archiefvorig nr.lopend nr.

Vermaak en Genot > De wereldliteratuur roept delen printen terug
Het beste van Ischa Meijer Ewout Klei

1115VG Ischa
Ischa Meijer (1943-1995) was misschien wel de beste interviewer van Nederland. De enige interviewer die met Meijer zou kunnen concurreren was Bibeb (een pseudoniem van Elisabeth Maria Lampe-Soutberg). Ischa Meijer durfde alles te vragen, en kreeg meestal nog antwoord ook. De geïnterviewden gaven meer van hun ziel bloot dan ze zichzelf hadden voorgenomen.

Bij toeval stuitte ik op de interviewbundel De interviewer en de schrijvers. 50 literaire interviews van 1966 tot 1993 die in 2003, acht jaar na Meijers overlijden, door Prometheus is uitgegeven. Meijer interviewt hierin de groten van de Nederlandse literatuur: Harry Mulisch, Willem Frederik Hermans, Hella Haasse, Jan Wolkers, Maarten ’t Hart, Jan Cremer, Adriaan van Dis, J. Bernlef, Leon de Winter en vele anderen. Gerard Reve ontbreekt, maar dit compenseert Meijer met het interview met Gerards broer, de essayist Karel van het Reve. Ook interviewt Meijer enkele beroemde buitenlandse schrijvers, waaronder Hugo Claus, Gore Vidal en Günter Grass.

Elk interview is een zelfportret van de schrijver, een inkijkje in zijn/haar ziel. Zo lezen we over de onzekerheid van Godfried Bomans en het minderwaardigheidsgevoel van Maarten ’t Hart, die ondanks zijn oorlogsverklaring aan de Gereformeerde Kerk diep religieus bleef en bevestiging zocht bij God. Over God gesproken, ook Stefan Paas en Rik Peels moeten dit boek gaan lezen, want schrijver en levensgenieter Simon Vinkenoog heeft het psychedelisch godsbewijs geleverd:

‘Nu is door miljoenen die drugs gebruiken, of andere chemische middelen, ontdekt dat de werkelijkheid groter is dan we altijd gedacht hebben. De drugsgebruiker beschouwt de werkelijkheid vanuit een andere dimensie. (…) Ik ben tot m’n dertigste goddeloos geweest, door LSD-trips heb ik God ontdekt. Als je God uitsluit, dan ga je met doodsangst door het leven. Nee, ik ben niet bang voor de dood, ik zie de dood als de deur naar de volgende baarmoeder. We groeien telkens meer dimensies binnen. En dat “wij” is niet dat stoffelijke omhulsel dat we als een goed passend maatkostuum met ons meedragen…’

Bijzonder boeiend is ook het interview met de militante feministe Andreas Burnier, die op het eerste gezicht een Asha ten Broeke avant la lettre lijkt:
‘De meeste mannen hebben natuurlijk geen hekel aan vrouwen, integendeel, ze zijn er dol op. Maar volgens mij ziet de mannelijke mensheid – bewust of onbewust – de vrouwelijke mensheid als een soort noodzakelijke voorwaarde: moeder, minnares, vrouw, verzorgster. De meeste mannen zien de vrouwen niet als mensen; ze gaan een relatie met haar aan zoals je een huisdier neemt: omdat het nu eenmaal goed is voor de opvoeding van je kind of zo.’ (…) Maar een vrouw met een IQ boven de 120 is natuurlijk homoseksueel. Je hebt zo’n geweldige handicap als vrouw-die-iets-wil; je woont samen met een meneer, van wie je dan kinderen krijgt; zo word je in een sociale rol gedwongen die gruwelijk moeilijk is. Je leeft als vrouw veel prettiger wanneer je de mogelijkheden aangrijpt om als vrouw autonoom te bestaan. De verhoudingen tussen vrouwen, ook als die langer duren, gaan toch veel meer uit van de gelijkwaardigheid dan enige man-vrouwrelatie. Ik kan het vergelijken: ik ben vrij lang getrouwd geweest en heb vrij lang een soort dameshuwelijk gevoerd.’

Maar toch blijkt Andreas Burnier meer een voorloper van Annabel Nanninga en Ayaan Hirsi Ali:
‘Trouwens, het grootste probleem voor vrouwen is niet zozeer de man, het kapitalisme of het communisme, maar momenteel vooral de islam, die op een ongelooflijke manier aan het oprukken is in de wereld, en waarvan wij inmiddels ook een vijfde colonne in huis hebben. Het zal gruwelijk voor de vrouwen worden, ook in West-Europa, als we de islam de vrije hand laten; een systeem waarin het gelegitimeerd is, noodzakelijk wordt geacht, om vrouwen thuis gevangen te houden, haar te mishandelen, je dochters onvoldoende onderwijs te geven, waardoor ze gedwongen zijn om uit pure economische ellende in het huwelijk te treden. Het is natuurlijk vreselijk progressief om te zeggen: wij moeten elke cultuur in haar waarde laten, alles toelaten, niet discrimineren – dat vind ik ook, maar de kwalijke, fascistische trekken in andere culturen mag je best bestrijden. Zolang de islam heel expliciet en open voor het seksfascisme is, moet hij bestreden worden, en helemaal niet genuanceerd getolereerd.’

