archiefvorig nr.lopend nr.

Vermaak en Genot > De wereldliteratuur roept delen printen terug
De creationistische bijbel in 18 boeken Carlo van Praag

0510VG LitCP
Het bijgeloof wil dat je niet onder een ladder door moet lopen, omdat dat ongeluk brengt. Zou het werkelijk zo zijn? Ik ben onderzoeker in hart en nieren en kon geen weerstand bieden aan de verleiding deze brandende kwestie voor eens en voor altijd op te lossen. Ik trok een steekproef van 6.000 landgenoten die ik in twee helften van elk 3.000 verdeelde, een risicogroep en een controlegroep. Ik formeerde een opstelling van 100 ladders waaronder ik de leden van de risicogroep deed passeren. De controlegroep legde hetzelfde traject af, maar zij liep om de ladders heen en niet eronderdoor. Zowel vóór het experiment als twee maanden daarna kregen de deelnemers uit beide groepen een uitvoerige vragenlijst voorgelegd waarin de nadruk viel op vragen naar levensgeluk en gebeurtenissen die daarop in de na het experiment verstreken periode van invloed waren geweest. En wat bleek? Degenen die onder de honderd ladders waren doorgelopen, rapporteerden een toename van levensgeluk, terwijl de controlegroep op dit punt geen wijziging meldde. Het was een klein verschil tussen beide groepen, maar toch statistisch significant en al met al een ware revelatie: onder een ladder doorlopen brengt geluk!

U denkt dat u op de hak wordt genomen en dat is ook zo. Maar denk niet dat dergelijk onderzoek in werkelijkheid nooit plaatsvindt! Zo zijn er diverse studies naar de invloed van bidden op het herstel van patiënten in ziekenhuizen. Een verslag daarvan vond ik in een artikel van Marcel Sarot getiteld ‘Bidden tegen beter weten in?’. Sarot is theoloog en voorzitter van de Nederlandse Onderzoeksschool voor Theologie en Religiewetenschap. Eén van de door hem beschreven studies betrof ruim 1.800 hartpatiënten die een bypassoperatie ondergingen. Voor een deel van deze groep werd dagelijks, meermalen, gebeden, welke service werd verleend door twee Rooms-katholieke kloosters en een protestantse gebedsgroep. De overige patiënten moesten het zonder voorbede stellen. Het geheel doet sterk denken aan mijn ladderonderzoek, ook al doordat uiteindelijk bleek dat het herstel beter vlotte bij degenen voor wie juist niet werd gebeden. Moeten wij het bidden dan maar laten? Nee, zegt Sarot, want dit soort experimenten geeft geen uitsluitsel over de effectiviteit van de voorbede. En waarom dan wel niet? Omdat ‘niet voorkomen kan worden dat buiten het experiment ook voor de patiënt wordt gebeden’. Voorts om reden dat ‘de voorbede onvermijdelijk van karakter verandert doordat ze in het kader van een experiment plaatsvindt’. Sarot wijst het onderzoek dus niet af vanwege de onzinnigheid van de hypothese die eraan ten grondslag ligt, maar vanwege zijn laboratoriumtechnische beperkingen. Sarot valt niet van zijn geloof af en zal wel doorbidden.

Hij heeft dat gemeen met de meeste andere auteurs die aan dezelfde bundel ‘Omhoog kijken in platland: over geloven in de wetenschap’ hebben bijgedragen. De bundel biedt in zijn verscheidenheid een fraai verslag van het gevecht der gelovigen voor het behoud van hun geslonken territorium. De 18 medewerkers aan het boek zijn voor bijna de helft theologen, maar er hebben ook acht auteurs aan bijgedragen met een op zijn minst gedeeltelijk natuurwetenschappelijke achtergrond, waaronder de welbekende Cees Dekker. Verstandig, want de natuurwetenschappen zijn door de eeuwen heen de grootste kwelgeest van de religie geweest en je kunt het kwaad het beste met zijn eigen middelen bestrijden.

