archiefvorig nr.lopend nr.

Vermaak en Genot > De wereldliteratuur roept delen printen terug
Verrukkullukke korted verhalen Henk Bergman

0109 Verrukkelijke korte verhalenHet eerste literaire boek dat ik ooit kocht was Een ellendige nietsnut (en andere verhalen) van Remco Campert. Boekje is een betere omschrijving, want het was Literaire Pocket No 49, uitgegeven door De Bezige Bij. In 1960, het jaar van aanschaf, kostte het ƒ 2,50 - een heel bedrag voor een jongen van dertien. Maar 44 jaar later heb ik het nog steeds en ik kijk het ook nog wel eens in, dus die rijksdaalder is goed besteed. De voorpagina van de cover wordt geheel in beslag genomen door een foto van de auteur zelf, minzaam lachend en met een borrelglaasje in de hand. Het titelverhaal gaat over de jonge tekenaar Lex Etten, die probeert een bestaan op te bouwen als illustrator. Dat lukt niet en de voornaamste reden is zijn gebrek aan talent - waarvan hij zich pijnlijk bewust is. De geschiedenis begint als hij gaat scheiden van Joke, met wie hij ruim twee jaar getrouwd is geweest. Zij was degene die tijdens het huwelijk voor het geld zorgde, want al spoedig bleek dat Lex daartoe niet in staat was. Gedurende het verdere verhaal worden we op de hoogte gesteld van Lex’ pogingen om orde en regelmaat in zijn leven te brengen. Bescheiden pogingen overigens, want het liefst zit hij in de kroeg of slaapt hij. De hele geschiedenis maakte destijds weinig indruk op me. Gewoon een slappe lul, die Lex. Maar ik was wel direct gegrepen door Camperts schrijfstijl. Recensent Max Pam omschreef die onlangs in HP/De Tijd als 'eenvoudig en weemoedig'. Dat vind ik een juiste typering, zij het dat ik er graag 'ironisch' en 'luchtig' aan toevoeg.

Ik wilde meer van Campert lezen. Voor mijn verjaardag vroeg ik aan mijn ouders
Het leven is verrukkulluk
. Dat was een Literaire Reuzenpocket (No 24), die ƒ 4,50 kostte. Ik kreeg het boek en stortte mij direct in de avonturen van Panda, Mees en Boelie. 's Avonds laat moet mijn vader het ook ingekeken hebben, want de volgende dag deelde hij me mee dat ik het moest gaan ruilen. Dergelijke ‘misselijke’ boeken wilde hij niet in huis hebben. Ik schrok en vroeg me af waaraan hij zich vooral gestoord had: aan zinnetjes als ‘Vind je mijn borsten mooi?’ (uitgesproken door Panda en voor een jongen van veertien heel opwindend) of aan het feit dat de hoofdpersonen (die nauwelijks ouder waren dan ik) zich in het Leidsepleinmilieu ophielden en converseerden als volwassenen. Het hem vragen had geen zin, want mijn vader was niet iemand die met zijn zoons in discussie ging. Tegen de omruilactie zag ik wel op. Wat voor verhaal moest ik opdissen zonder een rood hoofd te krijgen? Het zal wel iets geweest zijn als ‘Dit boek heb ik op mijn verjaardag twee keer gekregen’. Ik ging weer naar huis met twee Havanks van
ƒ 1,75 per stuk - plus een gulden vanwege het prijsverschil.

