijn al lang de deur uit. Mijn vrouw trouwens ook. Maar ik ben niet het type dat bij de pakken neerzit. Solliciteren dus! Maar ik had mijn vak en mijn leeftijd tegen, misschien ook wel mijn presentatie. Ik heb tal van goede eigenschappen, maar die komen soms niet boven. Gelukkig is er ook nog het vrijwilligerswerk

Ik bezocht een vergadering van de wijkvereniging. Er is veel mis met onze wijk. Allemaal hard werkende mensen met kinderen. Kijken televisie en gaan vroeg naar bed. Doodstil ’s avonds. Bijna geen cafés en nooit eens een evenement. Maar ik weet hoe er in de vereniging  over wordt gedacht en ik hield ter vergadering een gloedvol betoog ten gunste van meer groen in de wijk en meer speelgelegenheden. Er was applaus en na afloop werd ik door de voorzitter benaderd met de mededeling dat er in het bestuur een vacature bestond en was dat misschien iets voor mij. Een bliksemcarrière dus.
‘Misschien zijn er meer kandidaten’, zei ik nog.
‘Nee, dat heb ik nog nooit meegemaakt’, zei de voorzitter.  

Als nieuweling kreeg ik de minst gevoelige portefeuille: die van wijkkrantredacteur. Ik verzamelde artikelen, ingezonden brieven, gemeentelijke aankondigingen en advertenties van plaatselijke middenstanders . Geholpen door mijn ervaring met grafische computersoftware ontwierp ik een nieuw logo en een nieuwe bladspiegel voor de krant en gaf de foto’s aanzienlijk meer ruimte. Het eerste door mij uitgebrachte nummer was een groot succes. Ik genoot bijval, niet alleen van mijn medebestuurders, maar ook van de wijkbewoners waarvan ik er vele ontmoette, want ik moest de krant niet alleen maken, maar ook nog zelf bezorgen, huis aan huis. Ik stortte mij vol enthousiasme op de vervaardiging van de volgende nummers. Er kwam ineens behoorlijk wat kopij binnen, helaas niet steeds van topkwaliteit. Behalve de correctie van de spelfouten nam ik nu ook de verbetering van de stijl ter hand en bij de meerderheid van de inzenders gaf dat geen problemen, maar een minderheid verzette zich. In het derde nummer fatsoeneerde ik ook nog de gedachtegang van de auteurs, voor zover die althans uit hun schriftelijk gezwam viel te herleiden en het protest tegen mijn beleid nam toe. Om de zaak niet op de spits te drijven, vulde ik het vierde nummer geheel zelf, hetgeen mij eindelijk ook de gelegenheid bood tot het doen van enkele pittige uitspraken. Een aantal verenigingsleden zei zijn lidmaatschap op. De voorzitter riep mij ter verantwoording. Ik mocht de krant nog wel blijven bezorgen, maar verder zou mijn taak worden overgenomen door de penningmeester. Voelde ik misschien iets voor diens nu vacante portefeuille?

Kortom, ik stond weer op straat. Maar niet getreurd; er was werk in overvloed, tenminste zo lang je geen salaris verlangde. En zo geviel het dat ik autistische jongeren ging begeleiden bij hun bezigheden in een fietsenkringloopwerkplaats. Een mooi en economisch gezond project. Oude, meest sterk verwaarloosde, fietsen werden daar ingeleverd en de autistische jongeren maakten er weer straatwaardige rijwielen van met alles erop en eraan. Die gingen vervolgens in de verkoop voor alleszins redelijke prijzen en het bedrijf liep dan ook als een trein. Het waren aardige jongelui en hun autisme stond de communicatie niet al te zeer in de weg. Alleen mijn grapjes wilden vaak niet aankomen, bij voorbeeld mijn commentaar op een passerende jonge meid:
‘Daar gaat weer zo’n mokkel in een worstevelletje’.
‘Dat is toch geen worstevel. Het is een….’
‘Ook goed. Het is een brede ceintuur.’
‘Nee hoor. Het is geen ceintuur. Het is een rok. Zij draagt een rok’.
Zij namen de dingen vaak letterlijk. Zo verkondigde ik dat ik veel van fietsen hield, maar niet van fietsers.
‘Het is tuig’, zei ik. ‘Kijk daar rijdt er weer een over het trottoir. Daar moest de doodstraf op staan’.
‘Dat is toch overdreven. We hebben hier geeneens de doodstraf’.
‘Goed, dan gaan zij naar de zoutmijnen’.
‘Waarom de zoutmijnen. Hebben wij hier nog zoutmijnen?’
Ik leerde ze het door mijzelf gecomponeerde Safarilied, waarvan het refrein aldus luidt:

Zoals daar zijn giraffae
De gnoeën ofwel wildebeestes
En andre grote grazeren
Vergeet ook niet de zebren
Gijlieden, koene jageren
Schiet overhoop die grazeren!

