archiefvorig nr.lopend nr.

Vermaak en Genot > Naar de film delen printen terug
IFFR: Goed geprepareerd naar Rotterdam Hans Knegtmans

0306 VG Film IFFR
Jaar in jaar uit speel ik voor aanvang van het festival IFFR – dat dit jaar plaatsvindt van 25 januari tot en met 4 februari – even met de gedachte, het evenement dit keer volledig blind te bezoeken. Dat wil zeggen: een programma samenstellen dat alleen voldoet aan de eis van praktische haalbaarheid (dus bijvoorbeeld geen voorstellingen die overlappen). Verder helemaal niets. Wat een zielenrust zou dat opleveren! Geen overspannen studie tot in de kleine uurtjes van de festivalcatalogus of het programmaoverzicht in de Volkskrant (dit jaar die van 19 januari). Geen hectische zaterdagochtend en -middag, waarbij de telefoonlijn met de festivalkassa non-stop in gesprek blijkt en, wanneer ik eindelijk door de bestelkanonnade heen breek, twee geplande voorstellingen voor het volgende weekend al maximaal gereserveerd zijn, zodat ik een van mijn gereedliggende schaduwprogramma’s moet inzetten, wat – de eerste wijziging maakt een tweede noodzakelijk, enzovoort – tot minimaal vier mutaties leidt. Nee, geheel ontspannen naar dertig plus willekeurig geprikte films.

Maar het is er nog nooit van gekomen, en ik weet ook waarom. Tijdens elk festival stuit ik op minstens vier films die stomvervelend zijn, of stuitend pretentieus, of tenenkrommend flauw. Zonde van mijn tijd. Maar dit aantal was zeker groter geweest als ik geen rekening had gehouden met de thematiek van de film, het eerdere werk van de regisseur, het land van herkomst of mijn sympathie voor de hoofdrolspeler. Het verschil zou waarschijnlijk niet eens zo enorm zijn, maar elke onzinfilm is een aanslag op het welbevinden. En als ik dit aantal kan reduceren van zeven tot vier, heb ik daar graag wat lees- en denkwerk voor over.

Dit jaar was één persvoorstelling al voldoende om iedere neiging tot een ondoordacht, gemakzuchtig festivalbezoek meteen de kop in te drukken. De eerste film, Me and You and Everyone We Know van Miranda July was door de programmaleiding ondergebracht in de rubriek Cinema of the Future: Sturm und Drang. Tja. Om de bezoeker een indruk te geven wat hij van een film kan verwachten, heeft de organisatie een aantal categorieën bedacht, die weinig informatief zijn. Alleen de rubrieken Short, Filmmaker in Focus en Exploding Television behoeven geen nadere uitleg, behalve dat exploding hier overdrachtelijk bedoeld is.

Me and You etc. is dit jaar het voorproefje van het festival. Tijdens een tournee langs een negental vooraanstaande filmtheaters worden de bezoekers aan het bestaan van het festival herinnerd, en nog tijdens het festival gaat de film landelijk in première. Zoals alle eerdere festivallokkertjes die ik me herinner is Me and You lichtvoetig, bovengemiddeld intelligent en bij vlagen zeer geestig. Laat me voor één keer het lievelingsattribuut van elke luie recensent, de persmap, citeren: ‘In haar film maakt videokunstenaar en performance artiest Miranda July een indringende observatie van de onderlinge relaties tussen mensen in de moderne maatschappij.’

Afgezien van het redundante ‘onderlinge’ kan ik me deze samenvatting geheel onderschrijven. De gescheiden schoenverkoper Richard (John Hawkes) gaat met grote terughoudendheid in op de onhandige avances van kunstenares Christine (gespeeld door regisseur July, met een lijzige, nasale stem die vreemd genoeg niet in het minst irriteert). Dan pakken zijn zoontjes het flinker aan. De oudste laat zich geblindeerd pijpen door twee tienermeisjes die hun vaardigheid terzake willen testen, de jongste bedrijft internetseks met een onbekende vrouw waarin hij – onkundig van de geslachtsdaad – een buitenissig voorstel lanceert dat haar tot grote opwinding brengt. De film roept geen enkele diepere gedachte op, maar is klassen beter dan de meeste feel-good movies, die in de regel nogal onnozel zijn.

Daarna was het de beurt aan Running Stumbled, uit de categorie White Light. (Weet u nog? De tweede elpee van The Velvet Underground, over drugs.) Regisseur John Maringouin gaat naar de ouderlijke woning op het platteland en portretteert daar zijn vader, zijn moeder en iemand die, meen ik, zijn oom is. Vader was een verdienstelijk kunstschilder – ik zou graag een of meer van zijn schilderijen aan de muur hebben hangen – maar lijdt al jaren een lethargisch bestaan met als enig lichtpuntje zijn dagelijkse heroïneshots. Running Stumbled was misschien een ontroerende film geworden als de regisseur kritischer was geweest bij de montage. Maringouin laat zijn familieleden in interviews en onderlinge conversatie eindeloos aan het woord. Waarschijnlijk denkt hij dat hun gesprekken, irritaties en steken onder water voor derden even interessant zijn als voor hemzelf. Dat is niet zo.

