archiefvorig nr.lopend nr.

Vermaak en Genot > De wereldliteratuur roept delen printen terug
Wachten op de oorlog Carlo van Praag

0920VG Wachten
Voor de slagboom stonden de auto’s in de rij, maar wij konden onze fietsen op vijf meter van de hoofdingang stallen. Er zijn niet zoveel mensen, ziek of niet, die zich per fiets naar het streekziekenhuis begeven.
Ik kan zo’n gebouw niet betreden zonder een licht gevoel van onbehagen. Het ruikt er niet meer naar ether, er zijn koffiekamers die doen denken aan wegrestaurants, er hangt overal vrolijke kunst, het personeel is tolerant en de dames achter de balie zijn tegenwoordig meer gastvrouwen dan gasthuisvrouwen, maar toch….En ik kom er steeds vaker over de vloer. Hectares marmoleum. ‘Slechts op bezoek, slechts op bezoek…..’ fluister ik mijzelf toe., maar ik weet dat die geruststelling eindig is. ‘Hoe lang nog, hoe lang nog….’

Kamer 311 herbergde slechts drie patiënten: mijn schoonvader en twee vrouwen, waarvan één met hoofddoek. Hier stuiten wij op wezenlijke veranderingen en dan bedoel ik niet alleen de hoofddoek. Die droegen vele autochtone vrouwen in de jaren vijftig ook, hoewel niet in bed. Nee, wat mij opvalt is de lage bevolkingsdichtheid in die ziekenhuiskamers. Men ligt er niet meer ‘op zaal’. En wat mij ook opvalt, zelfs een beetje schokt, is de menging van de seksen. Dat was in mijn tijd ondenkbaar. Zijn de slaapzalen in jeugdherbergen tegenwoordig ook gemengd? Of zijn dat inmiddels hotelkamers geworden? Eigenlijk is de enige vergelijkbare situatie de couchette in de internationale trein, waar de dames zich in bochten moeten wringen om op decente wijze de nacht in te gaan. Maar wie reist er tegenwoordig nog per nachttrein?

Mijn schoonvader veerde, geholpen door het mechaniek van zijn ziekenhuisbed, letterlijk op.
‘Goed dat jullie komen’, hijgde hij. ‘Ik kreeg zo langzamerhand wel behoefte aan wat aanspraak. En van die twee moet ik het niet hebben’.
Hij dacht deze mededeling op gedempte toon te doen, maar door zijn doofheid is hij steeds harder gaan spreken, zodat hij tenminste zijn eigen stem nog hoort. Zijn onthulling schalde dan ook door het vertrek.
‘Die ene spreekt nauwelijks Nederlands’, riep hij. ‘Die met die hoofddoek!’.
‘Hebt u daar wat tegen? meneer Veerman’. Het was niet de Marokkaanse, die aldus reageerde, maar de andere patiënte. Ik liep naar het bed van de dame in kwestie.
‘U moet het mijn schoonvader maar niet kwalijk nemen, zei ik. Hij is 86 jaar en heeft het niet allemaal kunnen bijhouden wat er met de maatschappij gebeurt. Hij bedoelt het niet slecht.’.
‘Een vreselijke man!’ was alles wat ze zei.
Ik keerde terug naar het bed van mijn schoonvader.