Die conflictueuze relatie tussen natuurwetenschap en religie wordt overigens in één van de bijdragen aan deze bundel, die van Kees de Pater, ontkend of in elk geval danig gerelativeerd. Tal van grote wetenschappers uit vervlogen tijden waren immers vrome christenen en zelfs geestelijken, zegt De Pater. Boyle, Newton, Faraday, Maxwell en talloze anderen zagen in de volmaaktheid van de natuurlijke orde een bevestiging van haar goddelijke oorsprong.
Wat kun je daartegen zeggen? Dat ook Galileï met zijn heliocentrisch wereldbeeld, een gelovig katholiek was, heeft hem niet behoed van vervolging door de Kerk. Hij moest zijn stellingen herroepen om te ontkomen aan de brandstapel (die zijn tijdgenoot Giordano Bruno niet ontliep) en werd slechts veroordeeld tot levenslang huisarrest. Copernicus die een eeuw eerder al blijk had gegeven van het inzicht dat de aarde om de zon draaide, ging met de uiterste behoedzaamheid te werk om niet in conflict te geraken met de Kerk. En zij allen prijkten eeuwenlang braaf op de Index, in het gezelschap van Erasmus, Spinoza, Descartes, Pascal, Kant, Hume, Locke, Diderot, Voltaire, Rousseau en Sartre, om er maar enkelen te noemen. En dat vele pre-Darwinistische wetenschappers hun toevlucht zochten tot God om de verscheidenheid en de volmaaktheid van de soorten te verklaren, is geen fraai argument voor het goede huwelijk tussen wetenschap en religie. Dat Darwin door de Anglicaanse kerk fel werd aangevallen, vormt eerder bewijs van het tegendeel. Maar goed, in 1992 heeft de Paus zijn excuses aangeboden voor de veroordeling van Galilei en in 2000 ook nog eens voor de inquisitie.

Die bijdrage van De Pater is het lezen en overwegen nog waard. Dat geldt niet voor de drie bijdragen over de geloofwaardigheid van de bijbel die geen andere bedoeling hebben dan de Schrift overeind te houden. Vooral van het artikel van Ouweneel lusten de honden geen brood. De bijbel is waar, de rest van wat wij weten, is hooguit een tijdelijke of een partiële waarheid. ‘Ondanks deze nieuwe wetenschapsfilosofische inzichten lijkt het vandaag voor velen vanzelfsprekend om te zeggen dat wetenschap waarheid oplevert, en de bijbel hoogstens inspiratie voor het godsdienstige leven. In zekere zin is het eerder omgekeerd: wetenschappelijke theorieën hebben hoogstens een zekere “geldigheid” (zolang ze niet gefalsificeerd zijn), terwijl het in de bijbel om de waarheid in de hoogste zin gaat’ (p. 149, 150). Volgt verwijzing naar een aantal bijbelteksten. Bravo!

De bioloog en farmacoloog Smelik die in zijn bijdrage onophoudelijk van zijn diepchristelijk geloof getuigt, meent dat de evolutie een doelbewust (goddelijk) programma inhoudt met de mens als eindproduct. ‘Zonder de mens zou dit heelal nooit waargenomen zijn. Dat zou de schepping zinloos maken, een toneelstuk voor een lege zaal’ (p. 179). Alsof een toneelstuk niet zonder publiek kan worden opgevoerd! In feite was de zaal de afgelopen tien of twintig miljard jaar (het exacte cijfer heb ik niet bij de hand) voortdurend leeg.

De precieze relatie tussen wetenschap en wonderen ‘is het onderwerp geweest van een langdurig en onbeslist debat’ zegt de theoretisch natuurkundige Ard Louis in zijn bijdrage (p. 193). Dat kun je inderdaad beweren als je, zoals deze auteur, ook meent dat de natuurwetenschap niet een toetssteen kan zijn voor de beoordeling van bijbelse wonderen. Toch wil hij nog wel even kwijt dat er heel sterke (en hij bedoelt wetenschappelijk sterke) argumenten zijn voor de geloofwaardigheid van de opstanding (p.195).