Mijn vader bereikte met zijn actie natuurlijk het tegendeel van wat hij wilde: mijn belangstelling voor Campert was juist groter geworden. Het leven is verrukkulluk las ik in twee etappes uit bij een schoolvriendje, wiens vader hardop moest lachen toen ik hem vertelde wat de reden daarvan was. Hij had het zelf ook gelezen, zei hij, en zich best vermaakt - wat natuurlijk mijn jaloezie opriep. In het geheim kocht ik enkele andere pockets, die ik voor alle zekerheid (er kwam overigens geen onvertogen woord in voor) verstopte in de fietsenbox in ons flatgebouw. Eén daarvan was Het paard van Ome Loeks, een Zwart Beertje uit 1962 dat ik ook nog steeds heb. Het bevat 79 korte stukjes die Campert eerder in kranten en weekbladen publiceerde. Ik heb die uitgave in de afgelopen veertig jaar ooit één keer bij iemand anders in de boekenkast zien staan en vlei me daarom met de gedachte iets bijzonders te bezitten. Enkele bijdragen maken me - hoe vaak ik ze ook lees - steeds weer aan het lachen en inmiddels ken ik die vrijwel uit mijn hoofd. Dat geldt speciaal voor 'Het verschrikkelijke buitenleven', een vrolijke schets over iemand die al sinds jaar en dag buiten woont, maar daar niet de zo voor de hand liggende rust heeft gevonden. Integendeel, het buitenleven heeft een nerveus wrak van hem gemaakt. Op mijn vijftiende zag ik de acteur Wil van Selst de schets eens tot groot vermaak van de zaal opvoeren bij een wedstrijd voor jong toneeltalent en toen ik zelf in de werkweek van de vierde klas de opdracht kreeg op de bonte avond iets voor te dragen, was mijn keus gauw gemaakt.

Vele jaren later stuurde ik Campert - via zijn uitgever - een brief waarin ik mij als liefhebber van zijn werk presenteerde en plastisch het ingrijpen van mijn vader bij het lezen van Het leven is verrukkulluk beschreef. Daarnaast vroeg ik hem of ik een bijdrage uit Het paard van Ome Loeks ('Geen woord Frans', een ironische verhandeling over de onhebbelijkheden van de Fransgezinden in Nederland) mocht publiceren in een speciaal nummer over Frankrijk van het weekblad Intermediair, waarvan ik toen hoofdredacteur was. Of zijn antwoord instemmend of afwijzend zou zijn maakte me niets uit. Een briefje van de meester, aan mij persoonlijk gericht - daar ging het me om. Misschien zou hij iets aardigs terugschrijven; misschien nodigde hij me als trouwe lezer wel uit om eens langs te komen. Maar helaas, ik kreeg nooit antwoord.

In totaal heb ik twintig boeken van Campert. Elf daarvan (waaronder twee dichtbundels) zijn uitgegeven in de jaren zestig, drie in de jaren tachtig, vier in de jaren negentig, één is uit 2003 en één uit 2004. Zijn korte werk heeft me altijd meer aangesproken dan zijn lange. Liefdes schijnbewegingen, Het gangstermeisje, Tjeempie! en Gouden dagen - is dat een volledige opsomming van zijn romans na Het leven is verrukkulluk? - heb ik ooit gelezen, maar ik herinner me er niet al te veel van. Blijvend genieten is het echter van zijn verhalen en notities over feesten, het geven van namen aan poezen, een reisje naar Zwolle, de o zo verraderlijke natuur, Somberman, mensen die zeuren, mooie vriendinnen en het jonge ding uit de achterban. Ik prijs de ochtenden dat Campert aan de beurt is voor CaMu in de Volkskrant . Hij schrijft op een superieure manier over klein leed of miniem geluk - en dat ligt op dat tijdstip van de dag aanzienlijk prettiger op de nog kwetsbare maag dan de linkse clichémeninkjes van Jan Mulder.

Een paar weken geleden las ik Camperts meest recente werk: de roman Een liefde in Parijs. Ik ervoer enige gelijkenis met Een ellendige nietsnut, want de hoofdpersoon - schrijver Richard Sanders - heeft weliswaar in Nederland succes met zijn werk, maar voelt zich toch inferieur aan zijn vriend Tovèr, met wie hij in zijn jonge jaren in Parijs vertoefde en die nu een alom bekend schilder is. Ik verwees hierboven al even naar een recensie van Max Pam, waarvan de kern is dat Een liefde in Parijs 145 van de 160 bladzijden een goede roman is, maar dat Campert zijn mooie beschrijvingen van overleven in Parijs en van het uit elkaar groeien van Sanders en Tovèr bijna kapot maakt door het verhaal van een volkomen onnodige en doorzichtige ontknoping te voorzien. Pam heeft gelijk. Maar ik vergeef het Campert graag, want ik ken geen Nederlandse prozaschrijver die zich zo makkelijk en sierlijk op de vierkante meter beweegt als hij.