Mijn vrouw had hem inmiddels gedwongen zijn hoorapparaat aan te brengen en hij sprak gelukkig wat zachter.
‘Jullie moeten me helpen’, zei hij ‘Ik moet hier weg; anders wordt het mijn dood’.
‘Onzin. Je hebt longembolie en de behandeling duurt nog maar een paar dagen. Dan mag je naar huis’.
‘Wat jij niet weet is dat ze proeven met mij gaan doen. Ik ben namelijk een ideaal proefdier. Omdat ik zo’n sterk hart heb. Daarom kunnen ze mij gebruiken ………’ hij hapte naar adem….’voor hun proeven. Begrijp het toch. Ik moet weg’.
‘Nee hoor. Als je de behandeling stopt; dat is pas gevaarlijk. Hier ben je juist veilig’.
‘Jullie laten een oude man dus aan zijn lot over’.
Hij griste demonstratief het apparaatje uit zijn oor ten teken dat de conversatie was geëindigd. Wij deden er ook het zwijgen toe. De kamer stroomde vol met gehoofddoekte bezoeksters met voor de gelegenheid opgedofte donkere kindertjes in hun kielzog. Het geschuif met stoelen en het geroezemoes maakte een verdere gedachtewisseling met mijn schoonvader onmogelijk. Bovendien had hij het hoofdeinde van zijn bed weer achterover gekanteld en staarde hij naar het plafond. Wij zwegen dus.
Een wagentje met versnaperingen rolde binnen en hij veerde weer op. Iedereen kreeg thee of koffie, ook de bezoekers. Mijn schoonvader keek de zuster na die het wagentje naar het volgende bed duwde.
‘Aardige zuster, hoor’, schetterde hij. ‘Maar dik, veel te dik. Jammer!’
Ik begon het enigszins warm te krijgen. Terwijl Nienke probeerde het gesprek met haar vader weer op gang te krijgen, liet ik mijn gedachten dwalen. Andere mensen overkomt dat: gedachtenvlucht, maar ik zwengel de pomp bewust aan en slaag er gewoonlijk in een stroom van prettige fantasieën op gang te brengen. Niet altijd trouwens: ook de dagdroom kan ontsporen. Maar dit keer ging het naar wens en de tijd verstreek ongemerkt. Ik was net bezig met de auto een besneeuwde bergpas te bestijgen, toen Nienke ons vertrek aankondigde.
‘Overmorgen komen wij weer langs’.
‘Ja tot morgen dan’.
‘Nee, overmorgen en misschien kunnen wij je dan al mee naar huis nemen’.

Wij pakten onze fietsen en reden naar het centrum van de stad. Wij deden boodschappen in de supermarkt, namen een kopje koffie op een terras en met volgeladen fietstassen begonnen wij aan de terugweg naar ons dorp.
‘Ik wil even langs zijn huis’, zei Nienke. 'Planten water geven en kijken of er geen post uit de brievenbus puilt.'
‘Dat is een half uur om’.
‘Toch maar doen’.
Wij sloegen rechtsaf en reden langs het kanaal richting Kortebroek. Het huis van mijn schoonvader is fors bemeten en hij woont er, sinds de dood van zijn vrouw, in zijn eentje. Het heeft een heuse oprijlaan, die ooit pijnlijk nauwkeurig werd schoongehouden, maar nu is overwoekerd.
Godallemachtig!’, zei Nienke. ‘Kijk nou!’
Daar zat hij, op zijn vertrouwde plaats in de erker bij het raam, sigaar tussen de vingers en de jeneverfles onder handbereik. Wij verschaften ons toegang met onze eigen sleutel.
‘Jullie komen als geroepen. Het is net borreluur’.
‘Hoe is het je gelukt om….?’
‘Makkelijk zat. Heb mij aangekleed. Naar beneden gegaan. Bij de receptie taxi laten bestellen.’ Hij glunderde.
‘Had je dan genoeg geld bij je?’
‘Nee, maar hier wel! In het potje voor de werkster’.
Hij trok aan zijn sigaar en begon te hoesten.
‘Ik ben niet helemaal fit, hijgde hij. 'Pak zelf even een glaasje, wil je.’
‘Geen sprake van’, zei Nienke. Je speelt met je leven, weet je dat?’
Zij gebaarde mij met een hoofdbeweging en ik wist wat mij te doen stond. Ik liep naar de hal waar de telefoon hing boven een stapel telefoonboeken en zocht het nummer van het ziekenhuis op.
‘Longziekten, met Marja’.
Ik deed mijn verhaal.
‘Ja, wij misten meneer al. Is hij thuis? Wat doet hij?’
‘Hij zit in zijn stoel, drinkt een borrel en rookt een sigaar’.
‘Laat hem rustig zitten. Hij moet vooral niet gaan lopen. Wij sturen een ambulance’.
Mijn schoonvader was inmiddels een borrel verder.
‘Het smaakt me’ zei hij. ‘Willen jullie echt niet meedoen?’
‘Onder voorwaarde dat je teruggaat naar het ziekenhuis. Voor een paar dagen nog maar. Je wordt zo opgehaald, maar we kunnen nog wel een glaasje drinken.’
Hij ging akkoord en had het niet meer over proeven waaraan hij zou worden onderworpen. Misschien helpt alcohol tegen paranoia, hoewel ik niet denk dat het vaak wordt voorgeschreven.
Een kwartier later werd hij door twee potige broeders uit zijn zetel bij de borreltafel gehesen en op de draagbaar gedeponeerd.
‘Kinderen’ riep hij nog, ‘als ik niet terugkom, kijk onder de vloer…..onder de vloer…..dingen van waarde. Voor als het oorlog wordt…!’