De wat afwijkende meervoudsvormen stuitten op weerstand, maar ik hield een college over ironie en dichterlijke vrijheid en dat soort dingen en ten slotte zongen zij het mee, uit volle borst.
Bij de projectleider viel mijn tekst echter niet in goede aarde. Hij vond hem niet geestig en educatief gesproken een grote miskleun. Misschien was de begeleiding van autistische jongeren niet helemaal mijn ding. Misschien moest ik maar eens uitkijken naar wat anders. Iets in het natuurbeheer of zo. Ik klopte hem op de schouder.
‘Eindelijk iemand met gevoel voor humor. Jammer dat wij elkaar niet beter hebben leren kennen.’

Ik kom aan mijn derde vrijwilligersbaan. Het was bij een toeristisch smalspoorlijntje in onze regio. Ik wilde als machinist op de stoomloc, maar ik werd bij de administratie geplaatst en na enkele weken bij de kaartverkoop. Het waren van die kleine lichtbruine stukjes karton, zoals vroeger, dit om de historische illusie te versterken. Ik maakte ze thuis na in het lichtgroen en verkocht ze, tegen een hoger bedrag dan de rest, als eersteklaskaartjes en dirigeerde de houders van deze vervoersbewijzen naar een speciale wagon die, los van zijn toevallig afwijkende kleur, in niets verschilde van de overige wagentjes. De directie had eerst wat bedenkingen, maar omdat ik extra geld in het laatje bracht, ging zij ten slotte akkoord. Bij wijze van beloning voor mijn inzet mocht ik zelfs af en toe in conducteurspak mee op de trein en na het knippen van de kaartjes installeerde ik mijzelf dan naast de machinist op de locomotief. Deze oude vrijwilliger had er aardigheid in om mij van alles over stoomtractie uit te leggen en ik stak heel wat op. Een keer stonden wij klaar om te vertrekken, maar de machinist had hij zijn telefoontje bij de receptie laten liggen. Hij verzocht mij om even op te letten en nieuwsgierigen die de locomotief wilden beklimmen de toegang te ontzeggen. Natuurlijk was dat een hint. Wat hij eigenlijk wilde zeggen was:
‘Chris, officieel mag ik het je niet toevertrouwen, maar je bent er klaar voor. Grijp je kans!’
Ik liet dus de stoomfluit gillen en trok aan de juiste hendel en de trein vertrok. Ik was eerst wat gespannen, maar kreeg gaandeweg steeds meer aardigheid in mijn rol. Ik voerde de snelheid wat op. Er zat meer pit in het oude monster dan ik had gedacht. Waarom het altijd in zo’n gezapig gangetje moest, begreep ik niet. Nog maar wast extra stoom, tot aan de bocht tenminste. Waar zat die verdomde rem nou toch?
Er vielen geen gewonden bij de ontsporing. De locomotief stak naast de rails in het zand en was niet eens gekanteld. De passagiers waren alleen maar wat geschrokken en sommige kinderen dachten dat het ongeluk bij de attractie hoorde. Maar ik werd toch ontslagen en mocht zelfs de administratie niet meer doen.

Ik ben nu weer thuis en hard bezig. Alle tegels moeten uit de tuin gelicht om plaats te maken voor de olijfboompjes. Het was een speciale aanbieding van onze supermarkt en ik heb er gelijk maar twintig gekocht. Toch nog een hap geld, al met al. Ik ga ze morgen planten. Ik ben dol op olijven, vooral bij de borrel. En hoe verser, hoe beter. Bij de supermarkt wisten ze niet of het groene of zwarte olijven zouden worden. Dat blijft dus nog een verrassing.

Ik werk intussen in het Sint-Antonius op de afdeling geestelijk. Ik heb er zelfs een tijdelijk onderkomen gevonden en zal er verblijven totdat de brandschade aan mijn huis is hersteld. Mijn taak is het om de veelal depressieve patiënten wat op te beuren en de medische staf is erg blij met mijn komst Een van de artsen met wie ik speciaal contact heb, dringt er bij mij op aan weer pillen te gaan slikken, maar ik weet het niet. Wij zijn hierover nog in discussie.

----------------------------------------------------
De tekening is van Renée van den Kerkhof
Illustratrice in opleiding: http://www.neetje.nl
© 2014 Carlo van Praag
powered by CJ2