Nadat ik de rant van Andreas Burnier las, in de trein op weg naar Amsterdam, staarde ik een kwartier lang zwijgend door het raam. Het waren harde woorden, veel te harde woorden en veel te ongenuanceerd ook, maar vooral ongelooflijk dat een feministe van de tweede feministische golf dit heeft gezegd. Niet alle feministen zijn van hetzelfde stereotype als Asha ten Broeke, Elsbeth Etty en Femke Halsema.

Laat ik vrolijk eindigen. Karel van het Reve was de beste essayist die ons land heeft gekend. Wat veel mensen niet weten is dat hij aanvankelijk dezelfde ambities had als zijn broer Gerard:
‘Ik heb altijd graag schrijver willen worden. Maar als klein jongetje dacht ik dat je dan allerlei dingen moest bedenken. Dus ik las de boeken van Theun de Vries, laat ik maar zeggen, en vroeg mij dan wanhopig af: hoe zou ik dat allemaal kunnen bedenken? Later bleek mij dat het er om ging bepaalde invallen en sommige ervaringen te combineren; je neemt gewoon een aantal dingen van jezelf en je liegt er wat bij, en je maakt er vervolgens iets van. Maar dat wist ik niet toen ik tien jaar was. Ik dacht dat al die auteurs hun stof helemaal uit zichzelf bedacht hadden. En ik wou ook zo graag iets bedenken, maar kon dat niet. Een misverstand.’
Schrijver worden kunnen we blijkbaar dus allemaal.
 
---------------------------------------------------------------
N.a.v.: Ischa Meijer, De interviewer en de schrijvers. 50 literaire interviews van 1966 tot 1993 (Prometheus Amsterdam 2003). ISBN 9789044602425.

-------------------------------------------------
Het plaatje is gemaakt door Henk Klaren


© 2014 Ewout Klei meer Ewout Klei - meer "De wereldliteratuur roept"
Vermaak en Genot > De wereldliteratuur roept
Het beste van Ischa Meijer Ewout Klei
1115VG Ischa
Ischa Meijer (1943-1995) was misschien wel de beste interviewer van Nederland. De enige interviewer die met Meijer zou kunnen concurreren was Bibeb (een pseudoniem van Elisabeth Maria Lampe-Soutberg). Ischa Meijer durfde alles te vragen, en kreeg meestal nog antwoord ook. De geïnterviewden gaven meer van hun ziel bloot dan ze zichzelf hadden voorgenomen.

Bij toeval stuitte ik op de interviewbundel De interviewer en de schrijvers. 50 literaire interviews van 1966 tot 1993 die in 2003, acht jaar na Meijers overlijden, door Prometheus is uitgegeven. Meijer interviewt hierin de groten van de Nederlandse literatuur: Harry Mulisch, Willem Frederik Hermans, Hella Haasse, Jan Wolkers, Maarten ’t Hart, Jan Cremer, Adriaan van Dis, J. Bernlef, Leon de Winter en vele anderen. Gerard Reve ontbreekt, maar dit compenseert Meijer met het interview met Gerards broer, de essayist Karel van het Reve. Ook interviewt Meijer enkele beroemde buitenlandse schrijvers, waaronder Hugo Claus, Gore Vidal en Günter Grass.

Elk interview is een zelfportret van de schrijver, een inkijkje in zijn/haar ziel. Zo lezen we over de onzekerheid van Godfried Bomans en het minderwaardigheidsgevoel van Maarten ’t Hart, die ondanks zijn oorlogsverklaring aan de Gereformeerde Kerk diep religieus bleef en bevestiging zocht bij God. Over God gesproken, ook Stefan Paas en Rik Peels moeten dit boek gaan lezen, want schrijver en levensgenieter Simon Vinkenoog heeft het psychedelisch godsbewijs geleverd:

‘Nu is door miljoenen die drugs gebruiken, of andere chemische middelen, ontdekt dat de werkelijkheid groter is dan we altijd gedacht hebben. De drugsgebruiker beschouwt de werkelijkheid vanuit een andere dimensie. (…) Ik ben tot m’n dertigste goddeloos geweest, door LSD-trips heb ik God ontdekt. Als je God uitsluit, dan ga je met doodsangst door het leven. Nee, ik ben niet bang voor de dood, ik zie de dood als de deur naar de volgende baarmoeder. We groeien telkens meer dimensies binnen. En dat “wij” is niet dat stoffelijke omhulsel dat we als een goed passend maatkostuum met ons meedragen…’

