archiefvorig nr.lopend nr.

Vermaak en Genot > Naar de film delen printen terug
De ondergang van het kapitalisme Hans Knegtmans

0113 Hoe vertel ik ...
‘Geliefd zijn zij die gaan zitten,’ luidt het motto van de film Songs from the Second Floor. (De oorspronkelijke Zweedse titel is Sånger från andra våningen, maar probeer dat maar eens uit te spreken.) Het is een citaat uit een gedicht van de Peruviaan César Vallejo. Een van de filmpersonages raakte er zo door gegrepen dat hij zijn taxi aan de kant zette en zichzelf in het dichtersvak bekwaamde. Nu staart hij in het gekkenhuis voor zich uit. Volgens zijn vader Kalle als gevolg van al dat dichten, maar zo simpel ligt het niet, vermoedt de kijker.

Na zijn tweede lange speelfilm – Giliap, uit 1975 – besloot regisseur Roy Andersson dat hij geld nodig had om toekomstige speelfilms onafhankelijk te kunnen draaien. Hij richtte een studio en eigen productiemaatschappij op, en maakte daar tv-commercials (‘de beste van de wereld,’ vindt filmregisseur Ingmar Bergman) en een handvol korte films. In 1996 begon hij aan zijn volgende speelfilm. Dat duurde langer dan voorzien: pas in 2000 beleefde Songs from the Second Floor zijn première op het festival van Cannes. Ondanks stevige discussies in de wandelgangen bemachtigde de film de juryprijs en werd hij genomineerd voor de Gouden Palm.

Zoals dat wel vaker gaat toonde het publiek zich een stuk minder enthousiast dan de vakjury. In het moederland Zweden hield de film het met pijn en moeite acht weken vol in de filmtheaters, in buurland Noorwegen vier weken. In de Verenigde Staten zette welgeteld één theater hem gedurende een week op het programma, wat een bedrag van $ 2303,- in het laatje bracht. Andersson had kennelijk geen gat in de markt aangeboord. Des te opvallender is het dat bij ons de film toch op DVD is uitgebracht en – noch wonderbaarlijker – dat we hem zelfs gewoon bij de populistische marktleider Videoland kunnen huren. Als je niet beter wist (veel beter wist), zou je denken dat een culturele omwenteling aanstaande is.

Te zeggen dat de film nogal ontoegankelijk is zou het understatement van het jaar zijn. Songs from the Second Floor bestaat uit vijfenveertig losse scènes. In elk fragment heeft Andersson eerst de camera neergezet, en vervolgens de handeling er in gemonteerd, als het ware. De camera beweegt niet en zoomt ook niet in of uit. Het resultaat is dat je alleen die gebeurtenissen te zien krijgt waar de camera ‘toevallig’ op gericht staat, als bij een bewakingsvideo. Dat klinkt behoorlijk saai, maar ik denk dat de meeste kijkers het trucje niet eens opmerken.

Het kostte mij twee keer kijken voordat ik begreep dat de film wel degelijk een verhaal vertelt en dat die vijfenveertig fragmenten meer zijn dan losstaande hersenspinsels van een regisseur met een overmaat aan verbeeldingskracht. Geef toe, een goochelaar die de vrijwilliger uit het publiek daadwerkelijk doorzaagt, een man die op klaarlichte dag door hooligans in elkaar wordt geslagen terwijl aan de overkant van de straat de mensen doodleuk op de bus wachten, een verpleegster die vanwege plaatsgebrek een ziekenhuisbed een stukje opschuift, zodat het ziekenbezoek met stoel en al haastig moet meeschuiven, het lijken niet direct variaties op een thema.