Enkele auteurs richten hun pijlen op het fysicalisme (of materialisme) dat de mens wil reduceren tot zijn fysiologische hoedanigheid en geen ruimte biedt voor een ziel of voor het perspectief van onsterfelijkheid. ‘…wie met droge ogen durft te beweren dat wij enkel automaten zijn, een bewering die volstrekt tegen de common sense en de menselijke waardigheid indruist, moet wel het lef hebben om de bewijslast op zich te nemen. En dat bewijs is door niemand geleverd’ (Labooy op p. 270). Ook Cees Dekker moet niets hebben van het beeld dat de atheïstische fysicalisten van de mens hebben als niet meer dan een bundel zelfzuchtige genen of van diens geest als een pakket van honderd miljard hersencellen. Dat doet geen recht aan de menselijke waardigheid en de fundamentele verschillen tussen mens en dier, waarvan wellicht de belangrijkste bestaat in de religieuze geaardheid van de mens (p. 295). Volgens Dekker hebben christenen vanaf het allereerste begin geijverd voor de waardigheid van de mens en waren zij voortdurend doende om de armen en de zieken te helpen, de zuigelingenmoord te voorkomen en de vrouw een betere positie te verschaffen, terwijl zij rassendiscriminatie, onrechtvaardige economische structuren en abortus bestreden. Wie dat met droge ogen (nu gebruik ik de uitdrukking ook maar eens) durft te beweren, verdient nog wat voorlichting, denk ik. Het zwartboek van het christendom is een volumineus werk, met forse hoofdstukken over sociale onrechtvaardigheid en rassendiscriminatie, om van stelselmatige sabotage van alles wat wij nu als vooruitgang beschouwen maar te zwijgen. Je kunt hooguit zeggen dat de niet-christenen grosso modo ook geen beste staat van dienst hebben.

Waarom ben ik zo bezig met die creationisten en andere vrome lieden. Ik heb nu al 300 pagina’s christelijke wetenschap doorgezwoegd en ik ben nog niets tegengekomen dat mij nader brengt tot het geloof. In tegendeel: ik vind de bijdragen, op een paar uitzonderingen na, beneden peil. Neem bij voorbeeld de onnavolgbare sofisterij van Alvin Plantinga die net zo lang rotzooit met het begrip wetenschap totdat de meest oncontroleerbare beweringen eronder komen te vallen en er vervolgens hun geldigheid aan ontlenen. Aldus stelt hij zijn geloof veilig. Dan ben ik intussen in Boek Achttien op pagina 399 en daar houdt het op, los van een apocrief werk van de hand van Willem Jan Otten die het, met de ijver van de bekeerling, opneemt voor Paus Urbanus VIII en tegen Galilei. En die deze bundel religieuze prietpraat een doorbraak vindt. ‘....simpelweg ontkennen dat belijdende christenen, als het erop aan komt, niet in de rationaliteit horen, is na dit boek niet goed mogelijk’ (p.408).

Heb ik doorgezet in de hoop toch nog het licht te zien? Hunker ik heimelijk naar de genade van het geloof en wie weet, een vervolg van mijn armzalige bestaan in een hiernamaals waar veel aan mij zal worden goedgemaakt? Zal de goddelijke vonk alsnog overspringen? Ik geloof van niet!