Nienke goot onze onaangeroerde borrels terug in de fles en doofde de nog smeulende sigaar. Ik liet mijn ogen over de vloer dwalen. Ze volgde mijn blik.
‘Hij raaskalde natuurlijk weer, maar als je het echt wilt weten….ik geloof dat daar in de hoek onder het dressoir een luik zit.' Ik kwam overeind.
‘Niet met je goeie kleren’ zei ze. ‘Doe het morgen maar. Neem een vrije dag. Dan kunnen wij meteen de tuin hier fatsoeneren’.

Wij hadden een paar uur geschoffeld, gesnoeid en geharkt toen het begon te regenen.
‘Pauze!’ riep ik. ‘We gaan schatgraven’.
Wij versleepten het dressoir en daar zat het, keurig uitgezaagd uit het parket, met een verzonken koperen ring in het midden. Ik opende het luik. De scherpe geur van schimmel steeg op uit de duisternis.
‘Verdomme, zaklamp vergeten!’.
‘In de meterkast hangt er vast wel een’.
Ik ging kijken.
‘Klopt’ riep ik, ‘maar de batterijen zijn leeg’.
Ik pakte de sleutel van de garage. De oude Saab stond er nog, ongebruikt sinds zijn rijbewijs was ingetrokken, nu bijna een jaar geleden. Spinrag langs spiegels en bumpers. Wij hadden hem willen verkopen, maar hij had dat niet toegestaan. ‘Ik kan die auto nog nodig hebben, voor als ik moet vluchten’. Ik opende de bagageruimte en vond een pechlamp in de gereedschapskoffer.

Gelukkig lijd ik niet aan claustrofobie, maar ook zonder dat was het een zware tocht, in tijgersluipgang door het schemerige natte landschap onder de balken. De pechlamp verbruikte kennelijk zijn laatste krachten en onthulde niet meer dan de directe omgeving. Het terrein daalde en ik bescheen een watervlakte, een compleet meer. Geen gezonde kruipruimte. Aan de overkant ontwaarde ik vage contouren. Het konden dozen of kisten zijn.
‘Waar zit je?’ klonk het, ver weg, ergens boven mijn hoofd.
‘In de onderwereld. Ik wacht op Charon’, schreeuwde ik. Ik kroop langs de oevers rondom de waterplas, maar moest toch nog een riviertje oversteken om bij de dozen te komen. Zij waren van plastic. Maar goed ook, want geen ander materiaal zou het hier hebben volgehouden. De lamp flakkerde als een kaars en begaf het, maar ik had genoeg gezien.

In het aardedonker aanvaardde ik de terugweg in de richting van de lichtvlek die de plaats van het geopende luik markeerde: als een Arctische zeehond onder het ijs op weg naar zijn luchtgat. Het was meteen de kortste weg, dwars door de vijver. De bodem lag bezaaid met ruwe objecten, stukken baksteen zo te voelen. Ik stuitte op ijzeren buizen, vermolmd hout en al kruipend tastte ik de ruimte voor mij af om scherven en rechtopstaande spijkers tijdig te detecteren. Ik voelde het terrein weer stijgen en stootte mijn hoofd tegen een balk. Ik dook dieper weg en kroop verder. Vochtige slierten streken langs mijn gezicht. Ik bereikte de uitgang en klom uit het gat.

‘Wat zie je eruit!’ Nienke leek opgelucht. ‘En….heb je wat gevonden?’
‘Jenever’ zei ik, ‘minstens vijftig flessen. Zal ik ze boven halen?’
Ze dacht even na.
‘Nee’, zei ze. ‘Laat maar liggen. We wachten netjes op de oorlog.’
 
************************
De tekening is van Elène Klaren
 
****************************************************
De Leunstoel wordt uitgegeven door Het Genootschap De Leunstoel.
Leden van het Genootschap zijn: Jaap van Lakerveld, Jan Hoorweg, Katharina Kouwenhoven, Henk Klaren, Dik Kruithof, Gábor Budavári, Michiel van der Mast, Maeve van der Steen, Willem Minderhout, Barbara Muller, Joop Quint, Gerda-Joke Zwart, Michiel Hoorweg, Hans Meijer, Gerbrand Muller, Peter Schröder, Carlo van Praag, Rob Kieft, Ruud van Ruijven, Frits Hoorweg, Tom Duijkers, Haitze Meurs en Ruud Klein.