Maar daar staan tal van scènes tegenover die duidelijk maken hoezeer de filmpersonages in beslag worden genomen door faillissement, ontslag en het risico, aan de bedelstaf te raken. De eerder genoemde Kalle steekt vanwege een dreigend bankroet zijn meubelzaak in de fik, hopend dat de verzekering hem niet doorziet. Zijn zakenrelatie Uffe begint een handeltje in Jezusbeelden-aan-het-kruis want, redeneert hij, in deze tijden van recessie en met de millenniumwisseling voor de deur hebben mensen meer dan ooit behoefte aan vastigheid. In de meest griezelige episode wordt, ten overstaan van talrijke geestelijken en industriëlen, een klein meisje ritueel in een ravijn geduwd. Een noodzakelijk offer aan de god van het kapitaal, kennelijk.

Hoe akelig de thematiek ook moge zijn, Anderssons gevoel voor zwarte humor laat de kijker regelmatig grinniken en een handvol keren ongegeneerd hardop lachen om de absurde teksten en gebeurtenissen. Sommigen hebben de film vergeleken met de strapatsen van Monty Python. Daar kan ik me wel in vinden, met de kanttekening dat de schetsjes van John Cleese en co in al hun genialiteit een stuk vrijblijvender zijn dan de frontale aanval op het land van Volvo en Ikea. Anderen zien een gelijkenis met het werk van Ingmar Bergman, althans wanneer deze zich voor de verandering eens aan het slapstickgenre zou wagen. Ook geen slechte vergelijking.

Ga dat zien, is mijn advies. Verwonder u over het bleke camerawerk met een overmaat aan blauw en geel. Neem nota van het feit dat Andersson voor het acteren alleen amateurs gebruikt die hij soms letterlijk van de straat heeft geplukt. Geniet van de bizarre gesprekken: ‘ik dacht echt dat zo’n gekruisigde loser poen zou opleveren’. En heb mededogen met de personages die – eerst alleen Tomas, maar later ook zijn vader en broer – troost putten uit de dichtregel ‘Geliefd zijn zij die gaan zitten’. Het gebeurt niet elke dag dat een filmisch meesterwerk gewoon bij de videotheek op de hoek te huur is, dus sla uw slag.


© 2006 Hans Knegtmans meer Hans Knegtmans - meer "Naar de film"
Vermaak en Genot > Naar de film
De ondergang van het kapitalisme Hans Knegtmans
0113 Hoe vertel ik ...
‘Geliefd zijn zij die gaan zitten,’ luidt het motto van de film Songs from the Second Floor. (De oorspronkelijke Zweedse titel is Sånger från andra våningen, maar probeer dat maar eens uit te spreken.) Het is een citaat uit een gedicht van de Peruviaan César Vallejo. Een van de filmpersonages raakte er zo door gegrepen dat hij zijn taxi aan de kant zette en zichzelf in het dichtersvak bekwaamde. Nu staart hij in het gekkenhuis voor zich uit. Volgens zijn vader Kalle als gevolg van al dat dichten, maar zo simpel ligt het niet, vermoedt de kijker.

Na zijn tweede lange speelfilm – Giliap, uit 1975 – besloot regisseur Roy Andersson dat hij geld nodig had om toekomstige speelfilms onafhankelijk te kunnen draaien. Hij richtte een studio en eigen productiemaatschappij op, en maakte daar tv-commercials (‘de beste van de wereld,’ vindt filmregisseur Ingmar Bergman) en een handvol korte films. In 1996 begon hij aan zijn volgende speelfilm. Dat duurde langer dan voorzien: pas in 2000 beleefde Songs from the Second Floor zijn première op het festival van Cannes. Ondanks stevige discussies in de wandelgangen bemachtigde de film de juryprijs en werd hij genomineerd voor de Gouden Palm.

Zoals dat wel vaker gaat toonde het publiek zich een stuk minder enthousiast dan de vakjury. In het moederland Zweden hield de film het met pijn en moeite acht weken vol in de filmtheaters, in buurland Noorwegen vier weken. In de Verenigde Staten zette welgeteld één theater hem gedurende een week op het programma, wat een bedrag van $ 2303,- in het laatje bracht. Andersson had kennelijk geen gat in de markt aangeboord. Des te opvallender is het dat bij ons de film toch op DVD is uitgebracht en – noch wonderbaarlijker – dat we hem zelfs gewoon bij de populistische marktleider Videoland kunnen huren. Als je niet beter wist (veel beter wist), zou je denken dat een culturele omwenteling aanstaande is.