Cees Dekker, René van Woudenberg en Gijsbert van den Brink: Omhoog kijken in platland. Over geloven in de wetenschap. Uitg. Ten Have, 2007
 
*************************
Nieuwsgierig naar de uitgaven
van uitgeverij De Sneeuwstorm?
Verwen uzelf en vraag gratis
Het laatste Vlugschrift aan via:


© 2008 Carlo van Praag meer Carlo van Praag - meer "De wereldliteratuur roept"
Vermaak en Genot > De wereldliteratuur roept
De creationistische bijbel in 18 boeken Carlo van Praag
0510VG LitCP
Het bijgeloof wil dat je niet onder een ladder door moet lopen, omdat dat ongeluk brengt. Zou het werkelijk zo zijn? Ik ben onderzoeker in hart en nieren en kon geen weerstand bieden aan de verleiding deze brandende kwestie voor eens en voor altijd op te lossen. Ik trok een steekproef van 6.000 landgenoten die ik in twee helften van elk 3.000 verdeelde, een risicogroep en een controlegroep. Ik formeerde een opstelling van 100 ladders waaronder ik de leden van de risicogroep deed passeren. De controlegroep legde hetzelfde traject af, maar zij liep om de ladders heen en niet eronderdoor. Zowel vóór het experiment als twee maanden daarna kregen de deelnemers uit beide groepen een uitvoerige vragenlijst voorgelegd waarin de nadruk viel op vragen naar levensgeluk en gebeurtenissen die daarop in de na het experiment verstreken periode van invloed waren geweest. En wat bleek? Degenen die onder de honderd ladders waren doorgelopen, rapporteerden een toename van levensgeluk, terwijl de controlegroep op dit punt geen wijziging meldde. Het was een klein verschil tussen beide groepen, maar toch statistisch significant en al met al een ware revelatie: onder een ladder doorlopen brengt geluk!

U denkt dat u op de hak wordt genomen en dat is ook zo. Maar denk niet dat dergelijk onderzoek in werkelijkheid nooit plaatsvindt! Zo zijn er diverse studies naar de invloed van bidden op het herstel van patiënten in ziekenhuizen. Een verslag daarvan vond ik in een artikel van Marcel Sarot getiteld ‘Bidden tegen beter weten in?’. Sarot is theoloog en voorzitter van de Nederlandse Onderzoeksschool voor Theologie en Religiewetenschap. Eén van de door hem beschreven studies betrof ruim 1.800 hartpatiënten die een bypassoperatie ondergingen. Voor een deel van deze groep werd dagelijks, meermalen, gebeden, welke service werd verleend door twee Rooms-katholieke kloosters en een protestantse gebedsgroep. De overige patiënten moesten het zonder voorbede stellen. Het geheel doet sterk denken aan mijn ladderonderzoek, ook al doordat uiteindelijk bleek dat het herstel beter vlotte bij degenen voor wie juist niet werd gebeden. Moeten wij het bidden dan maar laten? Nee, zegt Sarot, want dit soort experimenten geeft geen uitsluitsel over de effectiviteit van de voorbede. En waarom dan wel niet? Omdat ‘niet voorkomen kan worden dat buiten het experiment ook voor de patiënt wordt gebeden’. Voorts om reden dat ‘de voorbede onvermijdelijk van karakter verandert doordat ze in het kader van een experiment plaatsvindt’. Sarot wijst het onderzoek dus niet af vanwege de onzinnigheid van de hypothese die eraan ten grondslag ligt, maar vanwege zijn laboratoriumtechnische beperkingen. Sarot valt niet van zijn geloof af en zal wel doorbidden.

Hij heeft dat gemeen met de meeste andere auteurs die aan dezelfde bundel ‘Omhoog kijken in platland: over geloven in de wetenschap’ hebben bijgedragen. De bundel biedt in zijn verscheidenheid een fraai verslag van het gevecht der gelovigen voor het behoud van hun geslonken territorium. De 18 medewerkers aan het boek zijn voor bijna de helft theologen, maar er hebben ook acht auteurs aan bijgedragen met een op zijn minst gedeeltelijk natuurwetenschappelijke achtergrond, waaronder de welbekende Cees Dekker. Verstandig, want de natuurwetenschappen zijn door de eeuwen heen de grootste kwelgeest van de religie geweest en je kunt het kwaad het beste met zijn eigen middelen bestrijden.