© 2012 Carlo van Praag meer Carlo van Praag - meer "De wereldliteratuur roept"
Vermaak en Genot > De wereldliteratuur roept
Wachten op de oorlog Carlo van Praag
0920VG Wachten
Voor de slagboom stonden de auto’s in de rij, maar wij konden onze fietsen op vijf meter van de hoofdingang stallen. Er zijn niet zoveel mensen, ziek of niet, die zich per fiets naar het streekziekenhuis begeven.
Ik kan zo’n gebouw niet betreden zonder een licht gevoel van onbehagen. Het ruikt er niet meer naar ether, er zijn koffiekamers die doen denken aan wegrestaurants, er hangt overal vrolijke kunst, het personeel is tolerant en de dames achter de balie zijn tegenwoordig meer gastvrouwen dan gasthuisvrouwen, maar toch….En ik kom er steeds vaker over de vloer. Hectares marmoleum. ‘Slechts op bezoek, slechts op bezoek…..’ fluister ik mijzelf toe., maar ik weet dat die geruststelling eindig is. ‘Hoe lang nog, hoe lang nog….’

Kamer 311 herbergde slechts drie patiënten: mijn schoonvader en twee vrouwen, waarvan één met hoofddoek. Hier stuiten wij op wezenlijke veranderingen en dan bedoel ik niet alleen de hoofddoek. Die droegen vele autochtone vrouwen in de jaren vijftig ook, hoewel niet in bed. Nee, wat mij opvalt is de lage bevolkingsdichtheid in die ziekenhuiskamers. Men ligt er niet meer ‘op zaal’. En wat mij ook opvalt, zelfs een beetje schokt, is de menging van de seksen. Dat was in mijn tijd ondenkbaar. Zijn de slaapzalen in jeugdherbergen tegenwoordig ook gemengd? Of zijn dat inmiddels hotelkamers geworden? Eigenlijk is de enige vergelijkbare situatie de couchette in de internationale trein, waar de dames zich in bochten moeten wringen om op decente wijze de nacht in te gaan. Maar wie reist er tegenwoordig nog per nachttrein?

Mijn schoonvader veerde, geholpen door het mechaniek van zijn ziekenhuisbed, letterlijk op.
‘Goed dat jullie komen’, hijgde hij. ‘Ik kreeg zo langzamerhand wel behoefte aan wat aanspraak. En van die twee moet ik het niet hebben’.
Hij dacht deze mededeling op gedempte toon te doen, maar door zijn doofheid is hij steeds harder gaan spreken, zodat hij tenminste zijn eigen stem nog hoort. Zijn onthulling schalde dan ook door het vertrek.
‘Die ene spreekt nauwelijks Nederlands’, riep hij. ‘Die met die hoofddoek!’.
‘Hebt u daar wat tegen? meneer Veerman’. Het was niet de Marokkaanse, die aldus reageerde, maar de andere patiënte. Ik liep naar het bed van de dame in kwestie.
‘U moet het mijn schoonvader maar niet kwalijk nemen, zei ik. Hij is 86 jaar en heeft het niet allemaal kunnen bijhouden wat er met de maatschappij gebeurt. Hij bedoelt het niet slecht.’.
‘Een vreselijke man!’ was alles wat ze zei.
Ik keerde terug naar het bed van mijn schoonvader.