© 2004 Henk Bergman meer Henk Bergman - meer "De wereldliteratuur roept"
Vermaak en Genot > De wereldliteratuur roept
Verrukkullukke korted verhalen Henk Bergman
0109 Verrukkelijke korte verhalenHet eerste literaire boek dat ik ooit kocht was Een ellendige nietsnut (en andere verhalen) van Remco Campert. Boekje is een betere omschrijving, want het was Literaire Pocket No 49, uitgegeven door De Bezige Bij. In 1960, het jaar van aanschaf, kostte het ƒ 2,50 - een heel bedrag voor een jongen van dertien. Maar 44 jaar later heb ik het nog steeds en ik kijk het ook nog wel eens in, dus die rijksdaalder is goed besteed. De voorpagina van de cover wordt geheel in beslag genomen door een foto van de auteur zelf, minzaam lachend en met een borrelglaasje in de hand. Het titelverhaal gaat over de jonge tekenaar Lex Etten, die probeert een bestaan op te bouwen als illustrator. Dat lukt niet en de voornaamste reden is zijn gebrek aan talent - waarvan hij zich pijnlijk bewust is. De geschiedenis begint als hij gaat scheiden van Joke, met wie hij ruim twee jaar getrouwd is geweest. Zij was degene die tijdens het huwelijk voor het geld zorgde, want al spoedig bleek dat Lex daartoe niet in staat was. Gedurende het verdere verhaal worden we op de hoogte gesteld van Lex’ pogingen om orde en regelmaat in zijn leven te brengen. Bescheiden pogingen overigens, want het liefst zit hij in de kroeg of slaapt hij. De hele geschiedenis maakte destijds weinig indruk op me. Gewoon een slappe lul, die Lex. Maar ik was wel direct gegrepen door Camperts schrijfstijl. Recensent Max Pam omschreef die onlangs in HP/De Tijd als 'eenvoudig en weemoedig'. Dat vind ik een juiste typering, zij het dat ik er graag 'ironisch' en 'luchtig' aan toevoeg.

Ik wilde meer van Campert lezen. Voor mijn verjaardag vroeg ik aan mijn ouders
Het leven is verrukkulluk
. Dat was een Literaire Reuzenpocket (No 24), die ƒ 4,50 kostte. Ik kreeg het boek en stortte mij direct in de avonturen van Panda, Mees en Boelie. 's Avonds laat moet mijn vader het ook ingekeken hebben, want de volgende dag deelde hij me mee dat ik het moest gaan ruilen. Dergelijke ‘misselijke’ boeken wilde hij niet in huis hebben. Ik schrok en vroeg me af waaraan hij zich vooral gestoord had: aan zinnetjes als ‘Vind je mijn borsten mooi?’ (uitgesproken door Panda en voor een jongen van veertien heel opwindend) of aan het feit dat de hoofdpersonen (die nauwelijks ouder waren dan ik) zich in het Leidsepleinmilieu ophielden en converseerden als volwassenen. Het hem vragen had geen zin, want mijn vader was niet iemand die met zijn zoons in discussie ging. Tegen de omruilactie zag ik wel op. Wat voor verhaal moest ik opdissen zonder een rood hoofd te krijgen? Het zal wel iets geweest zijn als ‘Dit boek heb ik op mijn verjaardag twee keer gekregen’. Ik ging weer naar huis met twee Havanks van
ƒ 1,75 per stuk - plus een gulden vanwege het prijsverschil.