Die conflictueuze relatie tussen natuurwetenschap en religie wordt overigens in één van de bijdragen aan deze bundel, die van Kees de Pater, ontkend of in elk geval danig gerelativeerd. Tal van grote wetenschappers uit vervlogen tijden waren immers vrome christenen en zelfs geestelijken, zegt De Pater. Boyle, Newton, Faraday, Maxwell en talloze anderen zagen in de volmaaktheid van de natuurlijke orde een bevestiging van haar goddelijke oorsprong.
Wat kun je daartegen zeggen? Dat ook Galileï met zijn heliocentrisch wereldbeeld, een gelovig katholiek was, heeft hem niet behoed van vervolging door de Kerk. Hij moest zijn stellingen herroepen om te ontkomen aan de brandstapel (die zijn tijdgenoot Giordano Bruno niet ontliep) en werd slechts veroordeeld tot levenslang huisarrest. Copernicus die een eeuw eerder al blijk had gegeven van het inzicht dat de aarde om de zon draaide, ging met de uiterste behoedzaamheid te werk om niet in conflict te geraken met de Kerk. En zij allen prijkten eeuwenlang braaf op de Index, in het gezelschap van Erasmus, Spinoza, Descartes, Pascal, Kant, Hume, Locke, Diderot, Voltaire, Rousseau en Sartre, om er maar enkelen te noemen. En dat vele pre-Darwinistische wetenschappers hun toevlucht zochten tot God om de verscheidenheid en de volmaaktheid van de soorten te verklaren, is geen fraai argument voor het goede huwelijk tussen wetenschap en religie. Dat Darwin door de Anglicaanse kerk fel werd aangevallen, vormt eerder bewijs van het tegendeel. Maar goed, in 1992 heeft de Paus zijn excuses aangeboden voor de veroordeling van Galilei en in 2000 ook nog eens voor de inquisitie.

Die bijdrage van De Pater is het lezen en overwegen nog waard. Dat geldt niet voor de drie bijdragen over de geloofwaardigheid van de bijbel die geen andere bedoeling hebben dan de Schrift overeind te houden. Vooral van het artikel van Ouweneel lusten de honden geen brood. De bijbel is waar, de rest van wat wij weten, is hooguit een tijdelijke of een partiële waarheid. ‘Ondanks deze nieuwe wetenschapsfilosofische inzichten lijkt het vandaag voor velen vanzelfsprekend om te zeggen dat wetenschap waarheid oplevert, en de bijbel hoogstens inspiratie voor het godsdienstige leven. In zekere zin is het eerder omgekeerd: wetenschappelijke theorieën hebben hoogstens een zekere “geldigheid” (zolang ze niet gefalsificeerd zijn), terwijl het in de bijbel om de waarheid in de hoogste zin gaat’ (p. 149, 150). Volgt verwijzing naar een aantal bijbelteksten. Bravo!

De bioloog en farmacoloog Smelik die in zijn bijdrage onophoudelijk van zijn diepchristelijk geloof getuigt, meent dat de evolutie een doelbewust (goddelijk) programma inhoudt met de mens als eindproduct. ‘Zonder de mens zou dit heelal nooit waargenomen zijn. Dat zou de schepping zinloos maken, een toneelstuk voor een lege zaal’ (p. 179). Alsof een toneelstuk niet zonder publiek kan worden opgevoerd! In feite was de zaal de afgelopen tien of twintig miljard jaar (het exacte cijfer heb ik niet bij de hand) voortdurend leeg.

De precieze relatie tussen wetenschap en wonderen ‘is het onderwerp geweest van een langdurig en onbeslist debat’ zegt de theoretisch natuurkundige Ard Louis in zijn bijdrage (p. 193). Dat kun je inderdaad beweren als je, zoals deze auteur, ook meent dat de natuurwetenschap niet een toetssteen kan zijn voor de beoordeling van bijbelse wonderen. Toch wil hij nog wel even kwijt dat er heel sterke (en hij bedoelt wetenschappelijk sterke) argumenten zijn voor de geloofwaardigheid van de opstanding (p.195).