Mijn vrouw had hem inmiddels gedwongen zijn hoorapparaat aan te brengen en hij sprak gelukkig wat zachter.
‘Jullie moeten me helpen’, zei hij ‘Ik moet hier weg; anders wordt het mijn dood’.
‘Onzin. Je hebt longembolie en de behandeling duurt nog maar een paar dagen. Dan mag je naar huis’.
‘Wat jij niet weet is dat ze proeven met mij gaan doen. Ik ben namelijk een ideaal proefdier. Omdat ik zo’n sterk hart heb. Daarom kunnen ze mij gebruiken ………’ hij hapte naar adem….’voor hun proeven. Begrijp het toch. Ik moet weg’.
‘Nee hoor. Als je de behandeling stopt; dat is pas gevaarlijk. Hier ben je juist veilig’.
‘Jullie laten een oude man dus aan zijn lot over’.
Hij griste demonstratief het apparaatje uit zijn oor ten teken dat de conversatie was geëindigd. Wij deden er ook het zwijgen toe. De kamer stroomde vol met gehoofddoekte bezoeksters met voor de gelegenheid opgedofte donkere kindertjes in hun kielzog. Het geschuif met stoelen en het geroezemoes maakte een verdere gedachtewisseling met mijn schoonvader onmogelijk. Bovendien had hij het hoofdeinde van zijn bed weer achterover gekanteld en staarde hij naar het plafond. Wij zwegen dus.
Een wagentje met versnaperingen rolde binnen en hij veerde weer op. Iedereen kreeg thee of koffie, ook de bezoekers. Mijn schoonvader keek de zuster na die het wagentje naar het volgende bed duwde.
‘Aardige zuster, hoor’, schetterde hij. ‘Maar dik, veel te dik. Jammer!’
Ik begon het enigszins warm te krijgen. Terwijl Nienke probeerde het gesprek met haar vader weer op gang te krijgen, liet ik mijn gedachten dwalen. Andere mensen overkomt dat: gedachtenvlucht, maar ik zwengel de pomp bewust aan en slaag er gewoonlijk in een stroom van prettige fantasieën op gang te brengen. Niet altijd trouwens: ook de dagdroom kan ontsporen. Maar dit keer ging het naar wens en de tijd verstreek ongemerkt. Ik was net bezig met de auto een besneeuwde bergpas te bestijgen, toen Nienke ons vertrek aankondigde.
‘Overmorgen komen wij weer langs’.
‘Ja tot morgen dan’.
‘Nee, overmorgen en misschien kunnen wij je dan al mee naar huis nemen’.

Wij pakten onze fietsen en reden naar het centrum van de stad. Wij deden boodschappen in de supermarkt, namen een kopje koffie op een terras en met volgeladen fietstassen begonnen wij aan de terugweg naar ons dorp.
‘Ik wil even langs zijn huis’, zei Nienke. 'Planten water geven en kijken of er geen post uit de brievenbus puilt.'
‘Dat is een half uur om’.
‘Toch maar doen’.
Wij sloegen rechtsaf en reden langs het kanaal richting Kortebroek. Het huis van mijn schoonvader is fors bemeten en hij woont er, sinds de dood van zijn vrouw, in zijn eentje. Het heeft een heuse oprijlaan, die ooit pijnlijk nauwkeurig werd schoongehouden, maar nu is overwoekerd.
Godallemachtig!’, zei Nienke. ‘Kijk nou!’
Daar zat hij, op zijn vertrouwde plaats in de erker bij het raam, sigaar tussen de vingers en de jeneverfles onder handbereik. Wij verschaften ons toegang met onze eigen sleutel.
‘Jullie komen als geroepen. Het is net borreluur’.
‘Hoe is het je gelukt om….?’
‘Makkelijk zat. Heb mij aangekleed. Naar beneden gegaan. Bij de receptie taxi laten bestellen.’ Hij glunderde.
‘Had je dan genoeg geld bij je?’
‘Nee, maar hier wel! In het potje voor de werkster’.
Hij trok aan zijn sigaar en begon te hoesten.
‘Ik ben niet helemaal fit, hijgde hij. 'Pak zelf even een glaasje, wil je.’
‘Geen sprake van’, zei Nienke. Je speelt met je leven, weet je dat?’
Zij gebaarde mij met een hoofdbeweging en ik wist wat mij te doen stond. Ik liep naar de hal waar de telefoon hing boven een stapel telefoonboeken en zocht het nummer van het ziekenhuis op.
‘Longziekten, met Marja’.
Ik deed mijn verhaal.
‘Ja, wij misten meneer al. Is hij thuis? Wat doet hij?’
‘Hij zit in zijn stoel, drinkt een borrel en rookt een sigaar’.
‘Laat hem rustig zitten. Hij moet vooral niet gaan lopen. Wij sturen een ambulance’.
Mijn schoonvader was inmiddels een borrel verder.
‘Het smaakt me’ zei hij. ‘Willen jullie echt niet meedoen?’
‘Onder voorwaarde dat je teruggaat naar het ziekenhuis. Voor een paar dagen nog maar. Je wordt zo opgehaald, maar we kunnen nog wel een glaasje drinken.’
Hij ging akkoord en had het niet meer over proeven waaraan hij zou worden onderworpen. Misschien helpt alcohol tegen paranoia, hoewel ik niet denk dat het vaak wordt voorgeschreven.
Een kwartier later werd hij door twee potige broeders uit zijn zetel bij de borreltafel gehesen en op de draagbaar gedeponeerd.
‘Kinderen’ riep hij nog, ‘als ik niet terugkom, kijk onder de vloer…..onder de vloer…..dingen van waarde. Voor als het oorlog wordt…!’