Mijn vader bereikte met zijn actie natuurlijk het tegendeel van wat hij wilde: mijn belangstelling voor Campert was juist groter geworden. Het leven is verrukkulluk las ik in twee etappes uit bij een schoolvriendje, wiens vader hardop moest lachen toen ik hem vertelde wat de reden daarvan was. Hij had het zelf ook gelezen, zei hij, en zich best vermaakt - wat natuurlijk mijn jaloezie opriep. In het geheim kocht ik enkele andere pockets, die ik voor alle zekerheid (er kwam overigens geen onvertogen woord in voor) verstopte in de fietsenbox in ons flatgebouw. Eén daarvan was Het paard van Ome Loeks, een Zwart Beertje uit 1962 dat ik ook nog steeds heb. Het bevat 79 korte stukjes die Campert eerder in kranten en weekbladen publiceerde. Ik heb die uitgave in de afgelopen veertig jaar ooit één keer bij iemand anders in de boekenkast zien staan en vlei me daarom met de gedachte iets bijzonders te bezitten. Enkele bijdragen maken me - hoe vaak ik ze ook lees - steeds weer aan het lachen en inmiddels ken ik die vrijwel uit mijn hoofd. Dat geldt speciaal voor 'Het verschrikkelijke buitenleven', een vrolijke schets over iemand die al sinds jaar en dag buiten woont, maar daar niet de zo voor de hand liggende rust heeft gevonden. Integendeel, het buitenleven heeft een nerveus wrak van hem gemaakt. Op mijn vijftiende zag ik de acteur Wil van Selst de schets eens tot groot vermaak van de zaal opvoeren bij een wedstrijd voor jong toneeltalent en toen ik zelf in de werkweek van de vierde klas de opdracht kreeg op de bonte avond iets voor te dragen, was mijn keus gauw gemaakt.

Vele jaren later stuurde ik Campert - via zijn uitgever - een brief waarin ik mij als liefhebber van zijn werk presenteerde en plastisch het ingrijpen van mijn vader bij het lezen van Het leven is verrukkulluk beschreef. Daarnaast vroeg ik hem of ik een bijdrage uit Het paard van Ome Loeks ('Geen woord Frans', een ironische verhandeling over de onhebbelijkheden van de Fransgezinden in Nederland) mocht publiceren in een speciaal nummer over Frankrijk van het weekblad Intermediair, waarvan ik toen hoofdredacteur was. Of zijn antwoord instemmend of afwijzend zou zijn maakte me niets uit. Een briefje van de meester, aan mij persoonlijk gericht - daar ging het me om. Misschien zou hij iets aardigs terugschrijven; misschien nodigde hij me als trouwe lezer wel uit om eens langs te komen. Maar helaas, ik kreeg nooit antwoord.

In totaal heb ik twintig boeken van Campert. Elf daarvan (waaronder twee dichtbundels) zijn uitgegeven in de jaren zestig, drie in de jaren tachtig, vier in de jaren negentig, één is uit 2003 en één uit 2004. Zijn korte werk heeft me altijd meer aangesproken dan zijn lange. Liefdes schijnbewegingen, Het gangstermeisje, Tjeempie! en Gouden dagen - is dat een volledige opsomming van zijn romans na Het leven is verrukkulluk? - heb ik ooit gelezen, maar ik herinner me er niet al te veel van. Blijvend genieten is het echter van zijn verhalen en notities over feesten, het geven van namen aan poezen, een reisje naar Zwolle, de o zo verraderlijke natuur, Somberman, mensen die zeuren, mooie vriendinnen en het jonge ding uit de achterban. Ik prijs de ochtenden dat Campert aan de beurt is voor CaMu in de Volkskrant . Hij schrijft op een superieure manier over klein leed of miniem geluk - en dat ligt op dat tijdstip van de dag aanzienlijk prettiger op de nog kwetsbare maag dan de linkse clichémeninkjes van Jan Mulder.

Een paar weken geleden las ik Camperts meest recente werk: de roman Een liefde in Parijs. Ik ervoer enige gelijkenis met Een ellendige nietsnut, want de hoofdpersoon - schrijver Richard Sanders - heeft weliswaar in Nederland succes met zijn werk, maar voelt zich toch inferieur aan zijn vriend Tovèr, met wie hij in zijn jonge jaren in Parijs vertoefde en die nu een alom bekend schilder is. Ik verwees hierboven al even naar een recensie van Max Pam, waarvan de kern is dat Een liefde in Parijs 145 van de 160 bladzijden een goede roman is, maar dat Campert zijn mooie beschrijvingen van overleven in Parijs en van het uit elkaar groeien van Sanders en Tovèr bijna kapot maakt door het verhaal van een volkomen onnodige en doorzichtige ontknoping te voorzien. Pam heeft gelijk. Maar ik vergeef het Campert graag, want ik ken geen Nederlandse prozaschrijver die zich zo makkelijk en sierlijk op de vierkante meter beweegt als hij.
© 2004 Henk Bergman
powered by CJ2