Bijzonder boeiend is ook het interview met de militante feministe Andreas Burnier, die op het eerste gezicht een Asha ten Broeke avant la lettre lijkt:
‘De meeste mannen hebben natuurlijk geen hekel aan vrouwen, integendeel, ze zijn er dol op. Maar volgens mij ziet de mannelijke mensheid – bewust of onbewust – de vrouwelijke mensheid als een soort noodzakelijke voorwaarde: moeder, minnares, vrouw, verzorgster. De meeste mannen zien de vrouwen niet als mensen; ze gaan een relatie met haar aan zoals je een huisdier neemt: omdat het nu eenmaal goed is voor de opvoeding van je kind of zo.’ (…) Maar een vrouw met een IQ boven de 120 is natuurlijk homoseksueel. Je hebt zo’n geweldige handicap als vrouw-die-iets-wil; je woont samen met een meneer, van wie je dan kinderen krijgt; zo word je in een sociale rol gedwongen die gruwelijk moeilijk is. Je leeft als vrouw veel prettiger wanneer je de mogelijkheden aangrijpt om als vrouw autonoom te bestaan. De verhoudingen tussen vrouwen, ook als die langer duren, gaan toch veel meer uit van de gelijkwaardigheid dan enige man-vrouwrelatie. Ik kan het vergelijken: ik ben vrij lang getrouwd geweest en heb vrij lang een soort dameshuwelijk gevoerd.’

Maar toch blijkt Andreas Burnier meer een voorloper van Annabel Nanninga en Ayaan Hirsi Ali:
‘Trouwens, het grootste probleem voor vrouwen is niet zozeer de man, het kapitalisme of het communisme, maar momenteel vooral de islam, die op een ongelooflijke manier aan het oprukken is in de wereld, en waarvan wij inmiddels ook een vijfde colonne in huis hebben. Het zal gruwelijk voor de vrouwen worden, ook in West-Europa, als we de islam de vrije hand laten; een systeem waarin het gelegitimeerd is, noodzakelijk wordt geacht, om vrouwen thuis gevangen te houden, haar te mishandelen, je dochters onvoldoende onderwijs te geven, waardoor ze gedwongen zijn om uit pure economische ellende in het huwelijk te treden. Het is natuurlijk vreselijk progressief om te zeggen: wij moeten elke cultuur in haar waarde laten, alles toelaten, niet discrimineren – dat vind ik ook, maar de kwalijke, fascistische trekken in andere culturen mag je best bestrijden. Zolang de islam heel expliciet en open voor het seksfascisme is, moet hij bestreden worden, en helemaal niet genuanceerd getolereerd.’

Nadat ik de rant van Andreas Burnier las, in de trein op weg naar Amsterdam, staarde ik een kwartier lang zwijgend door het raam. Het waren harde woorden, veel te harde woorden en veel te ongenuanceerd ook, maar vooral ongelooflijk dat een feministe van de tweede feministische golf dit heeft gezegd. Niet alle feministen zijn van hetzelfde stereotype als Asha ten Broeke, Elsbeth Etty en Femke Halsema.

Laat ik vrolijk eindigen. Karel van het Reve was de beste essayist die ons land heeft gekend. Wat veel mensen niet weten is dat hij aanvankelijk dezelfde ambities had als zijn broer Gerard:
‘Ik heb altijd graag schrijver willen worden. Maar als klein jongetje dacht ik dat je dan allerlei dingen moest bedenken. Dus ik las de boeken van Theun de Vries, laat ik maar zeggen, en vroeg mij dan wanhopig af: hoe zou ik dat allemaal kunnen bedenken? Later bleek mij dat het er om ging bepaalde invallen en sommige ervaringen te combineren; je neemt gewoon een aantal dingen van jezelf en je liegt er wat bij, en je maakt er vervolgens iets van. Maar dat wist ik niet toen ik tien jaar was. Ik dacht dat al die auteurs hun stof helemaal uit zichzelf bedacht hadden. En ik wou ook zo graag iets bedenken, maar kon dat niet. Een misverstand.’
Schrijver worden kunnen we blijkbaar dus allemaal.
 
---------------------------------------------------------------
N.a.v.: Ischa Meijer, De interviewer en de schrijvers. 50 literaire interviews van 1966 tot 1993 (Prometheus Amsterdam 2003). ISBN 9789044602425.

-------------------------------------------------
Het plaatje is gemaakt door Henk Klaren
© 2014 Ewout Klei
powered by CJ2