Te zeggen dat de film nogal ontoegankelijk is zou het understatement van het jaar zijn. Songs from the Second Floor bestaat uit vijfenveertig losse scènes. In elk fragment heeft Andersson eerst de camera neergezet, en vervolgens de handeling er in gemonteerd, als het ware. De camera beweegt niet en zoomt ook niet in of uit. Het resultaat is dat je alleen die gebeurtenissen te zien krijgt waar de camera ‘toevallig’ op gericht staat, als bij een bewakingsvideo. Dat klinkt behoorlijk saai, maar ik denk dat de meeste kijkers het trucje niet eens opmerken.

Het kostte mij twee keer kijken voordat ik begreep dat de film wel degelijk een verhaal vertelt en dat die vijfenveertig fragmenten meer zijn dan losstaande hersenspinsels van een regisseur met een overmaat aan verbeeldingskracht. Geef toe, een goochelaar die de vrijwilliger uit het publiek daadwerkelijk doorzaagt, een man die op klaarlichte dag door hooligans in elkaar wordt geslagen terwijl aan de overkant van de straat de mensen doodleuk op de bus wachten, een verpleegster die vanwege plaatsgebrek een ziekenhuisbed een stukje opschuift, zodat het ziekenbezoek met stoel en al haastig moet meeschuiven, het lijken niet direct variaties op een thema.

Maar daar staan tal van scènes tegenover die duidelijk maken hoezeer de filmpersonages in beslag worden genomen door faillissement, ontslag en het risico, aan de bedelstaf te raken. De eerder genoemde Kalle steekt vanwege een dreigend bankroet zijn meubelzaak in de fik, hopend dat de verzekering hem niet doorziet. Zijn zakenrelatie Uffe begint een handeltje in Jezusbeelden-aan-het-kruis want, redeneert hij, in deze tijden van recessie en met de millenniumwisseling voor de deur hebben mensen meer dan ooit behoefte aan vastigheid. In de meest griezelige episode wordt, ten overstaan van talrijke geestelijken en industriëlen, een klein meisje ritueel in een ravijn geduwd. Een noodzakelijk offer aan de god van het kapitaal, kennelijk.

Hoe akelig de thematiek ook moge zijn, Anderssons gevoel voor zwarte humor laat de kijker regelmatig grinniken en een handvol keren ongegeneerd hardop lachen om de absurde teksten en gebeurtenissen. Sommigen hebben de film vergeleken met de strapatsen van Monty Python. Daar kan ik me wel in vinden, met de kanttekening dat de schetsjes van John Cleese en co in al hun genialiteit een stuk vrijblijvender zijn dan de frontale aanval op het land van Volvo en Ikea. Anderen zien een gelijkenis met het werk van Ingmar Bergman, althans wanneer deze zich voor de verandering eens aan het slapstickgenre zou wagen. Ook geen slechte vergelijking.

Ga dat zien, is mijn advies. Verwonder u over het bleke camerawerk met een overmaat aan blauw en geel. Neem nota van het feit dat Andersson voor het acteren alleen amateurs gebruikt die hij soms letterlijk van de straat heeft geplukt. Geniet van de bizarre gesprekken: ‘ik dacht echt dat zo’n gekruisigde loser poen zou opleveren’. En heb mededogen met de personages die – eerst alleen Tomas, maar later ook zijn vader en broer – troost putten uit de dichtregel ‘Geliefd zijn zij die gaan zitten’. Het gebeurt niet elke dag dat een filmisch meesterwerk gewoon bij de videotheek op de hoek te huur is, dus sla uw slag.
© 2006 Hans Knegtmans
powered by CJ2