Nienke goot onze onaangeroerde borrels terug in de fles en doofde de nog smeulende sigaar. Ik liet mijn ogen over de vloer dwalen. Ze volgde mijn blik.
‘Hij raaskalde natuurlijk weer, maar als je het echt wilt weten….ik geloof dat daar in de hoek onder het dressoir een luik zit.' Ik kwam overeind.
‘Niet met je goeie kleren’ zei ze. ‘Doe het morgen maar. Neem een vrije dag. Dan kunnen wij meteen de tuin hier fatsoeneren’.

Wij hadden een paar uur geschoffeld, gesnoeid en geharkt toen het begon te regenen.
‘Pauze!’ riep ik. ‘We gaan schatgraven’.
Wij versleepten het dressoir en daar zat het, keurig uitgezaagd uit het parket, met een verzonken koperen ring in het midden. Ik opende het luik. De scherpe geur van schimmel steeg op uit de duisternis.
‘Verdomme, zaklamp vergeten!’.
‘In de meterkast hangt er vast wel een’.
Ik ging kijken.
‘Klopt’ riep ik, ‘maar de batterijen zijn leeg’.
Ik pakte de sleutel van de garage. De oude Saab stond er nog, ongebruikt sinds zijn rijbewijs was ingetrokken, nu bijna een jaar geleden. Spinrag langs spiegels en bumpers. Wij hadden hem willen verkopen, maar hij had dat niet toegestaan. ‘Ik kan die auto nog nodig hebben, voor als ik moet vluchten’. Ik opende de bagageruimte en vond een pechlamp in de gereedschapskoffer.

Gelukkig lijd ik niet aan claustrofobie, maar ook zonder dat was het een zware tocht, in tijgersluipgang door het schemerige natte landschap onder de balken. De pechlamp verbruikte kennelijk zijn laatste krachten en onthulde niet meer dan de directe omgeving. Het terrein daalde en ik bescheen een watervlakte, een compleet meer. Geen gezonde kruipruimte. Aan de overkant ontwaarde ik vage contouren. Het konden dozen of kisten zijn.
‘Waar zit je?’ klonk het, ver weg, ergens boven mijn hoofd.
‘In de onderwereld. Ik wacht op Charon’, schreeuwde ik. Ik kroop langs de oevers rondom de waterplas, maar moest toch nog een riviertje oversteken om bij de dozen te komen. Zij waren van plastic. Maar goed ook, want geen ander materiaal zou het hier hebben volgehouden. De lamp flakkerde als een kaars en begaf het, maar ik had genoeg gezien.

In het aardedonker aanvaardde ik de terugweg in de richting van de lichtvlek die de plaats van het geopende luik markeerde: als een Arctische zeehond onder het ijs op weg naar zijn luchtgat. Het was meteen de kortste weg, dwars door de vijver. De bodem lag bezaaid met ruwe objecten, stukken baksteen zo te voelen. Ik stuitte op ijzeren buizen, vermolmd hout en al kruipend tastte ik de ruimte voor mij af om scherven en rechtopstaande spijkers tijdig te detecteren. Ik voelde het terrein weer stijgen en stootte mijn hoofd tegen een balk. Ik dook dieper weg en kroop verder. Vochtige slierten streken langs mijn gezicht. Ik bereikte de uitgang en klom uit het gat.

‘Wat zie je eruit!’ Nienke leek opgelucht. ‘En….heb je wat gevonden?’
‘Jenever’ zei ik, ‘minstens vijftig flessen. Zal ik ze boven halen?’
Ze dacht even na.
‘Nee’, zei ze. ‘Laat maar liggen. We wachten netjes op de oorlog.’
 
************************
De tekening is van Elène Klaren
 
****************************************************
De Leunstoel wordt uitgegeven door Het Genootschap De Leunstoel.
Leden van het Genootschap zijn: Jaap van Lakerveld, Jan Hoorweg, Katharina Kouwenhoven, Henk Klaren, Dik Kruithof, Gábor Budavári, Michiel van der Mast, Maeve van der Steen, Willem Minderhout, Barbara Muller, Joop Quint, Gerda-Joke Zwart, Michiel Hoorweg, Hans Meijer, Gerbrand Muller, Peter Schröder, Carlo van Praag, Rob Kieft, Ruud van Ruijven, Frits Hoorweg, Tom Duijkers, Haitze Meurs en Ruud Klein.
© 2012 Carlo van Praag
powered by CJ2