Enkele auteurs richten hun pijlen op het fysicalisme (of materialisme) dat de mens wil reduceren tot zijn fysiologische hoedanigheid en geen ruimte biedt voor een ziel of voor het perspectief van onsterfelijkheid. ‘…wie met droge ogen durft te beweren dat wij enkel automaten zijn, een bewering die volstrekt tegen de common sense en de menselijke waardigheid indruist, moet wel het lef hebben om de bewijslast op zich te nemen. En dat bewijs is door niemand geleverd’ (Labooy op p. 270). Ook Cees Dekker moet niets hebben van het beeld dat de atheïstische fysicalisten van de mens hebben als niet meer dan een bundel zelfzuchtige genen of van diens geest als een pakket van honderd miljard hersencellen. Dat doet geen recht aan de menselijke waardigheid en de fundamentele verschillen tussen mens en dier, waarvan wellicht de belangrijkste bestaat in de religieuze geaardheid van de mens (p. 295). Volgens Dekker hebben christenen vanaf het allereerste begin geijverd voor de waardigheid van de mens en waren zij voortdurend doende om de armen en de zieken te helpen, de zuigelingenmoord te voorkomen en de vrouw een betere positie te verschaffen, terwijl zij rassendiscriminatie, onrechtvaardige economische structuren en abortus bestreden. Wie dat met droge ogen (nu gebruik ik de uitdrukking ook maar eens) durft te beweren, verdient nog wat voorlichting, denk ik. Het zwartboek van het christendom is een volumineus werk, met forse hoofdstukken over sociale onrechtvaardigheid en rassendiscriminatie, om van stelselmatige sabotage van alles wat wij nu als vooruitgang beschouwen maar te zwijgen. Je kunt hooguit zeggen dat de niet-christenen grosso modo ook geen beste staat van dienst hebben.

Waarom ben ik zo bezig met die creationisten en andere vrome lieden. Ik heb nu al 300 pagina’s christelijke wetenschap doorgezwoegd en ik ben nog niets tegengekomen dat mij nader brengt tot het geloof. In tegendeel: ik vind de bijdragen, op een paar uitzonderingen na, beneden peil. Neem bij voorbeeld de onnavolgbare sofisterij van Alvin Plantinga die net zo lang rotzooit met het begrip wetenschap totdat de meest oncontroleerbare beweringen eronder komen te vallen en er vervolgens hun geldigheid aan ontlenen. Aldus stelt hij zijn geloof veilig. Dan ben ik intussen in Boek Achttien op pagina 399 en daar houdt het op, los van een apocrief werk van de hand van Willem Jan Otten die het, met de ijver van de bekeerling, opneemt voor Paus Urbanus VIII en tegen Galilei. En die deze bundel religieuze prietpraat een doorbraak vindt. ‘....simpelweg ontkennen dat belijdende christenen, als het erop aan komt, niet in de rationaliteit horen, is na dit boek niet goed mogelijk’ (p.408).

Heb ik doorgezet in de hoop toch nog het licht te zien? Hunker ik heimelijk naar de genade van het geloof en wie weet, een vervolg van mijn armzalige bestaan in een hiernamaals waar veel aan mij zal worden goedgemaakt? Zal de goddelijke vonk alsnog overspringen? Ik geloof van niet!

Cees Dekker, René van Woudenberg en Gijsbert van den Brink: Omhoog kijken in platland. Over geloven in de wetenschap. Uitg. Ten Have, 2007
 
*************************
Nieuwsgierig naar de uitgaven
van uitgeverij De Sneeuwstorm?
Verwen uzelf en vraag gratis
Het laatste Vlugschrift aan via:
© 2008 Carlo van Praag
powered by CJ2