Niet al te snuggere mensen zonder noemenswaardige opleiding, en gedoemd tot een leven zonder werk of andere zinnige bezigheden, hebben weinig interessante gespreksstof. Dat belet hen – ook in deze film – niet, te vervallen in oeverloos gebeuzel vol herhalingen. Ongeacht of het over belangrijke zaken gaat als de terminale ziekte van de moeder en de moord die de vader ooit gepleegd zou hebben, of over trivia als het weer of de maaltijd van vanavond. Pas langzaam wordt duidelijk dat de vader en de oom meer te melden zouden hebben als dat enge mens maar niet steeds aan het kwekken was. En, natuurlijk, als ze zelf niet de helft van de tijd zo stoned als een garnaal waren. Het kan dat ik in mijn strijd tegen de slaap een paar dramatische passages gemist heb.

De laatste film van het programma, het Tsjechische Lunacy, hoort bij het programmaonderdeel Kings and Aces. De Ace in kwestie is regisseur Jan Švankmajer. Jan wie? Geen zorg, u bent niet de enige die in het duister tast. De meer prestigieuze onderscheidingen die hij heeft binnengehaald, dateren alweer uit de jaren zeventig en tachtig. En op internet zijn, behalve van zijn drie meest recente films, nauwelijks recensies te vinden. Lunacy zal daarin weinig verandering brengen, ben ik bang.

Het verhaal is enerzijds gebaseerd op twee verhalen van Edgar Allan Poe (The Premature Burial en The System of Doctor Tarr and Professor Fether), anderzijds op het werk en de persoon van Markies de Sade. Voor minder doet Jan het niet. Het verhaal samenvatten is ondoenlijk (de regisseur heeft er drie dichtbedrukte pagina’s voor nodig). Een tipje van de sluier, dan. Na de begrafenis van zijn moeder – die haar laatste jaren in een gekkenhuis sleet – heeft Jean (Pavel Liška) in het hotel waar hij overnacht een zo levendige nachtmerrie over ziekenbroeders en een dwangbuis, dat hij het meubilair kort en klein slaat. De volgende ochtend nodigt een andere gast, ‘De Markies’ (Jan Třiska), hem uit voor een logeerpartij op zijn landgoed. Kort daarna is Jean de stille getuige van een heuse orgie met sadomasochistische seks. Een van de meisjes vlucht bloot en wel het pand uit maar wordt weer ingerekend.

De markies die over enige kennis van de menselijke ziel beschikt, raadt Jan aan zich in een psychiatrische kliniek te laten verplegen, zodat hij zijn kennelijke angst voor dit soort instituten kan kwijtraken. Een gedragstherapie avant la lettre, dus. In de kliniek loopt hij de mooie vluchtelinge van de orgie (een wulpse Anna Geislerová) tegen het lijf. Die verklapt hem dat de eigenlijke staf opgesloten is in de kelder en dat de man die zich voor directeur uitgeeft een bedrieger is. Of dat waar is, moet de toeschouwer maar afwachten.

Vreemd genoeg vond ik de film op het moment van zien en meteen na afloop een stuk slechter dan nu ik hem, een maand later, nog eens mijn geestesoog laat passeren. Ik zal hem niemand van harte aanbevelen, maar wie toch in Rotterdam is, kan zich aan Lunacy niet echt een buil vallen. Wat hij in ieder geval voor heeft op menige andere festivalfilm, is een heuse intrige. Een buitengewoon malle intrige, weliswaar, maar wel een die je bijblijft. En dat is op IFFR allerminst vanzelfsprekend. Veel films gaan over een jongen die opgroeit, een emigrant die niet kan aarden, een man die bij de politie wil maar wordt afgekeurd. Het leven zelf. Niets op tegen, maar daartussen is een film met een echte plot een welkome afwisseling. Het was helemaal aardig geweest als de regisseur zijn ludieke inval, het verhaal steeds te onderbreken voor animatiefragmenten van bewegende (rauwe) biefstukken, koteletten en andere onsmakelijk ogende vleeswaar, naar de prullenbak had verwezen.

De les van dit alles is, dat ik zonder voorkennis van het festival makkelijk in een zaaltje zou kunnen belanden waar Running Stumbled draait, of een ander juweeltje uit de White Light categorie. Ook zonder dat soort films is IFFR als evenement al vermoeiend genoeg.

© 2006 Hans Knegtmans meer Hans Knegtmans - meer "Naar de film"
Vermaak en Genot > Naar de film
IFFR: Goed geprepareerd naar Rotterdam Hans Knegtmans
0306 VG Film IFFR
Jaar in jaar uit speel ik voor aanvang van het festival IFFR – dat dit jaar plaatsvindt van 25 januari tot en met 4 februari – even met de gedachte, het evenement dit keer volledig blind te bezoeken. Dat wil zeggen: een programma samenstellen dat alleen voldoet aan de eis van praktische haalbaarheid (dus bijvoorbeeld geen voorstellingen die overlappen). Verder helemaal niets. Wat een zielenrust zou dat opleveren! Geen overspannen studie tot in de kleine uurtjes van de festivalcatalogus of het programmaoverzicht in de Volkskrant (dit jaar die van 19 januari). Geen hectische zaterdagochtend en -middag, waarbij de telefoonlijn met de festivalkassa non-stop in gesprek blijkt en, wanneer ik eindelijk door de bestelkanonnade heen breek, twee geplande voorstellingen voor het volgende weekend al maximaal gereserveerd zijn, zodat ik een van mijn gereedliggende schaduwprogramma’s moet inzetten, wat – de eerste wijziging maakt een tweede noodzakelijk, enzovoort – tot minimaal vier mutaties leidt. Nee, geheel ontspannen naar dertig plus willekeurig geprikte films.

Maar het is er nog nooit van gekomen, en ik weet ook waarom. Tijdens elk festival stuit ik op minstens vier films die stomvervelend zijn, of stuitend pretentieus, of tenenkrommend flauw. Zonde van mijn tijd. Maar dit aantal was zeker groter geweest als ik geen rekening had gehouden met de thematiek van de film, het eerdere werk van de regisseur, het land van herkomst of mijn sympathie voor de hoofdrolspeler. Het verschil zou waarschijnlijk niet eens zo enorm zijn, maar elke onzinfilm is een aanslag op het welbevinden. En als ik dit aantal kan reduceren van zeven tot vier, heb ik daar graag wat lees- en denkwerk voor over.

Dit jaar was één persvoorstelling al voldoende om iedere neiging tot een ondoordacht, gemakzuchtig festivalbezoek meteen de kop in te drukken. De eerste film, Me and You and Everyone We Know van Miranda July was door de programmaleiding ondergebracht in de rubriek Cinema of the Future: Sturm und Drang. Tja. Om de bezoeker een indruk te geven wat hij van een film kan verwachten, heeft de organisatie een aantal categorieën bedacht, die weinig informatief zijn. Alleen de rubrieken Short, Filmmaker in Focus en Exploding Television behoeven geen nadere uitleg, behalve dat exploding hier overdrachtelijk bedoeld is.

Me and You etc. is dit jaar het voorproefje van het festival. Tijdens een tournee langs een negental vooraanstaande filmtheaters worden de bezoekers aan het bestaan van het festival herinnerd, en nog tijdens het festival gaat de film landelijk in première. Zoals alle eerdere festivallokkertjes die ik me herinner is Me and You lichtvoetig, bovengemiddeld intelligent en bij vlagen zeer geestig. Laat me voor één keer het lievelingsattribuut van elke luie recensent, de persmap, citeren: ‘In haar film maakt videokunstenaar en performance artiest Miranda July een indringende observatie van de onderlinge relaties tussen mensen in de moderne maatschappij.’

Afgezien van het redundante ‘onderlinge’ kan ik me deze samenvatting geheel onderschrijven. De gescheiden schoenverkoper Richard (John Hawkes) gaat met grote terughoudendheid in op de onhandige avances van kunstenares Christine (gespeeld door regisseur July, met een lijzige, nasale stem die vreemd genoeg niet in het minst irriteert). Dan pakken zijn zoontjes het flinker aan. De oudste laat zich geblindeerd pijpen door twee tienermeisjes die hun vaardigheid terzake willen testen, de jongste bedrijft internetseks met een onbekende vrouw waarin hij – onkundig van de geslachtsdaad – een buitenissig voorstel lanceert dat haar tot grote opwinding brengt. De film roept geen enkele diepere gedachte op, maar is klassen beter dan de meeste feel-good movies, die in de regel nogal onnozel zijn.

Daarna was het de beurt aan Running Stumbled, uit de categorie White Light. (Weet u nog? De tweede elpee van The Velvet Underground, over drugs.) Regisseur John Maringouin gaat naar de ouderlijke woning op het platteland en portretteert daar zijn vader, zijn moeder en iemand die, meen ik, zijn oom is. Vader was een verdienstelijk kunstschilder – ik zou graag een of meer van zijn schilderijen aan de muur hebben hangen – maar lijdt al jaren een lethargisch bestaan met als enig lichtpuntje zijn dagelijkse heroïneshots. Running Stumbled was misschien een ontroerende film geworden als de regisseur kritischer was geweest bij de montage. Maringouin laat zijn familieleden in interviews en onderlinge conversatie eindeloos aan het woord. Waarschijnlijk denkt hij dat hun gesprekken, irritaties en steken onder water voor derden even interessant zijn als voor hemzelf. Dat is niet zo.

Niet al te snuggere mensen zonder noemenswaardige opleiding, en gedoemd tot een leven zonder werk of andere zinnige bezigheden, hebben weinig interessante gespreksstof. Dat belet hen – ook in deze film – niet, te vervallen in oeverloos gebeuzel vol herhalingen. Ongeacht of het over belangrijke zaken gaat als de terminale ziekte van de moeder en de moord die de vader ooit gepleegd zou hebben, of over trivia als het weer of de maaltijd van vanavond. Pas langzaam wordt duidelijk dat de vader en de oom meer te melden zouden hebben als dat enge mens maar niet steeds aan het kwekken was. En, natuurlijk, als ze zelf niet de helft van de tijd zo stoned als een garnaal waren. Het kan dat ik in mijn strijd tegen de slaap een paar dramatische passages gemist heb.

De laatste film van het programma, het Tsjechische Lunacy, hoort bij het programmaonderdeel Kings and Aces. De Ace in kwestie is regisseur Jan Švankmajer. Jan wie? Geen zorg, u bent niet de enige die in het duister tast. De meer prestigieuze onderscheidingen die hij heeft binnengehaald, dateren alweer uit de jaren zeventig en tachtig. En op internet zijn, behalve van zijn drie meest recente films, nauwelijks recensies te vinden. Lunacy zal daarin weinig verandering brengen, ben ik bang.

Het verhaal is enerzijds gebaseerd op twee verhalen van Edgar Allan Poe (The Premature Burial en The System of Doctor Tarr and Professor Fether), anderzijds op het werk en de persoon van Markies de Sade. Voor minder doet Jan het niet. Het verhaal samenvatten is ondoenlijk (de regisseur heeft er drie dichtbedrukte pagina’s voor nodig). Een tipje van de sluier, dan. Na de begrafenis van zijn moeder – die haar laatste jaren in een gekkenhuis sleet – heeft Jean (Pavel Liška) in het hotel waar hij overnacht een zo levendige nachtmerrie over ziekenbroeders en een dwangbuis, dat hij het meubilair kort en klein slaat. De volgende ochtend nodigt een andere gast, ‘De Markies’ (Jan Třiska), hem uit voor een logeerpartij op zijn landgoed. Kort daarna is Jean de stille getuige van een heuse orgie met sadomasochistische seks. Een van de meisjes vlucht bloot en wel het pand uit maar wordt weer ingerekend.

De markies die over enige kennis van de menselijke ziel beschikt, raadt Jan aan zich in een psychiatrische kliniek te laten verplegen, zodat hij zijn kennelijke angst voor dit soort instituten kan kwijtraken. Een gedragstherapie avant la lettre, dus. In de kliniek loopt hij de mooie vluchtelinge van de orgie (een wulpse Anna Geislerová) tegen het lijf. Die verklapt hem dat de eigenlijke staf opgesloten is in de kelder en dat de man die zich voor directeur uitgeeft een bedrieger is. Of dat waar is, moet de toeschouwer maar afwachten.

Vreemd genoeg vond ik de film op het moment van zien en meteen na afloop een stuk slechter dan nu ik hem, een maand later, nog eens mijn geestesoog laat passeren. Ik zal hem niemand van harte aanbevelen, maar wie toch in Rotterdam is, kan zich aan Lunacy niet echt een buil vallen. Wat hij in ieder geval voor heeft op menige andere festivalfilm, is een heuse intrige. Een buitengewoon malle intrige, weliswaar, maar wel een die je bijblijft. En dat is op IFFR allerminst vanzelfsprekend. Veel films gaan over een jongen die opgroeit, een emigrant die niet kan aarden, een man die bij de politie wil maar wordt afgekeurd. Het leven zelf. Niets op tegen, maar daartussen is een film met een echte plot een welkome afwisseling. Het was helemaal aardig geweest als de regisseur zijn ludieke inval, het verhaal steeds te onderbreken voor animatiefragmenten van bewegende (rauwe) biefstukken, koteletten en andere onsmakelijk ogende vleeswaar, naar de prullenbak had verwezen.

De les van dit alles is, dat ik zonder voorkennis van het festival makkelijk in een zaaltje zou kunnen belanden waar Running Stumbled draait, of een ander juweeltje uit de White Light categorie. Ook zonder dat soort films is IFFR als evenement al vermoeiend genoeg.
© 2006 Hans Knegtmans
powered by CJ2